Stadsnatuur

Bijen




Er bestaan sociale bijen, zoals bijvoorbeeld de Honingbij en de hommels, en solitaire bijen. Vrijwel alle bijen zijn warmte- en droogteminnende dieren. Verder is het van belang dat geschikte foerageer- en nestplaatsen aanwezig zijn. Zij bezoeken de bloemen om nectar en stuifmeel te verzamelen. Enkel de vrouwelijke bijen kunnen steken, aangezien hun angel een omgevormde legboor is. Bijen bevoorraden hun larven niet met dierlijk materiaal, maar met een mengsel van nectar en stuifmeel.

Tot de solitaire bijen behoren de zandbijen, de kleine harsbijen, de wolbijen, de sachembijen, de ertsbijen, de mortelbijen, de klokjesbijen, de zijdebijen, de pluimvoetbijen, de langhoornbijen, de tronkenbijen, de metselbijen, de maskerbijen, de slobkousbijen,  de behangersbijen, de dikpootbijen, de roetbijen en de houtbijen.

Bij deze bijen vliegt een mannetje uit om een vrouwtje te zoeken en met haar copuleren. Doordat ze vroeger dan de vrouwtjes uit de pop zijn gekomen, hebben ze al voedsel gezocht, kracht opgedaan en zijn ze dan ook in topconditie wanneer later de vrouwtjes verschijnen. Na de paring zal het vrouwtje een geschikte nestplaats zoeken en stuifmeel beginnen te verzamelen. Ze maakt verschillende celletjes, waar ze een voorraad stuifmeel in legt samen met een eitje. De cel wordt afgesloten en het vrouwtje begint aan een volgende cel. De eitjes worden larven, die zich voeden met het stuifmeel, en vervellen later tot poppen. De poppen overwinteren. Een aantal broedcellen die als laatste worden gevormd, bevatten een onbevrucht eitje. Deze haploïde eitjes groeien uit tot mannetjes. In het voorjaar komen als eerste de mannetjes uit. Ze blijven bij de nestplaats patrouilleren tot de vrouwtjes uitkomen en ze tot de copulatie kunnen overgaan. Als nestplaats worden in regel holle ruimtes gebruikt. De meeste solitaire bijen nestelen in de grond, andere nestelen bovengronds in holle pijpjes van stengels of bomen. De cyclus van stuifmeel verzamelen, eitjes leggen en afsluiten van de broedcellen, wordt meerdere keren herhaald.  Aan het einde van de vliegtijd, wanneer er voldoende broedcellen zijn aangelegd voor een volgende generatie, zal de bij sterven. Een volwassen solitaire bij leeft slechts enkele weken. Solitaire bijen zijn zeer efficiënt voor de bevruchting van plant omdat ze bijna alleen maar het stuifmeel nodig hebben en niet de nectar, zoals de Honingbij. Eén solitaire bij zou evenveel planten bevruchten als 125 Honingbijen.

Zandbijen (genus Andrena) zijn zwart gekleurde bijen met een blauwe of groene metaalglans. De beharing varieert naargelang de soort sterk in kleur en dichtheid. Deze bijen zijn vooral in het voorjaar actief. Deze bijen nestelen ondergronds, meestal in zogenaamde kolonies, waarbij elk vrouwtje nog haar eigen nestingang heeft. Ze maken vaak een nest in min of meer horizontale stukken aarde. Sommige nestelen in verticale wanden en tussen muurvoegen. Op de nestplaatsen is er meestal weinig vegetatie. De nestplaatsen zijn veelal zonbeschenen. De aanwezigheid van (stukken) open grond is voor de zandbijen dus belangrijk. Bij de verschillende soorten vertonen de nesten een gelijkaardige opbouw. De afzonderlijke broedcellen liggen aan het einde van korte zijgangen die in een hoofdgang uitmonden. De diepte van de broedcellen varieert naargelang de soort van 5 cm tot 60 cm. De broedcellen, die langs onder wat afgevlakt zijn, zijn met een secreet bekleed dat eruit ziet als een dun vlies. Het aantal broedcellen per nest varieert, naargelang de soort, van 2 tot 10. Nadat de eitjes zijn gelegd in het nest wordt de hoofdingang afgesloten met het omliggende substraat. Bij een aantal soorten wordt een gemeenschappelijke nestingang gedeeld met tientallen andere vrouwtjes. De hoofdgang vertakt dan in verschillende zijgangen, waar elk vrouwtje de eigen broedcellen verzorgt. Op deze manier worden de bijen extra beschermd tegen parasitaire soorten. De vrouwtjes bezitten een flocullus, een haarlok aan de dijring van de achterpoot. Hierin wordt het stuifmeel verzameld. De mannetjes patrouilleren over de nestplaatsen langs bloemen, struiken of boomstammen. Ze zetten hierbij geurvlaggen uit die vrouwtjes aantrekken., maar ook andere mannetjes, zodat er vaak kleine zwermen zandbijen ontstaan. De paring vindt plaats als de vrouwtjes de nesten verlaten of op bloemen.  Bij de zandbijen zijn er zowel soorten die verschillende planten bezoeken voor het stuifmeel (polylectisch) als slechts een aantal planten (oligolectisch). Zandbijen zijn in de stad goed vertegenwoordigd. Zandbijen worden vooral door Wespbijen, maar  soms ook door Bloedbijen geparasiteerd.

De kleine harsbijen (genus Anthidiellum)  zijn kleine, robuuste zwarte bijen met weinig haren op de bovenkant van het lichaam en met een variabele gele of geelwitte tekening. Ze lijken sterk op de tubebijen. Ze vliegen in één generatie. De nesten worden bovengronds gebouwd. Ze bestaan uit solitaire broedcellen of groepen van broedcellen die tegen muren, rotsen, stammen of bladeren in de open lucht worden gemetseld. Deze bijen nestelen ook in houtblokken, waarin achter elkaar liggende broedcellen met tussenwandjes van hars worden gebouwd. Kleine harsbijen zijn gastheerbijen voor de tubebijen.  

Wolbijen (genus Anthidium) zijn meestal robuuste bijen. Ze zijn soms geheel zwart, maar hebben meestal een opvallend geel of geelwit kleurenpatroon. Deze bijen vliegen in één generatie. De nesten worden door de vrouwtjes gebouwd met plantenharen (wol) in bestaande holle ruimtes in de grond, muren, hout of stengels. Wolbijen bezitten kaken met duidelijke tanden waarmee ze gemakkelijk de plantenharen kunnen verzamelen. De afstand tussen foerageerplekken en nesten is vaak groot. Het nest bestaat uit 1 tot 16 broedcellen naast of achter elkaar. Deze bijen hebben tubebijen als koekoeksbijen.

De sachembijen (genus Anthophora) hebben een nogal hommelachtig uiterlijk door hun dikke beharing. Ze hebben een snelle, grillige vliegwijze. Bij veel soorten zien het mannetje en het vrouwtje er heel verschillend uit. Het mannetje heeft vaak een geel of wit gezicht; het vrouwtje een donker gezicht. Bij een aantal soorten dragen de mannetjes opvallende haarfranjes aan de middenpoten (‘sachem‘). Daarna knagen de diertjes zich uit de cel en uit het nest. De meeste soorten maken hun nest in de grond, andere in vermolmd hout of in bestaande holtes in hout of plantenstengels. De vrouwtjes van sommige soorten vormen nestaggregaties. Deze nestplaatsen blijven soms jaren bestaan. Het nest De voorkeur gaat uit naar verticale structuren. In de verste cellen leggen de vrouwtjes bevruchte eieren; in de cellen dichter bij de uitgang onbevruchte eieren, die mannetjes opleveren. De mannetjes verschijnen een aantal weken vóór de vrouwtjes. Na het uitkomen overwinteren de volwassen bijen 7 tot 8 maanden in de cel. Sachembijen zijn polylectisch en komen in uiteenlopende biotopen voor, zoals bosranden, ruderale terreinen en parken met open grond en voldoende bloemen. Ze zijn langtongig en bezoeken dan ook vaak bloemen met diepliggende nectar, zoals lipbloemen, vlinderbloemen en ruwbladigen.

Ertsbijen (genus Ceratina) zijn meestal vrij kleine, glanzende bijen zonder opvallende beharing. Ze zijn zwart of metaalkleurig blauw of groen. De meeste soorten hebben gele of witte vlekken op het gezicht of andere delen van het lichaam. Ze vliegen in één generatie. Mannetjes en vrouwtjes worden geboren in de loop van de zomer. Ze vliegen uit, maar overwinteren alleen of in groepjes in bijvoorbeeld holle stengels. Pas na de overwintering verlaten ze hun winterverblijf om te paren. Het nest wordt gemaakt in droge, dode stengels of afgebroken takken, waarin onvertakte lineaire gangen worden gegraven en met behulp van tussenschotten cylindrische broedcellen worden aangelegd. Deze bijen zijn langtongig en vliegen op verschillende bloemen.

Mortelbijen (genus Chalicodoma) zijn gewoonlijk grote, sterk behaarde bijen. Deze bijen overwinteren als imago. De paring vindt in het voorjaar plaats, waarna het vrouwtje aan de nestbouw begint. Op open terrein wordt wat zand, leem of gruis bijeen gezocht. De bij voegt speeksel toe en vliegt met dit bolletje specie naar bijvoorbeeld een kuil in een steen of muur. Daarop wordt, soms door middel van hars, een broedcel gemetseld. Na de aanvoer van nectar en stuifmeel wordt een ei gelegd en de broedcel afgesloten. Er worden enkele cellen naast elkaar gemetseld en vervolgens wordt het geheel ingemetseld met leem, die keihard wordt. Vaak nestelen meerdere vrouwtjes bij elkaar en worden dezelfde nestplaatsen opnieuw gebruikt. Soms treden kegelbijen op als koekoeksbij bij mortelbijen.

De klokjesbijen (genus Chelostoma) zijn zwarte, slank gebouwde bijen met een eerder zwakke beharing. Het zijn bovengronds nestelende bijen die de tussenwandjes van hun lineair gebouwde broedcellen vormen met behulp van klierafscheidingen, lemige aarde en steentjes. De nestplaatsen situeren zich in holtes in dood hout of rietstengels. De nestgang wordt afgesloten met een dikke afsluitprop, waarin ook steentjes verwerkt kunnen worden. Oude nestgangen worden vaak nogmaals gebruikt. De mannetjes slapen soms in bloemen van klokjes. Hierbij klemmen ze zich met de kaken vast. De vrouwtjes bezitten een buikschuier om voedsel te verzamelen. De larven spinnen een cocon. De soorten zijn voor hun larvenvoedsel nagenoeg allemaal op bepaalde planten gespecialiseerd.

De zijdebijen (genus Colletes) zijn zwarte tot bruine, dicht geelgrauw behaarde bijen, die meestal brede, lichtgekleurde haarbanden op het achterlijf hebben. Ze hebben geen echt goed ontwikkeld verzamelapparaat. Ze verzamelen het stuifmeel gewoon los in de haren van de achterpoten. Deze bijen nestelen vrijwel allemaal ondergronds (behalve de Wormkruidbij)  in schaars begroeide bodems en meestal nestelen ze in grote groepen bijeen. Ze kennen een gespecialiseerd bloembezoek. Ze bekleden het nest met een dunne, waterdichte bekleding met een zijdeachtige kleur. De mannetjes verschijnen enkele dagen vóór de vrouwtjes. Ze zwermen in de buurt van nesten, wachtend op de vrouwtjes. Als deze tevoorschijn komen, paren ze waarna de mannetjes zich terug in de mannetjeszwerm voegen.

Pluimvoetbijen (genus Dasypoda) zijn grote bijen met een dicht behaard borststuk. Het achterlijf is meestal voorzien van haarbandjes. De vrouwtjes hebben lange haarborstels op de achterpoten. De nesten worden in zandige grond gegraven, vaak in grote groepen bij elkaar. Een nest bestaat uit een hoofdgang met zijgangen die naar de broedcellen leiden.

De mannetjes van de langhoornbijen (genus Eucera) hebben een geel kopschild en zeer lange antennes. De vrouwtjes hebben een breed, ovalen achterlijf dat meestal bezet is met haarvlekken of banden. Deze bijen graven grondnesten, vaak groepsgewijs. Ze zijn gespecialiseerd op vlinderbloemen. De mannetjes slapen vaak bij elkaar, zich vastklampend met poten of kaken aan planten.

De groefbijen (genera Halictus en Lasioglossum) bewonen verschillende biotopen, maar mijden dichte bossen. Ze bouwen hun nest vaak groepsgewijs in de grond, in zand, leem of löss. Ze nestelen bij voorkeur in vegetatieloze bodems zoals wandelpaden. Ze komen voor in de stad, maar vallen niet zo goed op door de eerder kleine afmetingen van veel soorten. Bij de vrouwtjes van de groefbijen vormt de beharing op het achterlijf een typerende groef in lengterichting. De haarvlekken bevinden zich bij Lasioglossum-soorten  aan de basis van de tergieten; bij Halictus- soorten aan de achterrand van de tergieten. De mannetjes hebben lange antennes en zijn meestal veel slanker dan de vrouwtjes. De meeste soorten groefbijen leven min of meer sociaal (eusociaal of primitief eusociaal), met koninginnen en werksters die weinig van elkaar verschillen. Een werkster kan dus nog “promoveren” tot koningin. Ook binnen één bepaalde soort kan er –afhankelijk van de klimatologische omstandigheden- worden overgestapt van een eusociale naar een solitaire levenswijze en omgekeerd. De eerste eitjes van een bevrucht vrouwtje leveren bij de eusociale soorten na de winter werksters op. De werksters foerageren en maken en verzorgen de broedcellen. Uit latere eitjes komen vrouwtjes en mannetjes die zich zullen voortplanten. Meestal bestaat een nest uit slechts 2 of 4 individuen. Het nest heeft bij de meeste soorten dezelfde bouw: een hoofdgang, waarlangs, direct aangesloten, de broedcellen liggen. De bijen sluiten ’s nachts de nestingang af en sommige soorten hebben wachters die, ook overdag, het nest bewaken. De bevruchte vrouwtjes van de soorten die solitair leven overwinteren in de grond in hun oude nest tot de volgende lente wanneer ze hun eitjes leggen. Uit deze eitjes komen in de late zomer mannetjes en vrouwtjes op die zich zullen voortplanten. Groefbijen vertonen een lichte voorkeur voor composieten bij hun bloembezoek. Groefbijen worden vaak geparasiteerd door bloedbijen.

De tronkenbijen (genus Heriades) zijn kleine, zwarte, cilindrisch gebouwde en weinig behaarde bijen. Deze bijen nestelen in gangen in dood hout of holle plantenstengels. De vrouwtjes hebben een buikschuier waarin ze stuifmeel verzamelen.

De metselbijen (genus Hoplitis en Osmia) leven op plaatsen waar genoeg bloemen te vinden zijn voor nectar en stuifmeel, waar voldoende metselspecie te halen is en waar er holtes zijn om in te nestelen. De Hoplitis-soorten zijn donker gekleurde bijen, vaak met onderbroken haarbandjes op het achterlijf. Osmia-soorten zijn sterk behaard, hebben een ovaal achterlijf en vertonen soms een metaalachtige glans. De vrouwtjes van metselbijen zijn voorzien van een buikschuier. De nesten bestaan uit reeds bestaande holtes zoals in muren of (dood)hout. Metselbijen schuwen de menselijke bewoning niet schuwen en gebruiken graag kunstnesten. 

De maskerbijen (genus Hylaeus) zijn kleine bijtjes met een diep glanzende zwarte kleur, enkel onderbroken door geelachtige vlekken op de poten, het achterlijf en de kop. Deze bijtjes zijn kort en spaarzaam behaard. Deze bijen verschijnen vanaf mei en vliegen tot in september. De mannetjes verschijnen slchts enkele dagen voor de vrouwtjes of gelijktijdig. Maskerbijen bewonen verschillende habitats zoals bosranden, ruderale plaatsen, zand- en leemgroeven, tuinen en parken. Als nestplaats worden meestal bestaande holtes gebruikt die met een secreet worden bekleed. De broedcellen worden met hetzelfde secreet van elkaar gescheiden. In Braam-stengels worden de broedcellen gescheiden door middel van stukjes merg. De broedcellen worden voor tweederde gevuld met een stroperige, nectarrijke vloeistof. Er kunnen tot 20 broedcellen na elkaar liggen. Het verzamelde stuifmeel wordt in de krop opgeslagen. Bij het zoeken naar voedsel maakt de bij een eenvoudige afsluiting van de holte. Pas nadat in de laatste broedcel een eitjes is gelegd, wordt de afsluiting steviger gemaakt. Door de nestelwijze worden deze bijen gemakkelijk versleept met plantenmateriaal. In de stad wordt heel wat plantenmateriaal binnengebracht. De meeste soorten prefereren droge, warme, ruderale of relatief ruige vegetaties. Maskerbijen hebben een korte tong en zijn dan ook vaak op schermbloemigen (zoals Peen) te vinden.

De slobkousbijen (genus Macropis) zijn zwarte, weinig behaarde bijen met smalle, witte haarbandjes op het achterlijf. De vrouwtjes zijn voorzien van zogenaamde “slobkousjes” aan de achterpoten; het zijn dicht witbehaarde schenen die sterk afsteken tegen de zwart behaarde dijen. De mannetjes hebben een witgeel gezicht, maar zijn verder zwart en nagenoeg onbehaard. Deze bijen graven ondiepe nesten in de grond, soms groepsgewijs. De ingang van het nest blijft steeds open. De voedselmassa in de broedcellen bestaat uit een mengsel van stuifmeel en (Wederik-)olie en mogelijks wat nectar. Deze broedcellen zelf worden nog eens bekleed met een wasachtig, waterafstotend laagje, dat onder meer ook bestaat uit de olie die vooral op Wederik-planten wordt verzameld.

De behangersbijen (genus Megachile) nestelen bovengronds in allerlei holle ruimten, bijvoorbeeld een stukje open grond, een holle plantenstengel, een kevergang in hout of een gang in een kunstnest. Ze komen vrij talrijk voor in het stedelijke gebied, waar ze dankbaar gebruik maken van aangeboden bijenhotels. Deze bijen hebben een gedrongen postuur, doordat het achterlijf nauwelijks groter is dan het borststuk. De vrouwtjes hebben een afgeplat achterlijf en vervoeren het stuifmeel door middel van een buikschuier. Bij het bezoeken van een plant wordt het achterlichaam kenmerkend omhoog gekruld. De nesten worden door deze bijen bekleed met blaadjes, waardoor er kokervormige broedcellen ontstaan. Deze broedcellen worden meestal lineair in de holtes geplaatst.

De dikpootbijen (genus Melitta) vliegen –afhankelijk van de soort- tussen juni en september. Het zijn sterk behaarde bijen. De mannetjes komen vóór de vrouwtjes uit. Deze bijen nestelen in zand of leemgrond. Het nest bestaat uit een loodrachte gang met verschillende zijgangen met 1 broedcel, loodrecht geöriënteerd op de broedcel. Het stuifmeel wordt verzameld in de haren op de achterpoten. Vlinderbloemen zijn voor de meeste dikpootbijen de belangrijkste stuifmeelbron.

De roetbijen (genus Panurgus) zijn glanzend zwarte bijen met een bijna kale bovenzijde. De mannetjes hebben een stevige vierkante kop. Deze bijen graven een nest in de grond, vaak in kleine of grote groepen in open, zandige bermen, ruderale terreinen en in of direct langs zandpaden. De broedcellen liggen horizontaal en solitair op een diepte van 5 tot 20 cm aan het uiteinde van zijgangen die aftakken van de hoofdgang. Deze bijen bezoeken bij voorkeur gele composieten voor de stuifmeelbehoefte. Het stuifmeel wordt via de achterscheenbeharing meegevoerd. Deze bijen worden vooral geparasiteerd door wespbijen.  

Houtbijen zijn grote, robuuste, snelvliegende bijen. Ze leven meestal solitair, al vertonen een aantal soorten wel primitief-eusociaal gedrag. Ze nestelen meestal in hout of in plantenstengels. Ze hebben een groot vliegbereik. Deze bijen vliegen soms kilometers van hun nest vandaan. Het stuifmeel wordt verzameld in de krop en de beharing op de poten.

Een aparte groep vormen de zogenaamde koekoeksbijen of parasitaire bijen. Deze verzamelen zelf geen stuifmeel maar gebruiken het stuifmeel van andere bijen om de eitjes op te leggen. Deze bijen zoeken geen eigen nestgelegenheid, vormen geen eigen broedcellen en leggen geen eigen stuifmeelvoorraden aan. Hun larven voeden zich met zowel het stuifmeel als de larven van de gastheerbijen. De koekoeksbijen of hun larven vernietigen de eitjes van de gastheerbij. Het mannetje produceert via klieren gelijkaardige secreten als het mannetje van de gastheerbij. Bij de paring worden de secreten doorgegeven aan het vrouwtje. Hierdoor raakt het gastheervrouwtje in de war en valt ze de indringster niet aan. Het vrouwtje legt dan eitjes. De larven doden bij het uitkomen de larven of de eieren van de gastheerbij en eten de stuifmeelvoorraad op. De aanwezigheid van koekoeksbijen staat of valt met het voorkomen of de afwezigheid van de gastheerbijen.

Bij de koekoeksbijen onderscheiden we de kegelbijen, de bonte viltbijen, de viltbijen, de rouwbijen, de wespbijen, de bloedbijen en de tubebijen.

Kegelbijen (genus Coelioxys) zijn koekoeksbijen die vooral parasiteren bij de behangersbijen en de sachembijen. De eitjes van de kegelbijen komen eerder uit dan deze van de gastheerbij. De larven eten vervolgens de eitjes van de gastheerbij op. Kegelbijen zijn meestal zwart met regelmatig witte haarbanden of witte vlekken op het achterlijf. Het achterlijf van het vrouwtje is opvallend kegelvormig. Bloemen zijn voor deze bijen alleen belangrijk als nectarbron. Deze bijen hebben een lange tong en zullen dan ook vooral bloemen met diepliggende nectar bezoeken.  

Bonte Viltbijen (genus Epeoloides) hebben een kop en een borststuk met vrij lange beharing, vooral bij de mannetjes. Ze hebben een zwarte of zwart-oranje kleur met witte viltvlekken.  Deze bijen zijn broedparasieten bij de slobkousbijen. Bloembezoek dient bij deze bijen dan ook alleen voor de eigen voedselvoorzieining. Ze verzamelen geen stuifmeel. 

Viltbijen (genus Epeolus) zijn bijen met een gedrongen bouw. Ze zijn zwart gekleurd met witte, viltachtige haarvlekken. De poten zijn deels rood gekleurd. Het zijn broedparasieten bij de zijdebijen. Het vrouwtje legt een ei in het nog niet afgesloten nest van de gastheerbij. De larve die uitkomt zoekt aanwezige eieren of larven in het nest en voedt zich ermee. Daarna voedt de larve zich met de aanwezige voedselvoorraad.

De rouwbijen (genus Melecta) zijn dan weer broedparasieten bij de Sachembijen. Rouwbijen zijn zo groot als een hommel en zijn zwart of bruinachtig behaard met lichte haarvlekken op het zwarte achterlijf en de poten. De vrouwtjes leggen een ei in een reeds afgesloten broedcel van de gastheer. Ze boren daarvoor een gaatje in het aarden deksel van de broedcel, leggen een eitje en metselen het gat weer dicht. Als het ei uitkomt, doodt de jonge larve het ei of de jonge larve van de gastheer. Vervolgens voedt de larve zich met de voedselvoorraad in de broedcel. Deze bijen overwinteren als volwassen bij in de broedcel. Deze bijen bezoeken graag lipbloemen.     

De wespbijen (genus Nomada) danken hun naam aan de wespachtige streping die bij verschillende soorten voorkomt. Deze tamelijk slanke bijen hebben een korte tong en hebben relatief weinig beharing voor een bij. Door hun parasitaire levenswijze hoeven ze geen stuifmeel te verzamelen. De meeste soorten hebben vooral zandbijen als gastheer. De wespbijen bezoeken verschillende bloemen, enkel voor hun eigen gebruik. Ze zijn vaak slapend aan te treffen in bloemen of vastgebeten in groene plantendelen. Wespbijen hebben ongeveer dezelfde vliegperiode als hun gastheerbijen.  

De bloedbijen (genus Sphecodes) zijn meestal zwart met een opvallend, gedeeltelijk bloedrood achterlijf. Zelden zijn deze bijen volledig zwart. Ze zijn overwegend kaal en hebben geen verzamelapparaat. Bloedbijen parasiteren vooral op groefbijen van het genus Lasioglossum. Enkele soorten hebben ook zijdebijen of andere bijen als gastheer. Bij deze bijen zijn het de vrouwtjes, en niet de larven, die het ei of de larve van de gastheerbij doodt. Om de precieze locatie van het gastheernest te vinden, zijn deze bijen vaak wandelend over de grond te vinden. Bloedbijen bezoeken een groot aantal verschillende bloemen.   

De tubebijen (genus Stelis) zijn koekoeksbijen die verschillende bovengronds nestelende bijen zoals metselbijen, wolbijen, klokjesbijen en tronkenbijen als gastheer hebben.  Als koekoeksbijen hebben ze geen stuifmeelverzamelapparaat. De larven van tubebijen ontwikkelen zich sneller dan de larven van de gastheerbij. Bij het uitkomen eten ze de larve van de gastheerbij op en voeden zich vervolgens met de pollenkorrels. Tubebijen hebben een nogal gedrongen lichaamsbouw. Ze zijn weinig behaard of voorzien van zeer fijne haarbandjes. Ze zijn helemaal zwart of hebben een witte, oranje of gele tekening. Ze komen in verschillende biotopen voor, vooral als er hout met gaten aanwezig is waarin de gastheerbijen nestelen. Men vindt deze bijen dan ook zowel in bosranden als in dorpen en steden. Tubebijen bezoeken bloemen van zeer uiteenlopende planten.   

De hommels (genus Bombus) zijn relatief grote bijen met een stevige lichaamsbouw en een zeer dichte, pelsachtige beharing. Ze leven, met uitzondering van de Koekoekshommels, allemaal in staten. Dit zijn sociale levensvormen met een koningin die eieren legt, steriele werksters die het broed verzorgen en mannetjes die niet instaan voor de verzorging van het broed. De vrouwtjes bezitten een stuifmeelverzamelapparaat. Koninginnen die de winter ondergronds doorbrachten komen aan het einde van de winter of in de lente te voorschijn, waarna ze op zoek gaan naar een geschikte nestgelegenheid, bijvoorbeeld een verlaten nestholte. In het nest wordt een klompje pollen aangemaakt waarin de eitjes worden gelegd. Tijdens de broedperiode voedt de koningin zich met nectar die ze heeft verzameld in een wassen nectarpot. Na 4 dagen komen de larven te voorschijn, waarna deze onmiddellijk de pollen beginnen op te eten. De koningin moet geregeld het nest verlaten om pollen en nectar aan te voeren. Na een tweetal weken verpoppen de larven en na nog eens 2 weken komen de eerste werksters te voorschijn. Vanaf dan blijft de koningin in het nest en neemt het aantal individuen snel toe. Later begint de kolonie koninginnen en mannetjes te produceren.

Enkel kolonies die erin slaagden voldoende groot te worden, zullen zowel koninginnen als mannetjes voortbrengen, middelgrote alleen mannetjes en kleine kolonies sterven uit zonder nageslacht na te laten. De mannetjes verlaten het nest om nooit meer terug te keren. De jonge koninginnen komen op geregelde tijdstippen terug. Ze trekken er overdag op uit om hun vetreserves voor de winter aan te leggen. Na de paring zullen de jonge koninginnen zich nog even verder voeden om uiteindelijk een geschikte overwinteringsplaats te zoeken. Eenmaal gevonden graven ze een kamertje enkele centimeters onder de grond, waar ze, terend op de vetreserve, wachten op de lente. Soms begint deze “overwintering” reeds in juni. Koekoekshommels leven als parasiet van het broed van andere bijen.

Hommels zijn endotherm en kunnen bij koud weer en regen ook vliegen, hetgeen Honingbijen en solitaire bijen niet kunnen. Hommels kunnen namelijk hun lichaamstemperatuur verhogen door de spieren te laten trillen. Hierdoor kunnen ze ook bij lagere temperaturen vliegen. Ze kunnen algauw één of enkele kilometers ver vliegen van het nest. Solitaire bijen vliegen slechts enkele honderden meter van het nest.

Hommels spelen een belangrijke rol bij de bestuiving van wilde en gecultiveerde planten. Bepaalde planten, zoals deze van de Nachtschade-familie (tomaten, aardappel) stellen hun pollen alleen vrij wanneer de meeldraden worden geschud. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Honingbijen, zijn hommels in staat over te gaan tot deze zogenaamde “buzz pollination”, door hun lichaam tegen de meeldraden te plaatsen en de vliegspieren te laten vibreren. Om die reden worden hommels zelfs gekweekt om te worden aangewend voor de bestuiving van tomaten. Stuifmeel is voor hommels essentieel als voedsel voor hun larven. Een tekort aan stuifmeel betekent dat het hommelvolk te klein blijft en niet aan de productie van nieuwe koninginnen toekomt. Het volk sterft daarmee uit. De achteruitgang van hommelsoorten wordt in verband gebracht met een afnemende teelt van planten van de vlinderbloemenfamilie voor groenbemesting of veevoer. In het voorjaar vallen er ook veel verkeersslachtoffers onder de hommelkoninginnen. Elke doodgereden koningin betekent het vroegtijdig einde voor een hommelstaat in wording. De intensivering van de landbouw betekent veel minder wilde bloemen en dus een verschraald aanbod aan nectar en pollen voor de hommels. Hommels hebben een lang seizoen dat voor de hele groep samen van februari (eerste koninginnen uit winterslaap) tot september loopt. De omzetting van bloemrijk hooiland naar intensief grasland en de degradatie van vegetaties in bermen en overhoekjes maken het hommels niet gemakkelijk om in het landbouwgebied te overleven.

Tegenwoordig leven er meer hommels in stadstuinen dan in landelijk gebied. Ze nestelen zich steeds vaker in spouwmuren, waarbij ze ventilatie-openingen als ingang gebruiken. Tuinen in de stad zijn voor hommels van levensbelang. Bij een onderzoek in Groot-Brittanië werden in de steden 36 nesten per hectare tuin of 1 nest voor elke 2 tuinen geteld. In bos en grasland telt men slecht 11 tot 15 nesten per hectare. Chemische bestrijdingsmiddelen hebben een vernietigende invloed op hommels. Hommels houden van rommelige hoekjes en ruigten.

Bijen spelen een belangrijke rol bij de bestuiving van wilde planten en van cultuurplanten. Veel planten zijn immers voor de bestuiving afhankelijk van insecten, die ze lokken met nectar. Voordat de insecten de nectar bereiken, moeten ze eerst langs de voortplantingsorganen van de plant strijken, waardoor ze worden bestoven met stuifmeel dat ze bij de volgende plant weer afgeven. Om deze dieren te behouden moeten er wel voldoende wilde bloemen zijn, en dit niet alleen in de natuurreservaten, maar evenzeer daarbuiten, ook in de stad. Mochten de bijen verdwijnen, dan zou een derde van de landbouwproductie getroffen worden, en in de eerste plaats de fruitteelt. Zonder bijen worden de voedselgewassen immers niet bestoven. Zowel solitaire wilde bijen als de kolonievormende Honingbijen leveren daaraan een belangrijke bijdrage.

Een zeer belangrijke bedreiging voor de bijen is de Varroamijt. Wereldwijd maakt deze spinachtige parasiet miljoenen slachtoffers onder bijen. Vooral Europese Honingbijen blijken weinig verhaal te hebben tegen deze mijt. De laatste jaren treedt ook wereldwijd de zogenaamde “verdwijnziekte” (Colony Collapse Disaster) op, een massale, onverklaarbare bijensterfte. Hele volken verlaten de kasten terwijl er nog voedsel in overvloed is. Mogelijk zijn de bijen al verzwakt door de Varroamijt en zorgt een bepaald eencellig organisme voor de definitieve doodsklap. Een grote achteruitgang van de bijenpopulaties is niet alleen aan de Varoamijt te wijten, maar eveneens aan het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen, een gebrek aan voedselplanten en de versnippering van hun leefgebieden en aan de klimaatverandering.

De bestuivingsdiensten van wilde bijen kunnen niet vervangen worden door deze van honingbijen. De diensten die Honingbijen leveren zijn slechts complementair aan deze van wilde bijen. De wilde bijen zijn bovendien in staat om dramatische reducties in de aantallen Honingbijen te compenseren. Het belang van de wilde bijen wordt dus best niet onderschat. Gedurende de laatste tientallen jaren wordt er een sterke daling vastgesteld, zowel in aantallen als in diversiteit van wilde bijen en Honingbijen. De grootste oorzaak is het verlies van de natuurlijke leefgebieden, als gevolg van de toenemende verstedelijking en de intensivering van de landbouw (onder meer gebruik neonicotinen). Deze algemene negatieve trend kan op termijn nefast zijn voor mens en natuur.

Wilde bijen stellen knotwilgenrijen, hooilandjes, schrale graslanden, dood hout en aardewalletjes sterk op prijs (voedselplanten, nestgelegenheid,…).  Een boom, als puntvormig element in het landschap, dat kan ook een rotonde zijn, kan een oriëntatiepunt zijn voor bijen. Om zich in het gebied rondom hun korf te verplaatsen, maken bijen gebruik van een ingebouwde routekaart. De slechtziende bijen oriënteren zich op grote herkenningspunten in het landschap. Vervolgens vertalen ze die naar een vliegroute.

Steden vertegenwoordigen slechts een paar procent van de totale aardoppervlakte maar hun ecologische voetafdruk reikt veel verder en drijft veranderingen in het milieu tot op wereldniveau. Steden zijn nog steeds in expansie, hetgeen resulteert in een toenemend verlies van natuurlijke habitats. De toenemende verstedelijking kan bij wilde bijen aanleiding geven tot voedsel- en nestschaarste, habitatfragmentatie en isolatie van de fragmenten, vervuiling en pesticidengebruik. Anderzijds kunnen vooral steden met de vele tuinen, parken, perken en plantsoenen refugia zijn voor sommige wilde bijensoorten, veel meer dan de intensieve landbouwgebieden. Het is verder aangetoond dat de verstedelijking zorgt voor een soort homogenisatie. Het verschil tussen steden is namelijk klein, aangezien de meeste steden er overal ongeveer hetzelfde uitzien vanwege de populaire tuin- en perkplanten. Bijgevolg verwachten we in alle steden ongeveer dezelfde soorten planten. De verschillende biotopen die men in de stad vindt kunnen evenwel een grote(re) rol spelen in het behouden van de stedelijke biodiversiteit. Gevarieerde groenelementen in de stad kunnen in belangrijke mate de negatieve effecten van verstedelijking tegengaan en deze zelfs counteren als er maar gerichte maatregelen worden genomen om de biodiversiteit te bevorderen. In de steden leven er gemiddeld zo’n 30 verschillende soorten wilde bijen. Het naast elkaar voorkomen van zowel éénjarige en meerjarige kruiden, als bloemrijke hooilanden en vrij uitgroeiende bomen en struiken, geeft een goede garantie op het continu beschikbaar zijn van een nectar- of stuifmeelbron.

Genetische gewassen van gewassen die resistent zijn gemaakt voor insectenvraat kunnen in sommige gevallen via stuifmeel schadelijk zijn voor bijen en ook andere insecten die stuifmeel eten. Andere gewassen zoals gemodificeerd koolzaad, dat zaad vormt zonder dat er bestuiving nodig is en geen nectar of stuifmeel meer produceert, betekenen een verlies voor de bijen en ook voor andere bloemafhankelijke insecten. Genen van gemodificeerde gewassen kunnen op verschillende manier in GGO-vrije gewassen terechtkomen: door besmetting, door kruisbestuiving op het veld of door achterblijvende gewassen op het veld. 

Bijen doen het beter in de stad dan op het platteland. In de stad zijn er immers meer en meer groene ruimtes die ecologisch worden beheerd, de vegetatie is zeer gevarieerd en er worden geen of veel minder chemische bestrijdingsmiddelen gebruikt. Solitaire bijen zijn gebaat bij natuurlijke stadsbossen en parkbossen met inheemse boomsoorten en een natuurlijke ondergroei, uiteraard met goede drachtplanten. Er zijn bijen die alleen stuifmeel verzamelen van één enkele plantensoort, andere bijen verzamelen stuifmeel bij planten van eenzelfde familie of slechts enkele families, maar de meeste bijen verzamelen stuifmeel van zowat alle planten.

Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen, zoals bijvoorbeeld  neo-nicotinoïden, zorgt ofwel rechtstreeks voor een bijensterfte ofwel onrechtstreeks doordat het aantal (verschillende) planten vermindert en dus ook het potentieel aan stuifmeel. De bijen geraken niet het hele jaar door meer aan voldoende stuifmeel. Neo-nicotinoïde zijn persistente stoffen die gemakkelijk kunnen uitspoelen en in het oppervlaktewater terechtkomen. Ook wilde planten nemen het gif op uit vervuild water en geven het door aan nectar en stuifmeel dat door bestuivende insecten verzameld wordt. Er werd aangetoond dat neo-nicotinoïden werkzaam zijn in de maag van insecten en daar de electronenoverdracht tussen zenuwcellen blokkeren, waardoor de insecten verlamd raken. Het neonicotine Imidacloprid zit in tientallen insecticiden die bladluizen, vliegjes, kakkerlakken en vlooien bestrijden. Sinds enkele jaren is het ook toegelaten voor de verdelging van engerlingen op openbare plantsoenen, golfterreinen en andere sportvelden. Een ander effect van deze neo-nicotinen is dat ze het oriëntatievermogen en de verzamelactiviteit van de haalbijen verstoren. De bijen vinden de weg naar de kast niet meer terug of hebben meer tijd nodig om deze terug te vinden. Bovendien verhogen deze stoffen de vatbaarheid van bijenkolonies voor ziekten en plagen, zoals de vatbaarheid voor de Nosema-bacterie. De verscheidenheid aan wilde bijen daalt en tegelijkertijd neemt de verspreiding van plantensoorten die door bijen worden bestoven af. Oorspronkelijk waren wilde bijen verantwoordelijk voor de bestuiving van landbouwgewassen. In het versimpelde en aangetaste landschap is de mens steeds meer afhankelijk van het brengen van bijen naar de gewassen. Dit zorgt voor extra kosten. Honingbijen alleen kunnen dus nooit de taken van de wilde bijen overnemen.



De soorten

De Geriemde Zandbij (Andrena angustior) is een bij die voorkomt in bosranden, grote parken, heideterreinen, graslanden, spoordijken en veengebieden. De bij bezoekt van begin april tot begin augustus verschillende plantenfamilies waaronder Boterbloem-soorten, Daslook, Ereprijs-soorten, Muizenoor en Gewone Paardenbloem. Deze solitaire bij, die ondergrondse nesten maakt, is de gastheerbij van de Roodzwarte Dubbeltand (koekoeksbij).   

De Zilveren Zandbij (Andrena argentata) is een zeldzame zandbij. Deze bij is weinig kieskeurig wat het bloembezoek betreft. Deze soort bezoekt planten als Klein Hoefblad, Kool-soorten, Kruipwilg, Wilde Lijsterbes, Meidoorn-soorten, Muizenoor, Gewone Paardenbloem, Prunus-soorten, Wilg, Peen, Struikhei en gele composieten. De bij vliegt in 2 generaties van begin april tot half september. Het is een typische soort van zandgebieden. De bij nestelt in zandige wegen en spaarzaam begroeide vlaktes in kleinere of grotere groepen. Ook langs zandige paden in (rand-)stedelijke gebieden kan men deze bij aantreffen. Deze bij is de gastheerbij van de koekoeksbijen Bosbloedbij, Bleekvlekwespbij, Schoffelbloedbij en Rimpelkruinbloedbij. 

De Witbaardzandbij (Andrena barbilabris) is een algemene zandbij die vaak in 2 generaties vliegt, van half maart tot begin augustus. Deze bij is weinig kieskeurig wat het bloembezoek betreft. De soort bezoekt veel verschillende plantenfamilies. Deze bij komt bijna uitsluitend in zandgebieden voor. De Witbaardzandbij nestelt ondergronds in uiteenlopende open biotopen met zandige wegen, spaarzaam begroeide vlaktes en soms tussen kasseistenen, tot in de bebouwde kom, in eerder kleine groepen. Het is de gastheerbij voor de koekoeksbijen Schoffelbloedbij, Rimpelkruinbloedbij en Bleekvlekwespbij.

De Tweekleurige Zandbij (Andrena bicolor) is een algemene zandbij. Alvast het vrouwtje lijkt tweekleurig. Het borststuk is fel vosrood behaard. Het achterlijf is zwartachtig glanzend en donker behaard. Deze bij vliegt in 2 generaties van begin april tot eind mei en begin juli tot eind augustus. Deze bij is weinig kieskeurig wat het bloembezoek betreft (polylectisch). De tweede generatie lijkt een lichte voorkeur te hebben voor Klokjes. Deze bij komt in verschillende biotopen voor, van bosranden tot tuinen. De Tweekleurige Zandbij nestelt in verschillende bodemtypes en niet groepsgewijs. Het is de gastheerbij voor de Roodzwarte Dubbeltand, een koekoeksbij.

De Meidoornzandbij (Andrena carantonica) is een zeldzame zandbij. Deze bij is weinig kieskeurig wat het bloembezoek betreft (polylectisch), maar het vrouwtje heeft wel een voorkeur voor het stuifmeel van roosachtigen, Gewone Paardenbloem en fruit zoals Appel, Peer, Pruim of Zoete Kers. De bij vliegt in 1 generatie van begin april tot begin juli. Deze bij komt in verschillende biotopen voor, ook in bebouwde gebieden. We vinden de soort in de stad in parken, stadstuinen en op spoorwegterreinen. Bijzonder voor deze bij is dat verschillende vrouwtjes één gemeenschappelijke nestingang gebruiken. De nesten orden gegraven in de bodem, meestal in gazons, slootwallen, steile wegbermen, waarbij de ingang zich vaak in verlaten holen van zoogdieren of holtes onder stenen bevindt. De bij is de gastheer voor de koekoeksbijen Donkere Wespbij en Gewone Wespbij.

De Goudpootzandbij (Andrena chrysosceles) is een vrij zeldzame zandbij, die verschillende bloemen bezoekt, maar vaak op schermbloemigen te vinden is. Vaak ziet men de bij op Dolle Kervel, Gewone Berenklauw, Zevenblad en ook wel op Boterbloem-, Meidoorn- en Kool-soorten en Gewone Paardenbloem. De bij vliegt in 1 generatie van maart tot begin juli. Deze soort komt in verschillende biotopen voor, ook in stedelijk gebied, en nestelt ondergronds, doorgaans in weinig begroeide bermen en akkerranden. Er zijn wel al nesten aangetroffen in  dichtbegroeide hellingen in parken. Deze bij heeft als parasiet de koekoeksbij Roodzwarte Dubbeltand.

De Asbij (Andrena chrysosceles) is een zandbij die ondergronds nestelt op open, zandige plekken zoals zonnige bosranden, heide en stuifzanden en opgespoten terreinen. De bij vliegt van half maart tot half juli op Gewone Paardenbloem, Wilg-soorten en andere plantenfamilies, tot 300 m van het nest. Het is de gastheerbij voor de Smalbandwespbij en de Roodharige Wespbij.

De Zwart-Rosse Zandbij (Andrena clarkella) is een zandbij die reeds vliegt – in één generatie- van eind februari tot eind mei. Het is een oligolectische soort, met een duidelijke voorkeur voor Wilg-soorten, vooral Boswilg. De bij bezoekt (voor de nectar) ook wel andere planten zoals Dotterbloem, Hondsdraf en Sleedoorn. Het nest wordt ondergronds gemaakt. Deze bij kan men zien in halfopen bossen, bosranden en langs bospaden, met een bodem van zand, lichte klei of leem. Het is de gastheerbij voor de Vroege Wespbij.

De Kruiskruidzandbij (Andrena denticulata) komt voor in bosranden, op open plekken in bos, op kapvlakten, in bloemrijke bermen van zandpaden of verharde wegen, soms ook in stedelijk gebied en op braakliggende terreinen. Waar nesten en voedselplanten dicht bij elkaar liggen, patrouilleren mannetjes langs voedselplanten als Jacobskruiskruid op zoek naar foeragerende vrouwtjes. Slechts sporadisch strijken ze zelf op de planten neer. De bij is gespecialiseerd op composieten zoals Boerenwormkruid en Jacobskruiskruid en is zelden te zien op andere planten. De bij vliegt van eind juni tot half september. 

De Wimperflankzandbij (Andrena dorsata) is een vrij zeldzame zandbij. Deze bij bezoekt verschillende bloemen. De eerste generatie is veel op Braam, Ereprijs, Kool, Gewone Paardenbloem en Wilg te vinden. De tweede generatie komt vaak op schermbloemigen zoals Gewone Berenklauw en Peen. De bij vliegt in 2 generaties van midden april tot eind mei en begin juli tot midden augustus. Deze bij komt in verschillende biotopen voor. De Wimperflankzandbij nestelt afzonderlijk ondergronds op weinig begroeide bermen en akkerranden in verschillende biotopen. De soort is ook te vinden in grote (stads)parken. De bij is de gastheer voor de Variabele Wespbij (koekoeksbij).

De Grasbij (Andrena flavipes) is een algemene zandbij. Het is een polylectische soort die stuifmeel bij bloemen van verschillende plantenfamilies haalt. Deze bij kan worden gezien op Gewone Paardenbloem, Wilg-soorten, Boerenwormkruid, Jacobskruiskruid en vlinderbloemen als Klaver-soorten en Luzerne. De bij vliegt ook op fruitbomen als Appel, Peer en Zoete Kers. De bij vliegt in 2 generaties van eind maart tot eind mei en begin juli tot begin september. Deze bij komt in verschillende biotopen voor, ook in bebouwde gebieden in tuinen en parken waar de bodem door betreding redelijk vast is. Deze bij nestelt groepsgewijs. De nestlocaties worden soms jarenlang gebruikt. De Grasbij is de gastheerbij voor de Kortsprietwespbij (koekoeksbij). De Wolzwever (zweefvlieg) kan in de nesten optreden als parasiet.

De Heggenrankbij (Andrena florea)  vliegt van begin mei tot half augustus. Deze oligolectische soort haalt alleen stuifmeel op de bloemen van Heggenrank. We vinden de bij in houtwallen, heggen, struwelen en bosranden waar Heggenrank voorkomt. Bij een voldoende aanbod van de waardplant kan de soort ook in tuinen en parken aanwezig zijn. De nesten worden ondergronds gegraven op vrijwel onbegroeide plekken, bijvoorbeeld langs (zand)paden. De soort nestelt soms in aggregaties. De nectar wordt gehaald bij Heggenrank en ook wel bij Wilde Liguster.

Het Vosje (Andrena fulva) is een zandbij met een hommelachtig uiterlijk. De beharing is bij het vrouwtje op de rugzijde vosrood. Deze bij is als een vrij algemene soort te zien van eind maart tot eind mei in tuinen en parken en lichte bossen. Het is een soort die vaak in bebouwde omgevingen voorkomt, zoals tuinen, plantsoenen, parken, ruigten en spoordijken.  Deze bij vliegt op bloemen uit een tiental plantenfamilies maar is wel vaak op Aalbes en Kruisbes aan te treffen. Ze nestelt graag in zandbodems en doet dit vaak groepsgewijze. Deze zandbij nestelt, als de omstandigheden gunstig zijn, in grote groepen van wel 1000 vrouwtjes. Het nest wordt bij voorkeur gebouwd op plaatsen met een lage begroeiing, zoals een gazon. De afzonderlijke broedcellen liggen aan het einde van korte zijgangen die in een hoofdgang uitmonden. Het nest wordt geparasiteerd door de Sierlijke Wespbij (koekoeksbij). 

De Texelse Zandbij (Andrena fulvago) vliegt van half april tot eind juli. Deze bij komt voor in bloemrijke bermen, weilanden en tuinen. Het is een oligolectische soort met een voorkeur voor gele composieten. De bij foerageert vaak op Muizenoor, Gewoon Biggenkruid, Gewone Paardenbloem en Groot Streepzaad. De bij is vooral in de voormiddag actief, als de gele composieten nog open staan. Later op de dag sluiten deze bloemen zich vrij snel waardoor het stuifmeel en de nectar niet meer of minder goed beschikbaar zijn. De bij nestelt solitair of in kleine groepjes in een schaars begroeide lemige bodem of zandgrond. 

Het Roodgatje (Andrena haemorrhoa) is te zien van eind maart tot begin juli in allerlei biotopen, zowel op schrale graslanden als in weilanden, tuinen en in wegbermen, ook in bebouwde gebieden. Deze bij bezoekt verschillende bloemen (vaak op Gewone Paardenbloem, wilgen en fruitbomen) en nestelt alleen of in kleine groepen (aggregaties) op schaars begroeide plaatsen zoals gazons, hellingen, slootwallen of langs zandpaden. De bij is de gastheerbij voor de Gewone Dubbeltand, een koekoeksbij. Een andere parasiet bij deze soort is de Gewone Oliekever.

De Knautiabij (Andrena hattorfiana) is een zandbij, die voorkomt in droge, zonnige, min of meer schrale graslanden en kruidenvegetaties met grote groeiplaatsen van Beemdkroon. Dit kunnen natuurlijk beheerde, schrale (kalk)graslanden zijn, maar een groot deel van de vindplaatsen betreft gebieden die niet primair als natuur beheerd worden, zoals (randen van) weilanden, (spoor)wegbermen, holle wegen, kanaaldijken en bosranden. Deze bij bezoekt vrijwel alleen Beemdkroon (sporadisch ook Duifkruid) voor het stuifmeel.  Het aantal vindplaatsen van deze planten loopt achteruit. De Knautiabij vliegt van eind mei tot half augustus. Het vrouwtje van de Knautiabij verzamelt stuifmeel van de voornoemde planten, waarmee ze haar larven van voedsel voorziet. Het stuifmeel wordt opgeslagen in zelfgegraven holen in de grond. Deze bij nestelt verborgen in hooilanden of wegbermen in verschillende bodems. Het nest is circa 30 cm diep en per nest worden gemiddeld zes broedcellen aangelegd, in elk waarvan één ei wordt gelegd. Naar schatting maakt een vrouwtje tijdens haar leven (dat 15-25 dagen duurt) niet meer dan twee à drie nesten. Ook mannetjes zijn regelmatig op Beemdkroon te zien. Verder gaan zij vaak in snelle patrouillevluchten van bloem tot bloem, op zoek naar vrouwtjes om mee te paren. Als broedparasiet van de Knautiabij is de Knautiawespbij bekend. De Beemdkroon groeit op kalkrijke grond, maar deze plant wordt meer en meer teruggedrongen. Daardoor wordt ook deze bij bedreigd. De oorzaken van de achteruitgang van de Beemdkroon lijken met name verruiging van de vegetatie door afgenomen beheerintensiteit en intensivering van het landgebruik in agrarisch en openbaar gebied. Bij verruiging kan Beemdkroon nog geruime tijd standhouden, maar zal zij uiteindelijk verdwijnen, omdat voor de kieming open plekjes nodig zijn. Op schrale (kalk)graslanden bestaat het gevaar dat het verschralingsbeheer juist te ver wordt doorgevoerd. In deze terreinen groeit Beemdkroon soms alleen nog langs de onderrand, waar de bodem vaak wat rijker is aan nutriënten dan op de graslanden zelf. Ook een ongunstig maaibeheer vormt een serieuze bedreiging. Bij maaien tijdens de vliegtijd van de Knautiabij komt een abrupt einde aan de voedselvoorziening, wat direct het aantal nakomelingen beïnvloedt. De vrouwtjes overbruggen niet graag stukken land waar ze geen Beemdkroon zien. Een kleine populatie van deze bijensoort heeft al gauw 50 bloeiende waardplanten (350 bloemen) nodig, die maximaal 500 m van elkaar staan. De waardplanten moeten effectief in bloei raken, dus een aangepast maaibeheer zal noodzakelijk zijn. De waardplanten – zowel Beemdkroon als Duifkruid- bloeien van juni tot oktober. Het inzaaien van deze bloemen in groenperken in stedelijke gebieden zou voor deze soort welkom zijn. De Knautiabij blijkt gevoelig te zijn voor concurrentie om stuifmeel: hoe meer de Beemdkroonbloemen door andere insecten bezocht worden, hoe kleiner de populatie Knautiabijen is.

De Valse Rozenzandbij (Andrena helvola) is een zandbij, die voorkomt in bossen en stedelijke gebieden en in één generatie vliegt van eind maart tot eind juni. Deze solitair levende bij graaft zelf een nest in de grond. Het is een polylectische soort die onder meer Meidoorn-soorten, Gewone Paardenbloem, Sleedoorn, wilgen en de tuinplant Weigelia bezoekt. Ook op de Blauwe Bosbes wordt gefoerageerd. Deze bij bezoekt vaker struiken dan kruidachtige planten. Het is de gastheerbij voor de Sierlijke Wespbij (koekoeksbij).

De Paardenbloembij (Andrena humilis) is een zandbij die gespecialiseerd is op de Gewone Paardenbloem. Het is een bij van schrale, extensief beheerde graslanden, schrale wegbermen en rivierdijken. Naast op de Gewone Paardenbloem vliegt deze vrij grote bij soms ook op andere composieten zoals Gewoon Biggenkruid, Havikskruid-soorten en Muizenoor. De bij vliegt van half april tot eind juli. De soort nestelt in aggregaties van maximum 100 nesten.

De Ereprijszandbij (Andrena labiata) is een solitair levende zandbij. Deze bij vliegt van half april tot half juli en komt voor in weinig bemeste graslanden, langs bosranden, rivierdijken, spoordijken, in bloemrijke graslanden, in duinen en in tuinen. De bij heeft een duidelijke voorkeur voor Gewone Ereprijs en Veldereprijs, maar bezoekt ook andere planten zoals Braam, Madeliefje, Zevenblad, Akkerhoornbloem, Margriet, Vijfvingerkruid en Vogelmuur. Het nest wordt gegraven in zandige grond op niet te dicht begroeide plekken. 

De Wikkebij (Andrena lathyri) is een solitair levende zandbij. Het is een oligolectische soort met een voorkeur voor Wikke-soorten (vooral Heggenwikke, Vogelwikke en Smalle Wikke) en Lathyrus-soorten zoals Veldlathyrus. De bij vliegt van eind april tot eind juni.  Deze zandbij komt voor op open, droge en warme gebieden, zoals droge, warme graslanden, dijken en spoordijken, braakliggende terreinen en bosranden en nestelt in lemige of zanderige grond. 

De Glimmende Dwergzandbij (Andrena minutuloides) is een kleine, zwarte zandbij. Het is een polylectische soort die vooral op Gewone Paardenbloem, witte schermbloemigen (Peen) en ook wel Bruidsbloem kan worden gezien. De bij vliegt in 2 generaties van maart tot september. Deze bij komt voor op kalkgraslanden en andere warme, schrale graslanden. De nesten worden ondergronds en afzonderlijk gebouwd.  Het is de gastheerbij voor de Gewone Kleine Wespbij (koekoeksbij).

De Zwartbronzen Zandbij (Andrena nigroaenea) is een zandbij die van eind maart tot begin juli in zeer uiteenlopende terreinen vliegt, maar vooral op heideterreinen, schrale graslanden en zandverstuivingen. Men ziet deze soort ook in bosranden, parken, tuinen en uiterwaarden. De nesten worden ondergronds gebouwd langs zandpaden, in steilwanden en soms zelfs in bloembakken.  Het is een polylectische soort die vaak op Gewone Paardenbloem, wilg-soorten, Braam, Kool-soorten en verschillende schermbloemigen te vinden is. Het is de gastheer voor de Smalbandwespbij (koekoeksbij).

De Viltvlekzandbij (Andrena nitida) is een algemene zandbij die te vinden is op verschillende kruiden, struiken en bomen, maar vooral op Boterbloem-soorten, Gewone Paardenbloem en Wilg-soorten. De bij vliegt in 1 generatie van half maart tot half juni en komt in verschillende biotopen voor, ook in bebouwde gebieden. Men ziet de bij vaak in stadstuinen en parken. De nesten worden soms solitair, maar meestal in groepen van tientallen nesten, gebouwd op uiteenlopende plaatsen zoals bermen, hellingen en zandpaden, soms ook tussen vegetatie of op droge of vochtige gazons. Het is de gastheerbij voor de koekoeksbijen Geelzwarte Wespbij en de Smalbandwespbij.

De Koolzwarte Zandbij (Andrena pilipes) is een opvallend zwart gekleurde zandbij met een grootte van 11 tot 15 mm. Het is een beperkt polylectische soort waarbij een voorkeur wordt vertoond voor kruisbloemigen. De bij foerageert vaak op Raket-soorten voor de nectar. De bij vliegt maart tot eind augustus. Deze bij komt vooral voor op warme, beschutte plaatsen, vaak in tamelijk open landschappen, vooral langs de rivieren.

De Vroege Zandbij (Andrena praecox) is een oligolectische soort die gespecialiseerd is op Wilgen. Deze bij is te vinden op uiteenlopende terreinen, zoals bosranden, halfopen bossen, heidegebieden, duinen, uiterwaarden, landbouwgebieden, groeven en stadsparken. De nesten worden solitair gebouwd onder de grond op schaars begroeide, ruige hellingen, in wegbermen, halfopen bosbodems of op opgespoten terreinen, soms ook in ruige, dichtbegroeide gazons. De bij vliegt van begin maart tot eind mei. Het is de gastheerbij voor de Geelschouderwespbij.

De Fluitenkruidbij (Andrena proxima) is een zeldzame zandbij. Het vrouwtje van deze bij haalt alleen stuifmeel bij schermbloemigen (oligolectisch), vooral Fluitenkruid, soms ook Dolle Kervel en Zevenblad.   De bij vliegt in 1 generatie van begin april tot begin augustus. Deze bij komt in verschillende biotopen voor, ook in bebouwde gebieden. De nesten worden veelal in kleine groepen ondergronds gebouwd op weinig begroeide plaatsen, zowel in bebouwde gebieden als in akkers en weilanden. 

De Breedbanddwergzandbij (Andrena pusilla) is een uiterst zeldzaam zandbijtje. Het stuifmeel wordt gehaald bij verschillende bloemen. De bij vliegt van eind maart tot begin juli. Deze bij vertoont een voorkeur voor zandige terreinen zoals stuifzanden, maar kan ook worden gezien op zandige terreinen in het stedelijke gebied. Het nest worden solitair en ondergronds aangelegd.  

De Witkopdwergzandbij (Andrena subopaca) is een algemene zandbij die op verschillende soorten planten (polylectisch) leeft, vooral op Fluitenkruid, Klein Hoefblad, Gewone Paardenbloem, Wilg-soorten, Aardbei-soorten, Braam en Ganzerik-soorten. De bij vliegt in 1 generatie van midden april tot begin juni en nestelt ondergronds in allerlei biotopen zoals bossen, parken en tuinen, en dit in kleine groepen. De soort heeft geen voorkeur voor bepaalde bodemtypes. Het is de gastheerbij voor de Gewone Kleine Wespbij (koekoeksbij).

De Grijze Rimpelrug (Andrena tibialis) is een grote zandbij die van half maart tot eind juni voorkomt in bosranden, tuinen en groeven en op dijken en ruderale terreinen. Het nest wordt gegraven in vlakke, begroeide plekken, die op het zuiden gericht zijn, soms ook onder overhangende takken in tuinen. Rond de nestingang is een zandhoopje (vulkaantje) zichtbaar. Het is de gastheerbij voor de Smalbandwespbij (koekoeksbij). 

De Grijze Zandbij (Andrena vaga) komt van maart tot mei voor op zand- en leemgronden. Deze bij maakt vaak groepsgewijze een nest, vaak met duizenden bijeen. Ieder vrouwtje verzorgt dan wel het eigen nest. Vanaf maart wordt door het vrouwtje een nest gegraven dat bestaat uit een loodrecht naar beneden lopende gang van wel 50 cm lang, met op het einde ronde verbredingen voor de broedkamers. Het uitgegraven zand veroorzaakt een 5 cm hoog molshoopachtig bergje waarin zijdelings een nestopening steekt. De nesten bevinden in niet te dicht begroeide zandbodems, zoals zandpaden, oude molshopen en halfopen bermen. Deze bij bezoekt uitsluitend wilgen voor het stuifmeel (oligolectisch). De bij vervoert stuifmeel aan de achterpoten en nectar in de krop. De larven zijn volgroeid aan het einde van het voorjaar. Ze verpoppen in de zomer in een cocon. De jonge bijtjes overwinteren wel in de cocon en komen pas het volgende voorjaar te voorschijn. Het is de gastheerbij voor de Roodharige Wespbij (koekoeksbij).

De Variabele Zandbij (Andrena varians) is een vrij zeldzame zandbij die op verschillende soorten planten (polylectisch) foerageert voor stuifmeel en nectar. Vaak is deze bij op Meidoorn, Sleedoorn en Gewone Paardenbloem te zien. De bij vliegt in 1 generatie van half maart tot eind juni. Deze bij leeft in verschillende biotopen zoals bosranden, wijngaarden, tuinen en parken. Het is een echte cultuurvolger. Ze nestelt afzonderlijk of in kleine groepen. 

Het Roodbuikje (Andrena ventralis) is een vrij zeldzame zandbij die alleen maar stuifmeel haalt op Wilgsoorten (oligolectisch). In stedelijke gebieden wordt ook stuifmeel verzameld op het Theeboompje (Spiraea salicifolia). De bij vliegt in 1 generatie van half maart tot eind mei. Deze bij leeft overwegend maar niet uitsluitend in weiden naast waterlopen. Ze nestelt afzonderlijk of in kleine groepen, vaak op schaars begroeide plekken. Het is de gastheer voor de Bleekvlekwespbij (koekoeksbij).  

De Geelstaartklaverzandbij (Andrena wilkella) haalt enkel stuifmeel bij vlinderbloemen, zoals Rode Klaver, Witte Klaver en Gewone Klaver. Deze bij vliegt van half april tot eind juli in bosranden, bloemrijke graslanden, heideterreinen, dijken en groeven. De nesten worden solitair of in groepen gegraven op niet al te dicht begroeide plekken (zandpaden, oude molshopen). Het is de gastheerbij voor de koekoeksbijen Schoffelbloedbij en Rimpelkruinbloedbij.

De Kleine Harsbij (Anthidiellum strigatum) is een klein, bol bijtje dat we van junit tot augustus kunnen aantreffen op allerlei warme plaatsen zoals droge schraalgraslanden, heidegebieden en open, zonnige plekken in bossen. Deze bij verzamelt hars, vooral dennenhars, en bouwt hiermee een klokvormige broedcel van wel 1 cm groot. Vaak wordt het nest bevestigd aan zwerfkeien, bomen of oude muren. De nectar wordt via een opening aan de onderkant van de broedcel naar de larven gebracht. Het stuifmeel wordt gehaald bij Gewone Rolklaver en bij verschillende andere plantenfamilies.

De Grote Wolbij (Anthidium manicatum) is een grote bij die van eind mei tot begin september voorkomt in tuinen, langs zonnige bospaden en op droge schraalgraslanden. De bij haalt het stuifmeel bij voorkeur bij vlinderbloemen, lipbloemen en helmkruidachtigen. Het nest bevindt zich in holtes in dood hout, in spleten tussen metselwerk en leem en in holle stengels. Voor de bouw van de broedcellen worden harige plantendeeltjes van bijvoorbeeld Slangenkruid of Muizenoor gebruikt. De vrouwtjes beschikken voor de verzameling van het plantenmateriaal over enorme kaken. Het nest wordt aan de buitenkant afgesloten met zandkorrels, stukjes hout of steentjes. De bij haalt klierstoffen om de nestwol te impregneren onder meer bij Klein Streepzaad, Geranium en Braam. De laatste decennia blijkt deze soort vooral in stedelijke gebieden voor te komen, bijvoorbeeld in bloemrijke tuinen en parken. Buiten de stad wordt de bij alleen gezien op plaatsen met een hoge bloemdichtheid gecombineerd met geschikte nestlocaties. Deze bij wordt soms geparasiteerd door de Zwarte Tubebij.

De Kleine Wolbij (Anthidium punctatum) vliegt van eind mei tot eind augustus in warme en droge gebieden met een schrale vegetatie, vooral droge schraallanden, duingebieden, spoorwegemplacementen, groeven en droge, braakliggende terreinen. De bij nestelt in de grond, vooral tussen stenen, in spleten en oude nestgangen in steilwanden en los puin. De wol van de broedcel wordt met plantaardige klierstoffen geïmpregneerd. De nestgang wordt afgesloten met plantenhaartjes, aarde, steentjes, houtvezels, en dergelijke.  Deze bij bouwt broedcellen uit plantendelen, die ze met stuifmeel en nectar van vlinderbloemigen, vooral Gewone Rolklaver, bevoorraadt.

De Andoornbij (Anthophora furcata) is een zeldzame solitaire bij. Deze bij komt voor in bossen waar ook dood hout aanwezig is; ook in parken met oude bomen of vermolmde palen. Het stuifmeel wordt verzameld bij Andoorn-soorten, zoals Bosandoorn en Moerasandoorn. Ook Valse Salie en Slangenkruid worden vaak bezocht. Het nest wordt bovengronds gemaakt. De bij nestelt in zelfgeknaagde gangen in vermolmd hout. De gangen worden bekleed met speeksel en houtmolm. De broedcellen worden bekleed met een witte, wasachtige laag. De Andoornbij vliegt van begin juni tot half september.

De Gewone Sachembij (Anthophora plumipes) is een vrij zeldzame, langbehaarde bij die voorkomt van maart tot juli. De middenste poten van het mannetje zijn opvallend verlengd en dragen rijen haartjes. Deze bij komt voor op open plekken waar er voldoende geschikte nestplaatsen aanwezig zijn, zoals oude lemen muren, holle wegen, steilwanden. De soort wordt vaak gezien in stedelijke gebieden, met name in tuinen en parken. Het stuifmeel wordt bij verschillende plantensoorten gehaald. De soort beschikt over een lange tong zodat hij vlot in lip- of vlinderbloemigen kan doordringen. Deze bij profiteert van bloeiende bodembedekkers voor de nectar en bezoekt in de stad graag de Blauwe Smeerwortel (tuinplant). Deze bij maakt een nest in zelfgegraven gangen in oude muren (voegen) of in de grond, vooral in steile wanden zoals bijvoorbeeld rivieroevers of zand- en leemgroeven. Soms nestelen honderden individuen bij elkaar. De gangen zijn 0,5 cm breed en tot 10 cm diep. Op het einde zijn ze tot broedcellen verbreed. Deze broedcellen worden bekleed met een secreet uit de klieren. De larven worden gevoed met stuifmeel en nectar. De larve spint voor de verpopping geen cocon. De mannetjes verlaten een paar weken vóór de vrouwtjes het nest. De aanwezigheid van deze bij hangt af van de aanwezigheid van geschikte nestplaatsen, zoals geschikte muurvoegen in het stedelijke gebied. Het nest wordt vaak gemaakt op of nabij de eigen geboorteplaats. De Gewone Sachembij is een belangrijke bestuiver van commercieel verbouwde tuinbonen. Een parasiet van deze bij is de Bruine Rouwbij.

De Kattenkruidbij (Anthophora quadrimaculata) is een solitaire bij die voorkomt op warme, beschut gelegen open plekken met verticale leem- of zandwanden, zoals groeven. Men vindt deze bij ook in parken, tuinen en op ruderale terreinen. Voor de nestbouw heeft deze bij een voorkeur voor verticale wanden, waarin een nest wordt uitgegraven.  De bij leeft polylectisch op ruwbladigen, vlinderbloemen, lipbloemen en nachtschades. In tuinen bezoekt de soort vaak Lavendel en Gamander. 

De Honingbij (Apis mellifera) is voor het urbane ecosysteem zeer belangrijk. Honingbijen bezoeken veel verschillende soorten bloemen en verspreiden daarbij de pollen van veel soorten planten, waardoor bestuiving van bloemen mogelijk is. Belangrijk voor bijen is dat er gedurende een grote tijd van het jaar bloeiende planten aanwezig zijn. Deze bij wordt normaal gezien in allerlei biotopen gevonden, maar als zelfstandige, wilde soort komt ze vrijwel niet meer voor. Ze wordt door imkers gekweekt voor de honing. Tegenwoordig is deze bij namelijk een huisdier geworden, die nog moeilijk zonder de mens kan. De Honingbij vormt grote, meerjarige staten die tot 80.000 werksters kunnen tellen. De werksters worden gedomineerd door de koningin. Deze laatste houdt zich alleen met de ei-leg bezig. Eind januari begint de koningin al met het leggen van enkele eitjes. De eierproductie wordt geleidelijk aan opgedreven, afhankelijk van de buitentemperatuur en het door de werksters aangebrachte voedsel. Ze kan tot 1500 eitjes per dag leggen. De eitjes worden één voor één in zeshoekige, uit bijenwas opgetrokken broedcellen gelegd. De cellen worden samengevoegd tot schijfvormige, verticaal hangende raten. De openingen van de cellen wijzen steeds naar buiten. De cellen aan de randen van de raat worden met honing (nectar in een bewerkte vorm) of stuifmeel volledig opgevuld als voorraad en met was overkapt. Het stuifmeel dient als eiwitbron voor de jonge bijen. De nectar dient als basis voor de honing. De honing is bedoeld als wintervoedsel voor de bijen. In ruil voor de geoogste honing geven de imkers suikerwater aan de bijen, zodat ze op kracht kunnen blijven. De werksters wijzen door middel van een ontwikkelde soort gebarentaal elkaar de weg naar geschikte voedselbronnen. In het midden van de binnenste raat ligt het broednest met het bijenbroed. De koningin werkt niet, maar heeft slechts de taak om eitjes te leggen. Een twintigtal jonge werksters omringen haar en voederen haar voortdurend met een speciale koninginnenbrij. In de werkstercellen van het nest worden bevruchte eitjes gelegd, die uitgroeien tot werksters. In de iets grotere darrencellen worden onbevruchte eitjes gelegd, die uitgroeien tot darren. De eitjes komen na 3 dagen uit. De larve ontwikkelt zich in 6 dagen en verpopt zich in een met was afgesloten broedcel. Ongeveer 3 weken na de eileg komt een nieuwe bij uit de broedcel. Ze wordt eerst met een speciaal sap gevoed; vervolgens met stuifmeel en daarna met nectar. De werksters doen al het werk. Ze brengen water, stuifmeel, nectar en hars. De werksters leven ongeveer 7 weken. De darren zijn groter dan de werksters. Ze hebben geen angel. Zij hebben alleen maar de taak om een jonge koningin te bevruchten en sterven na de bevruchting. Darren die niet hebben deelgenomen aan de bevruchting worden door de werksters verdreven. In het voorjaar worden er door de werksters een vijftal grote koninginnencellen gebouwd, meestal aan de rand van de broedraat.  Hierin ontwikkelen zich nieuwe koninginnen. De larven die moeten uitgroeien tot koninginnen krijgen een speciale voeding bestaande uit een sap waar nog een hormonaal supplement is toegevoegd. Nieuwe koninginnen komen al na 16 dagen uit de pop. Al een week voor de geboorte van de jonge koningin zwermt de oude koningin met de helft van het bijenvolk uit en gaat ze op zoek naar een nieuwe nestplaats. De koningin die het eerst uitkomt doodt de andere koninginnenlarven die uitkomen met een steek. Ze vliegt reeds een week na haar geboorte uit naar een verzamelplaats van darren. Ze paart er meerdere keren met verschillende darren en neemt vervolgens de rol van de oude koningin over. Ze kan 4 tot 5 jaar oud worden. In het vroege voorjaar, van zodra de buitentemperatuur minstens 12 graden Celsius bedraagt, vindt de zogenaamde “reinigingsvlucht” plaats. Hele kolonies doen dan tegelijk hun behoefte in open lucht. De bijen ontlasten zich instinctief niet in hun eigen kolonie en moeten dus de hele winter hun boodschap inhouden. Dit veroorzaakt dan vaak gele vlekken op onder meer geparkeerde voertuigen en tuinmeubilair. De gele kleur wordt veroorzaakt door de samenstelling van plantenresten en stuifmeel. De Honingbij staat erom bekend dat ze kan steken. Alleen een vrouwtjesbij kan steken. Ze doet dit evenwel alleen als ze zich bedreigd voelt. De opname van chemische bestrijdingsmiddelen verzwakken de werksters en vergiftigen de nectar. Bijen zetten de nectar geleidelijk om tot honing. Wanneer de nectar om één of andere reden met een milieugevaarlijke stof vergiftigd is, dan sterven er heel veel bijen want hetzelfde beetje nectar wordt telkens opnieuw verwerkt door verschillende andere bijen.

De Lichte Koekoekshommel (Bombus barbutellus) is bekend als koekoekshommel van de Tuinhommel.

De Gewone Koekoekshommel (Bombus campestris) treedt op als koekoekshommel bij de Akkerhommel.

De Tuinhommel (Bombus hortorum) is een algemene hommel die een nest maakt in zowat alle holtes, zowel boven- als ondergronds en kan in allerlei biotopen worden aangetroffen, ook in de stedelijke omgeving. Het is een polylectische soort (zoekt nectar en stuifmeel op verschillende planten) en heeft over het algemeen weinig moeite om geschikte planten te vinden. De hommel vormt kolonies van 50 tot 120 individuen.

De Boomhommel (Bombus hypnorum) is een hommel die verschillende bloemen bezoekt. Hij verkiest als nestplaats bovengrondse holtes in bijvoorbeeld verlaten nestkastjes of oude boomstronken. Deze soort vormt kolonies van 80 tot 400 individuen. De hommel reageert agressief op verstoringen van het nest. Hij is sterk gebonden aan het stedelijk gebied en bossen, minder aan cultuurlandschappen met bomenrijen, bosjes en landgoederen.

De Steenhommel (Bombus lapidarius) komt voor in open landschappen, tuinen, graslanden en bosranden. De soort is ook in stedelijk gebied aan te treffen. Deze hommel verdedigt fel het nest als dit wordt verstoord. Het nest wordt in de grond gebouwd onder stenen of boomwortels, maar ook soms bovengronds, in boomholtes (holle bomen).

De Veldhommel (Bombus lucorum) komt voor in bosranden, open velden en cultuurlandschappen. De soort is ook in de stad te zien. Deze hommel komt soms al in februari boven de grond en voedt zich dan met stuifmeel van wilgenkatjes tot de lentebloemen gaan bloeien. Het nest wordt ondergronds gemaakt. Deze hommel bezoekt verschillende planten voor de nectar en het stuifmeel, waaronder Hondsdraf. De koningin paart met slechts één mannetje.

De Akkerhommel (Bombus pascuorum) komt algemeen voor in allerlei biotopen, ook in de stedelijke omgeving, op voorwaarde dat er bloemrijke gebieden zijn aan te treffen. Deze hommel richt eenjarige staten op. Het bevruchte vrouwtje (koningin) dat overwinterde, verschijnt in het voorjaar en zoekt een geschikte plaats om een nest te beginnen. Vaak wordt hiervoor een verlaten muizenhol in de grond gebruikt. Soms worden geschikte plekken bovengronds benut om het nest te maken. Eén van de ruimtes wordt gebruikt als eibeker die wordt gevuld met stuifmeel. Hierin legt ze eitjes. In een andere ruimte wordt nectar opgeslagen als voorraad. De larven voeden zich aanvankelijk met het stuifmeel. Na een week verpoppen ze in een cocon. De eerste werksters die uitkomen nemen de broedzorg over, waarna de staat aangroeit tot ongeveer 150 dieren. De koloniegrootte kan echter sterk verschillen. Vanaf augustus worden er ook mannetjes geboren en nieuwe koninginnen, die de kolonie verlaten.

De Weidehommel (Bombus pratorum) komt algemeen voor in open landschappen, langs bosranden, in graslanden en in tuinen. Reeds vroeg in het voorjaar vliegt de jonge koningin op vroeg bloeiende planten zoals Wilg en bolgewassen. Het nest wordt in de grond gebouwd. De jonge koningin slaat een voorraad stuifmeel op in een soort waspotten. Uit de eerste eitjes worden onvruchtbare werksters geboren. Naarmate het voedselaanbod groter wordt, worden de geboren werksters groter en uiteindelijk, vanaf ongeveer begin juli, worden er ook vruchtbare werksters geboren, die zelf ook eitjes gaan leggen. Eind juli sterft de oude koningin en valt de staat, die tot 200 dieren kan tellen, weer uiteen. Jonge, bevruchte koninginnen, overwinteren en zullen het volgend voorjaar een eigen staat oprichten. 

De Rode Koekoekshommel (Bombus rupestris) komt voor op zonnige open terreinen en op ruderale terreinen. Deze hommel vormt geen staten; er zijn alleen mannetjes en vrouwtjes. Na de overwintering dringt een bevrucht vrouwtje het nest binnen van een andere hommelsoort, meestal van de Steenhommel. Daar vernielt ze het gevormde eibekertje en maakt met de was ervan een nieuwe eibeker waarin ze haar eitjes deponeert. Die eieren worden dan verder verzorgd door de werksters van de gastheer.

De Boshommel (Bombus sylvarum) komt voor op graslanden, ruderale terreinen en langs bosranden. Het nest bevindt zich deels ondergronds, deels bovengronds. Deze soort is de laatste jaren sterk achteruit gegaan. De koningin zoekt een geschikte nestplaats en overwintert bijvoorbeeld in verlaten muizennesten.

De Aardhommel (Bombus terrestris) is bijna overal algemeen, ook in stedelijke gebieden. Het nest wordt bijna altijd ondergronds gebouwd, soms in spouwmuren. De staat kan tot 600 dieren bevatten. Deze soort wordt gekweekt als natuurlijke bestuiver van kasgewassen, voornamelijk in de tomatenteelt. In de lente, als de temperatuur voor het eerst rond de 12 °C is, halen de bevruchte koninginnen nectar bij vroegbloeiers zoals wilgen en dovenetels. Eenmaal aangesterkt zoeken ze een droge nestplek, bijvoorbeeld een verlaten muizenhol. De koningin braakt nectar op en deponeert deze als voorraad in een soort honingbeker, die ze uit was heeft aangemaakt. De eitjes worden afgezet per 10 of 15 in wasbekertjes. De proviand verschaft genoeg energie om de eitjes op 4 dagen tijd uit te broeden. De eieren ontwikkelen zich tot werksters die de verzorging van de koningin en haar kroost voor hun rekening nemen. De koningin legt verder eieren die werksters worden en het volk doen aangroeien tot enkele honderden exemplaren. Daarna leggen de werksters zelf eieren. De koningin eet deze eieren op en legt bevruchte eieren waaruit jonge koninginnen komen en onbevruchte eieren die darren opleveren. De darren en de jonge koninginnen paren, waarna de darren en de werksters sterven. In de nazomer graven de jonge koninginnen zich in de grond in, en gaan ze in winterrust tot omstreeks februari-maart van het daaropvolgende jaar, wanneer ze op zoek gaan naar een plaats om een nieuw rijk te stichten. 

De Grote Koekoekshommel (Bombus vestalis) heeft geen stuifmeelverzamelapparaat. De soort komt algemeen voor in open terreinen, graslanden en langs bospaden. Deze hommel zoekt voor de voortplanting vooral de nesten op van de Aardhommel, waarop ze trouwens sterk lijkt.

De Blauwe Ertsbij (Ceratina cyanea) is een zeldzame, solitaire bij. Deze soort heeft een donkere, onbehaarde huid die genoeg zonnewarmte absorbeert om op temperatuur te komen. Bij koude zoekt de bij beschutting in holle plantenstengels. Deze soort verzamelt stuifmeel op vooral Witte Klaver, maar ook op Geel Walstro, Echt Bitterkruid en Knoopkruid. De bij nestelt bovengronds in holle stengels en twijgen van vooral Braam, maar ook van Vlier, Wijnstok en distelsoorten. Het is één van de karakteristieke Braam-minnende bijen. De nestplaatsen situeren zich bij voorkeur op zonnige plaatsen, zoals langs oude spoorwegbermen. De vrouwtjes knagen zelf het merg uit de stengel. De tussenschotten worden gemaakt van plantenmerg en vezels. Deze bij vliegt van half april tot half oktober. De bij overwintert ook in holle plantenstengels.

De Lathyrusbij (Chalicodoma ericetorum) is een zeldzame bij, die kan worden gezien van half april tot eind augustus. Deze bij is onder andere aan te treffen in droge, open, structuurrijke biotopen zoals dijkhellingen, zandgroeven, ruderale terreinen, tuinen en plantsoenen. De bij is een oligolectische soort, die op vlinderbloemen vliegt, vooral op Lathurus-soorten. Het vrouwtje vervoert de stuifmeelkorrels met behulp van een buikschuier. Deze bij nestelt solitair in bestaande onder- en bovengrondse holtes, vooral in holtes in dood hout. De broedcellen worden gemetst met klei of leem en bestreken met hars. Deze soort heeft als koekoeksbij de Gouden Kegelbij.

De Kleine Klokjesbij (Chelostoma campanularum) is een vrij zeldzame solitaire bij die stuifmeel verzamelt van planten die behoren tot de Klokjesfamilie. Mannelijke individuen slapen soms in de Klokjes, zoals bijvoorbeeld in het Grasklokje of het Rapunzelklokje. Het is een bewoner van fijne stengels van bijvoorbeeld Riet (soms in rieten daken) of andere reeds bestaande holtes in dood hout met een diameter van 2 tot 2,5 mm. Soms worden nestblokken die voorzien zijn van kleine openingen in gebruik genomen. De wandjes van de broedcellen worden gevormd met behulp van lemige aarde en steentjes. De soort overwintert als prepop in een cocon. De bij vliegt in één generatie van begin juni tot eind augustus. Deze soort is vaak aan te treffen aan bosranden, in open plekken in het bos, in braakliggende wijngaarden en in parkachtige en stedelijke gebieden. De nectar wordt gehaald bij planten als Zandblauwtje, Melkdistel en Muskuskaasjeskruid.

De Ranonkelbij (Chelostoma florisomne) is een vrij zeldzame solitaire bij die stuifmeel verzamelt van planten die behoren tot de Boterbloemfamilie. De bij vliegt in één generatie van eind april tot midden juli. Deze bij is vooral aan te treffen ter hoogte van open plekken in het bos en aan bosranden, in kleinschalige agrarische gebieden en parken in stedelijke gebieden. Het nest wordt bezet met een mengsel van speeksel, zand en leem. In het sluitwandje van de broedcellen verwerkt deze soort kleine steentjes. Deze soort nestelt in holle stengels in dood hout met natuurlijke of kunstmatige gaten. Vaak bevindt het nest zich in oude kevergangen in weidepalen en in rieten daken. De bij neemt soms haar intrek in nestblokken met geschikte boorgangen. De nectar wordt gehaald op planten als Ooievaarsbek-soorten, Gewone Paardenbloem en Salie. Mannetjes slapen soms in Boterbloemen. 

De Grote Klokjesbij Chelostoma rapunculi  vliegt in één generatie van half mei tot half augustus. Het is een oligolectische soort die gespecialiseerd is op Klokjes, bijvoorbeeld het Grasklokje en het Rapunzelklokje. De mannetjes slapen vaak in de bloempjes (ook bij donker weer). Deze bij nestelt bovengronds in holle ruimten. Er wordt een lijnvormig nest gebouwd in bijvoorbeeld dood hout en stengels. Soms worden ook nestblokken met geschikte boorgaten van circa 4 mm in gebruik genomen. Nadat de larve volgegeten is met nectar en stuifmeel spint ze een cocon waarin ze ook overwintert als larve. De verpopping vindt pas kort voor het uitvliegen plaats. Het nest bevindt zich vaak binnen een straal van 300 m van de voedselbron. We vinden de soort in structuurrijke bosranden en parken en tuinen in het stedelijke gebied. Het is een echte cultuurvolger die de stap naar parken in steden met succes heeft gezet. Er moeten wel genoeg bloemen en nestplaatsen voorhanden zijn. De soort overwintert als prepop in een cocon. Nectar wordt ook gehaald bij de Kruipende Boterbloem en Kaasjeskruid-soorten.

De Gouden Kegelbij (Coelioxys aurolimbata) is een zeldzame bij. Het is een koekoeksbij bij de Lathyrusbij. Deze bij komt voor in graslanden en tuinen en op dijken en spoorwegterreinen.    

De Gewone Kegelbij (Coelioxys inermis) vliegt vermoedelijk in 2 generaties en dit van begin mei tot begin oktober. Men vindt deze soort vooral op ruderale terreinen, tuinen, kapvlakten en struik- en bosranden. Het is een zeldzame koekoeksbij die het broed van de Gewone Behangersbij, de Lapse Behangersbij en de Tuinbladsnijder gebruikt voor het leggen van haar eitjes. Het eitje van de kegelbij zal altijd eerder uitkomen dan die van de gastbij. De larve zal na het uitkomen het eitje van de gastvrouw opeten.

De Grote Zijdebij (Colletes cunicularius) is een grote en vroeg vliegende zijdebij. De soort komt van maart tot en met juni voor op schrale plekken met een (stuif)zandbodem, zoals in heidegebieden, zandgroeven en stuifzanden. Men ziet de soort ook wel op opgespoten terreinen, duingebieden en in riviergebieden. Deze bij komt ook voor in de stedelijke omgeving.  Er is één generatie per jaar. Het vrouwtje graaft zelf nestgangen in losse zandbodems, meestal op hellingen. Meestal wordt er groepsgewijs genesteld.  De nestwanden worden met een product uit de speekselklieren bekleed zodat een zijdeachtig vlies wordt gevormd. Deze bij heeft een uitgesproken voorkeur voor Wilg-soorten voor het stuifmeel. Ook de nectar wordt vooral gehaald van bloeiende wilgen, zoals bijvoorbeeld Boswilgof Kruipwilg. De vrouwtjes vliegen ook vaak op de Gewone Paardenbloem. De nectar wordt in de krop vervoerd. Het stuifmeel wordt in de haartjes op de achterpoten vervoerd. De larven zijn bij de aanvang van de zomer volgroeid en spinnen in het nest een cocon waarin de verpopping plaatsvindt. De nieuwe generatie komt reeds in de late zomer uit, maar de bijen overwinteren in hun ondergrondse cellen tot het volgende voorjaar. Soms overwintert de bij als prepop. De Grote Bloedbij parasiteert als koekoeksbij op deze soort.

De Wormkruidbij (Colletes daviesanus)  vliegt in één generatie van juni tot augustus op zonnige steilwanden, bijvoorbeeld in leemgroeven, langs grindafgravingen of holle wegen. Van alle zijdebijen wordt deze soort het meest in stedelijke omgeving, zoals parken en tuinen aangetroffen. De bij is gespecialiseerd op composieten en bezoekt planten als Bezemkruiskruid, Gewone Margriet, Gewoon Duizendblad en Kamille-soorten, maar vanaf de tweede helft van de vliegtijd vliegt deze bij nagenoeg enkel nog op Boerenwormkruid, een plant van bermen en oevers. Het vrouwtje bouwt een nestgang van 5 cm diep in vrij harde leem- of zandwanden. De steile wanden zijn soms ontstaan door wind- of watererosie. Ook in wortelkluiten van omgevallen bomen wordt soms genesteld. Vaak zijn er verschillende nestgangen dicht bij elkaar gelegen. Soms worden ook nesten in oude muren gemaakt, zoals in muren van oude fabrieksgebouwen. De broedgangen worden bekleed met een perkamentachtig laagje. De larve overwintert als “rustlarve” in een cocon in het nest. De verpopping gebeurt in mei of juni. Vaak wordt er in grote groepen genesteld en worden de nestplaatsen jaren na elkaar gebruikt. De Gewone Viltbij treedt op als koekoeksbij bij deze soort.

De Klimopbij (Colletes hederae) is nog maar enkele jaren bekend in West-Europa (2010). De laatste jaren duikt deze soort meer en meer vanuit het zuiden op in onze streken. Deze bij wordt bij ons vooral in de stedelijke omgeving waargenomen, maar komt ook voor waar Klimop van nature voorkomt en steile zandwandjes aanwezig zijn. In 2011 dook de soort op in Leuven. In het centrum van Antwerpen werd in september 2013 een kleine kolonie van Klimopbij gespot. De bij vliegt van eind augustus tot eind oktober. Het is één van de langst vliegende bijen. We vinden deze soort in parken, kerkhoven, rond gebouwen, in tuinen en langs houtwallen en bosranden steeds in de buurt van enkele tientallen vierkante meter bloeiende Klimop. Deze bij bezoekt namelijk vooral Klimop voor de nectar en het stuifmeel. De mannetjes worden pas actief vanaf eind augustus. Als de vrouwtjes later ook tevoorschijn komen worden ze soms opgewacht door honderden mannetjes. De vrouwtjes paren meestal maar één keer, dus moeten ze er snel bij zijn. Vanaf september begint de Klimop te bloeien en dan beginnen de vrouwtjes stuifmeel te verzamelen. In ondergrondse nestcellen maken ze een stuifmeelklompje, waarop ze dan een eitje leggen. De vrouwtjes kiezen vooral terreinen met veel open zand of zandige bermen (steile wegranden, mergelgroeves, zandhopen) om de nestjes te bouwen. Soms wordt onder overhangende Klimop genesteld. Nadat het eerste nestje voltooid is, beginnen ze aan een volgend nestje. In een goed najaar kunnen ze veel nestjes bouwen. Ze kunnen met vele honderden en zelfs duizenden bij elkaar nestelen, maar elk vrouwtje verzorgt haar eigen nest. De Klimopbij is niet agressief en helemaal niet gevaarlijk. Voor deze bij moeten er geschikte nestplaatsen (zandige bermen) aanwezig zijn en ook voldoende grote plaatsen met bloeiende Klimop, die in volle zon liggen. Deze Klimop kan zich in het stedelijke gebied in geveltuinen situeren. Populaties van Klimop hebben een wisselvallige bloeitijd en worden in grootte sterk door menselijke activiteiten (snoei, restauratie) beïnvloed. De bij verzamelt nectar op Canadese Guldenroede, Venkel, Citroengele Honingklaver, Wilde Reseda, Akkerdistel, Gewone Berenklauw en Wolfspoot. De Gewone Viltbij treedt op als parasiet van deze soort.

De Zuidelijke Zijdebij (Colletes similis) vliegt van eind mei tot eind september. Deze bij komt voor op spoorwegemplacementen, in groeven en uiterwaarden en op kalkgraslanden. De bij overwintert als prepop. De bij nestelt in zelfgegraven holtes in kleine nestgroepen. Het is een oligolectische soort die gespecialiseerd is op composieten zoals Boerenwormkruid, Gewone Margriet, Canadese Guldenroede en Gewoon Duizendblad. De Gewone Viltbij is een parasiet op deze soort.  

De Pluimvoetbij (Dasypoda hirtipes)  is een solitaire bij die algemeen voorkomt op open, zandige terreinen, vooral op binnenlandse heide en stuifzanden en in de kustduinen, in bermen, langs zandpaden en op opgespoten terreinen, ook in steden gewoon tussen de bestrating. De soort dankt haar naam aan het feit dat het vrouwtje opvallende, lange rosse haren op de achterpoten (pluimvoeten) heeft. Deze lange haren dienen als pollenopslagplaats en om zand weg te graven om een nest te graven. Deze bij nestelt vaak in groep langs zandpaden of onder het plaveisel. Deze bij vliegt van begin juni tot begin september. Stuifmeel en nectar worden in juli en augustus uitsluitend op planten van de Composieten-familie verzameld, vooral die met gele lintbloemen, zoals Havikskruid-soorten, Echt Bitterkruid, Gewoon Biggenkruid, Leeuwentand, Jacobskruiskruid en Heelblaadjes. Soms worden ook Beemdkroon en Wilde Cichorei bezocht. Het nest bevindt zich meestal 20 tot 60 cm (soms tot 1 m) diep in de grond op zandige, onbegroeide plaatsen. De ingang is vaak verstopt onder een plantenwortel of een graspol. Het nest bestaat uit een schuine ingang die snel overgaat in een verticale hoofdgang met verschillende korte horizontale gangen die tot broedcellen verbreed zijn. In elke cel brengt het vrouwtje een stuifmeelbal, die op 3 steunpunten rust, zodat er geen schimmel kan optreden. De larve voedt zich met stuifmeel en overwintert. Meestal bevinden zich verschillende nesten dicht bij elkaar (aggregaties) en meestal in de volle zon. Elk vrouwtje maakt haar eigen nest.

De Bonte Viltbij (Epeoloides coecutiens) vliegt van eind juni tot eind augustus. Deze soort is een broedparasiet, vooral bij de Gewone Slobkousbij. De bij bezoekt enkel planten voor de nectar en verzamelt geen stuifmeel. Er worden verschillende bloemen bezocht waaronder Beemdkroon en Haagwinde. Deze bij komt voor op zandgronden en wordt vaak gevonden langs slootkanten en greppels, op de plaatsen waar de gastheer voorkomt. Als gevolg van ecologisch groenbeheer neemt onder meer in het stedelijke gebied de Grote Wederik toe. Dit is de belangrijkste voedselplant van de belangrijkste gastheer, waarvan de aantallen eveneens toenemen. 

De Gewone Viltbij (Epeolus variegatus) is zwart met witte viltvlekken. Deze soort komt voor in de biotopen van de gastheerbijen, ook in het stedelijke gebied.  De bij vliegt van half juni tot eind september. Het is een koekoeksbij van de Wormkruidbij, de Klimopbij en de Zuidelijke Zijdebij. Voor de nectar bezoeken deze bijen vaak dezelfde bloemen als de gastheerbijen. Het nest bevindt zich in de grond en is via een nestgang te bereiken. De larven overwinteren als pop.

De Gewone Langhoornbij (Eucera longicornis) is een solitaire bij die voorkomt op bloemrijke graslanden, in bermen, uiterwaarden en structuurrijke bosranden. Het is een oligolectische soort, die gespecialiseerd is vlinderbloemen. Men ziet de bij vaak op Veldlathyrus en ook op Vogelwikke, Witte Klaver, Rupsklaver, Gewone Rolklaver. De bij graaft een nest in de grond, vaak groepsgewijs. De bij vliegt van half mei tot eind juli.  De overwintering gebeurt als prepop in een cocon of als volwassen dier. Gedurende de vliegperiode van deze soort worden veel graslanden en bermen voor het eerst in het jaar gemaaid. Een gefaseerd maaibeheer kan voor deze soort belangrijk zijn (aanwezigheid vlinderbloemen). Wegbermen met grote groeiplaatsen van Veldlathyrus zijn zeer belangrijk. 

De Roodpotige Groefbij (Halictus rubicundus) is een algemene bij die vliegt van eind maart tot en met oktober. Deze groefbij bezoekt verschillende soorten planten, zoals onder meer Boerenwormkruid en Gewone Paardenbloem. Deze bij vliegt van eind maart tot begin oktober. Deze bij komt voor op allerlei bodemsoorten en in allerlei open, droge biotopen zoals heidevleden, ruderale terreintjes, oeverwallen van rivieren, stadsparken, tuinen en grazige zomen van bossen.  Het is een primitief-sociale groefbij die ondergronds nestelt, vaak in groepen, op zandpaden of tussen bakstenen of klinkers van opritten. Het nest bestaat uit een hoofdgang waarlangs, direct aangesloten, de broedcellen liggen. De eerste eitjes van een bevrucht vrouwtje, nadat dit overwinterde, leveren mannetjes en vrouwtjes op. De werksters verschillen weinig in grootte van de koningin en kunnen ook eieren leggen. Ze foerageren naar voedsel en maken en verzorgen de broedcellen. Uit de later gelegde eitjes van de koningin en van de werksters komen vrouwtjes en mannetjes die zich zullen voortplanten. De jonge vrouwtjes overwinteren. Het nest bestaat uit een hoofdgang waarlangs, direct aangesloten, de broedcellen liggen. Het is de gastheer voor de Dikkopbloedbij.

De Breedbandgroefbij (Halictus scabiosae) is een zeldzame groefbij die voorkomt op bloemrijke graslanden op hellingen en rond groeves. Het is niet echt een stadssoort, maar werd toch reeds gespot in de Leuvense binnenstad. In Nederland komt de soort enkel in Limburg voor. Deze bij vliegt van eind april tot half oktober in 2 generaties. De bij bezoekt verschillende bloemen, onder meer Wilde Cichorei, Canadese Guldenroede, Koolzaad, Streepzaad-soorten, Gewoon Knoopkruid, Beemdkroon, Gewoon Biggenkruid, Gewone Paardenbloem, Echt Bitterkruid, Koninginnekruid en Speerdistel. De bij heeft een voorkeur voor composieten. Deze bij nestelt in de grond en wordt in leem of zand, meestal op hellende oppervlakken zoals dijken, steilwandjes of groeven gegraven. De nestingangen kunnen zich ook tussen de kasseien van een oprit bevinden. De grootste vrouwtjes leggen eieren en worden door soortgenoot-vrouwtjes geholpen bij de voedselvoorziening, maar later worden deze laatste verstoten (eusociale soort). Het eerste broedsel bestaat uit vrouwtjes en een aantal mannetjes. Die zorgen voor een geslachtelijke generatie, waarvan de vrouwtjes gezamenlijk overwinteren in het geboortenest. 

De Parkbronsgroefbij (Halictus tumulorum) is een algemene bij die vliegt in één generatie van half april tot begin oktober. Deze groefbij bezoekt een groot aantal verschillende soorten planten. Het is een eusociale groefbij die vaak nestelt in groepen in stedelijke gebieden. Het is een cultuurvolger. Het nest wordt ondergronds gemaakt in lemige bodems. De soort vermijdt losse zandgrond.  De eerste eitjes van een bevrucht vrouwtje, nadat dit overwinterde, leveren werksters op. Deze werksters verschillen weinig in grootte van de koningin. De werksters foerageren naar voedsel en maken en verzorgen de broedcellen. Uit de later gelegde eitjes komen vrouwtjes en mannetjes die zich zullen voortplanten. Het nest bestaat uit een hoofdgang waarlangs, direct aangesloten, de broedcellen liggen. Het is een gastheerbij voor de Dikkopbloedbij en de Bosbloedbij.

De Tronkenbij (Heriades truncorum) is een vrij zeldzame bij die voorkomt op overgangen tussen bos en open land, in landschappen met houtwallen, houten schuren, hekken of oude weidepalen en in stedelijke gebieden. De soort is vaak rond gebouwen te vinden. Het is een oligolectische soort. De enkele planten die ze verkiest voor stuifmeel en nectar zijn composieten, namelijk Boerenwormkruid, Kamille-soorten, Madeliefje, Engelse Alant, Donderkruid, Bezemkruiskruid, Sint-Jacobskruiskruid, Gewone Margriet of Gewoon Duizendblad. Ook de tuinplant Astilbe japonica wordt bezocht door deze bij. Deze bij heeft een typische manier van stuifmeel verzamelen. Door met het achterlijf de plant te bekloppen, verzamelt ze stuifmeel tussen de verzamelharen van de buikschuier. De bij nestelt in oude kevergangen in dood hout, vaak in de afgeknotte delen van een boom. Hiernaast worden vaak ook holle stengels (Riet, Braam, Bamboe) en rietdaken als nestplaats gekozen. Deze bij maakt in stedelijke gebieden graag gebruik van nestblokken. Holtes in deze kunstmatige nesten hebben bij voorkeur een diameter van 3 mm. De broedcellen worden gescheiden door dunne tussenschotten van hars. Ook de broedgangen worden afgesloten door een wandje van hars, dat nog eens wordt gemengd met steentjes en houtsplinters. Het hars wordt verzameld op naaldbomen, boomwonden of van knopschubben. Deze bij vliegt in één generatie van juni tot en met september. De soort overwintert als prepop in een cocon. De Gewone Tubebij is een parasiterende koekoeksbij op deze bij.

De Slangenkruidbij (Hoplitis adunca) is een solitaire bij die voorkomt bij kalkgraslanden met mergelontsluitingen, langs spoorwegen en op spoorwegemplacementen, groeven en tuinen. Deze bij vliegt van half mei tot en met augustus. Het is een oligolectische soort die enkel stuifmeel haalt bij Slangenkruid-soort. Voor deze soort zijn er grote populaties Slangenkruid nodig. Ook de tuinplant Weegbreeslangenkruid wordt bezocht door deze bij. Deze bij nestelt bovengronds in bestaande holtes in stengels, hout, leem, mergel of tussen stenen. In verticale wanden wordt vaak groepsgewijs genesteld. De bij overwintert als rustlarve. Een deel overwintert soms 2 keer. Mogelijks is dit omdat Slangenkruid een 2-jarige plant is. 

De Zwartgespoorde Houtmetselbij (Hoplitis leucomelana) vliegt van half mei tot eind augustus. Deze zeldzame bij haalt stuifmeel bij allerhande planten (polylectisch) waarbij een voorkeur wordt vertoond voor vlinderbloemen. De soort komt voor op bloemrijke graslanden en langs structuur- en bloemrijke bosranden van natuurterreinen, groeven en bermen. In het stedelijke gebied vinden we deze bij in grotere, natuurlijke parken en op braakliggende terreinen. De soort nestelt bovengronds. De nesten worden gemaakt in merghoudende stengels van onder meer Bijvoet, Braam, Es, Roos-soorten, Toorts-soorten en in holle, dode takken van Gewone Vlier. Indien er een geschikte nestgelegenheid aanwezig is, nestelt de soort ook in stadstuinen. De bij overwintert als rustlarve. Het is een gastbij voor koekoeksbijen van het genus Stelis zoals de Gewone Tubebij en de Geelgerande Tubebij.

De Kortsprietmaskerbij (Hylaeus brevicornis) is een vrij algemene maskerbij die te zien is van eind mei tot half september. Deze bij heeft een voorkeur voor schrale, zandige terreinen zoals duinen, heide, stuifzanden, spoorwegterreinen, wegbermen en groeven. De soort komt regelmatig in het stedelijke gebied. Het nest wordt gemaakt in stengels van Braam, Gewone Vlier en in kevervraatgangen in hout en weidepalen. De bij nestelt ook in kunstmatige nestelgelegenheid waarbij nestholtes met een diameter van 2 tot 3 mm het meest worden bezet. De bij bezoekt verschillende bloemen, zoals Braam, Zandblauwtje, Peen en Wilde Reseda. 

De Gewone Maskerbij (Hylaeus communis) is een algemene bij. Deze bij vliegt in 2 generaties van eind mei tot begin september en begin augustus tot september. De soort komt in verschillende habitats voor, ook in stedelijke gebieden. Men vindt de bij in struwelen, droge en natte bossen, weg- en kanaalbermen, braakliggende terreinen, heiden, spoorwegterreinen, groeven, tuinen en parken. De bij nestelt bovengronds in allerlei bestaande holtes, vraatgangen in hout, oude nesten van graafwespen, holtes en spleten in muren en stengels van Braam, Roos-soorten en Gewone Vlier. De bij maakt ook gebruik van aangeboden kunstmatige nestelgelegenheid (boorgaatjes met een diameter van 3 à 4 mm). Het stuifmeel wordt verzameld met de mandibelen (derde aanhangsels van het kopsegment) en in de krop opgeslagen. Deze bij bezit geen uitwendige opslagplaats. De bij bezoekt verschillende bloemen, zoals Akkerdistel, Braam, Canadese Guldenroede, Gewone Berenklauw, Peen, Klokjes-soorten en Vetkruid-soorten. Deze bij profiteert van de verstedelijking.

De Poldermaskerbij (Hylaeus confusus) is een algemene bij die te zien is van half mei tot eind augustus. De bij nestelt bovengronds in bestaande holtes zoals vraatgangen in oud hout, Braamtakken en oude eikengallen. De soort leeft in verschillende habitats, maar niet zo vaak in stedelijke gebieden. De bij maakt wel dankbaar gebruik van aangeboden kunstmatige nestgelegenheid. De bij bezoekt minder stadstuinen dan de Gewone Maskerbij. Men vindt deze soort meestal in struwelen, droge en natte bossen, duinen, heideterreinen, braakliggende terreinen, spoorwegterreinen en groeven, soms tuinen en parken. Het stuifmeel wordt in de krop opgeslagen. De bij bezoekt vaak de bloemen van Braam, Wilde Reseda en Zandblauwtje.

De Gehoornde Maskerbij (Hylaeus cornutus) is een typische bij van warme, ruderale terreinen. Deze soort vliegt van eind mei tot begin september op droge, bloemrijke graslanden, spoorwegemplacementen, spoor-, rivier- en kanaaldijken, braakliggende terreinen en parken in het stedelijke gebied en in natuurgebieden. De bij nestelt in dorre stengels van Bijvoet en Braam en in oude gallen op Kruisdistel.  Deze bij is vaak op schermbloemigen te vinden, zoals Gewone Berenklauw, Peen, Gewoon Duizendblad. Men vindt deze bij ook op Wilde Reseda en Zandblauwtje.

De Brilmaskerbij (Hylaeus dilatatus) is een vrij zeldzame bij die vliegt van begin juni tot eind september. Deze bij komt voor in schrale wegbermen, spoorbermen, braamstruwelen en bloemrijke braakliggende industrieterreinen en nestelt in bestaande holtes zoals vraatgangen in oud hout en verlaten nestgangen van andere vliesvleugeligen. Soms wordt een nest geknaagd in het merg van dorre stengels van Braam of Bijvoet. In Braamstengels worden de broedcellen van elkaar gescheiden door stukjes merg. Soms maakt de bij gebruik van kunstmatige nestgelegenheid. De broedcellen worden voor twee derden gevuld met een nectarrijke vloeistof. Er kunnen tot 20 broedcellen bij elkaar liggen. De Brilmaskerbij bezoekt verschillende bloemen, zoals Zandblauwtje, Akkerdistel, Boerenwormkruid, Braam, Peen en Tormentil. Het stuifmeel wordt in de krop vervoerd.

De Weidemaskerbij (Hylaeus gibbus) komt van eind mei tot begin september voor in struwelen, heggen, bosranden, duinen, weg- en kanaalbermen, op spoorwegterreinen en in tuinen en parken. Het nest wordt bovengronds gemaakt in merghoudende dode stengels van Braam en vraatgangen in hout. De bij nestelt ook in aangeboden kunstmatige nestgelegenheid zoals in boorgaten in hout met een diameter van 3 mm. De bij bezoekt verschillende bloemen, onder meer deze van Zandblauwtje en Braam.  

De Tuinmaskerbij (Hylaeus hyalinatus) is een algemeen voorkomende kleine bij die van eind mei tot begin september te zien is in verschillende biotopen, zoals tuinen, parken en wegbermen, ook in het stedelijke gebied. De soort vertoont een voorkeur voor ruderale begroeiingen. Deze soort bezoekt allerlei soorten bloemen. Ze heeft een korte tong en kan dus diepgelegen nectar niet bereiken. De bij bezoekt onder meer de bloemen van Akkerdistel, Boerenwormkruid, Braam, Gewone Berenklauw, Grijskruid, Muurpeper, Peen, Wilde Reseda en Zevenblad. Het stuifmeel en de nectar worden vervoerd naar het nest, dat zich in holle plantenstengels of in vraatgangen van andere insecten bevindt. De bij maakt ook gebruik van kunstmatige nestgelegenheid (boorgaten met een diameter van 3 tot 4 mm). In het stedelijke gebied worden ook allerlei spleten en gaten in muren en rieten daken of matten benut om het nest te bouwen. De broedcellen worden van elkaar gescheiden door dunne tussenschotjes geproduceerd door middel van een kliersap. Door middel van dezelfde kliersappen wordt het nest ook afgesloten. 

De Kleine Lookmaskerbij (Hylaeus leptocephalus) is een zeldzame kleine bij die van eind mei tot eind augustus voorkomt in warme, droge en zonnige milieus. De belangrijkste voedselplanten van deze bij zijn Look-soorten. Men vindt de bij vaak in moestuinen en langs spoorwegen, in groeven en op oude muren en dijken. Deze soort werd reeds gezien in de stad Leuven (onderzoek Verboven – KUL). De bij nestelt in allerlei bestaande holtes zoals holle en merghoudende plantenstengels, vraatgangen in hout en soms ook in oude grondnesten van bijen in steilwanden. Ook boorgaten in hout worden in gebruik genomen.  

De Kleine Tuinmaskerbij (Hylaeus pictipes) is een zeldzame bij die kan worden gezien van midden mei tot eind augustus. Deze bij nestelt bovengronds in Braam-stengels, leemwanden, voegen in muren en ook in kunstmatige nestgelegenheid (boorgaten van 2 à 3 mm). De soort komt in verschillende habitats voor, meestal niet in dichtbewoonde gebieden, maar in het stedelijke gebied kan deze bij wel worden gezien in tuinen, parken en ruderale terreinen, zoals braakliggende industrieterreinen en spoorwegemplacementen. Buiten de stad komt de bij vaak voor bij steilwanden. Het stuifmeel wordt in de krop opgeslagen.

De Lookmaskerbij (Hylaeus punctulatissimus) is een solitaire bij die gespecialiseerd is op Look-soorten. Deze bij wordt van eind mei tot begin september vooral gezien in volkstuinen en moestuinen in het stedelijke gebied of langs spoorwegen. De bij komt ook voor in groeven, op oude muren en dijken, vrijwel steeds in warme, droge en zonnige milieus. Deze bij verzamelt alleen maar stuifmeel op Prei, Ui, Sierui, Kogellook (sierplant), Kraailook en Moeslook. De bij nestelt in bestaande holtes zoals holle stengels en gebruikt ook kunstmatige nestgelegenheid in hout (boorgaten van 3 à 4 mm).

De Resedamaskerbij (Hylaeus signatus) is een solitaire bij die gespecialiseerd is op Reseda-soorten, zoals Wilde Reseda, Wouw en tuinsoorten zoals Witte Reseda. Kenmerkend bij deze bij zijn de vrijwel glasheldere vleugels. Het achterlijf heeft duidelijke haarbandjes. Het gezicht heeft een witgele tekening, maar is bij het vrouwtje vrijwel volledig zwart. Deze bij vliegt van half mei tot eind augustus.  De bij komt vrijwel steeds op ruderale plekken voor zoals spoor- en rivierdijken, spoorwegemplacementen, industrieterreinen, tuinen en vergraven of verstoorde terreinen in de duinen. De bij nestelt in bestaande holtes, zowel in holle plantenstengels als in steilwanden en muren en maakt ook gebruik van kunstmatige nestgelegenheid (boorgaten met een diameter van 3 à 4 mm). De aanwezigheid van de voedselplanten zal bepalend zijn voor de aan- of afwezigheid van deze bij.

De Rode Maskerbij (Hylaeus variegatus) is een solitaire bij die beperkt polylectisch het stuifmeel haalt bij de planten Zandblauwtje, Kruisdistel, Middelste Ganzerik, Pastinaak en Zevenblad. De bij komt voor op spoorwegterreinen, bermen en graslanden met Zandblauwtje. Deze bij vliegt van half juni tot eind augustus. Het nest wordt ondergronds gebouwd in oude nesten van andere bijen en graafwespen.  

De Berijpte Geurgroefbij (Lasioglossum albipes) is een vrij zeldzame bij die in 1 generatie vliegt van begin april tot en met oktober. Deze groefbij bezoekt verschillende soorten planten, maar meestal worden gele composieten gekozen. Men vindt de bij vaak op Biggenkruid, Jacobskruiskruid, Gewone Paardenbloem, Muizenoor en Vertakte Leeuwentand. De bij wordt ook gezien op Braam, Sporkehout en Struikhei.  De bij nestelt solitair in groepjes. De soort komt algemener voor in zandgronden en duinen, maar kan ook in veel andere biotopen worden aangetroffen, zoals in bloemrijke graslanden. Het nest wordt in de grond (kale plekken) gebouwd. Vaak wordt voor de nestbouw de beschutting opgezocht van een bos- of parkrand. De broedcellen worden in clusters gegroepeerd. Volwassen vrouwtjes overwinteren. Het is mogelijks een gastheer voor de Dikkopbloedbij.

De Gewone Geurgroefbij (Lasioglossum calceatum) is een algemene groefbij die in 1 generatie vliegt van eind maart tot oktober. Deze bij bezoekt verschillende soorten planten. In het voorjaar wordt vooral op Wilg-soorten gevlogen, later op composieten zoals Kruiskruid-soorten, Gewone Paardenbloem, maar de bij wordt ook gezien op Struikhei, Sporkehout en andere plantenfamilies. De bij behoort tot de solitaire bijen, maar ze leidt een primitief eusociaal leven, waarbij een bevrucht vrouwtje eerst werksters en dan vruchtbare nakomelingen krijgt. Een viertal vrouwtjes maken één nest. Eén vrouwtje wordt koningin. De werksters en de koningin verschillen duidelijk in morfologie. De koningin leeft ongeveer 1 jaar; de werksters leven slechts enkele weken. Het nest wordt ondergronds gebouwd. De broedcellen worden geclusterd. Volwassen vrouwtjes overwinteren. Deze bij komt in verschillende biotopen voor, zowel op warme, droge duinzanden als in kleine stadstuinen. De bij is de gastheer voor de Dikkopbloedbij.

De Slanke Groefbij (Lasioglossum fulvicorne) is een vrij zeldzame bij die in 1 generatie vliegt van half maart tot en met oktober. De vrouwtjes kunnen reeds vanaf half maart op Wilg-soorten worden gezien.  Deze groefbij bezoekt verschillende soorten planten, onder meer Sporkehout, Wilg-soorten, Gewone Paardenbloem, Zevenblad. Deze bij is wat men noemt een eusociale bij. In een nest van 4 overwinterde vrouwtjes werd bij een onderzoek in 2008 vastgesteld dat er één vrouwtje dominant is en de eitjes legt, terwijl de andere 3 vrouwtjes als helpsters fungeerden. Uit de eerste legsels kwamen werksters en enkele mannetjes. Later kwamen er vruchtbare bijen uit de eitjes. Het nest wordt ondergronds gebouwd. Volwassen vrouwtjes overwinteren. Deze bij komt in verschillende biotopen voor en plaatselijk zelfs in grote getale, vooral langs bosranden. Het is een gastheer voor de Roestbruine Bloedbij en de Lichte Bloedbij.

De Combigroefbij (Lasioglossum intermedium) is een uiterst zeldzame en verspreid voorkomende groefbij, die voorkomt bij zanderige en lemige bodems. Deze bij werd in Nederland reeds aangetroffen in grote landschapstuinen als de Hortus Botanicus in Leiden, De Uithof in Utrecht en in Arnhem-Zuid. De bij werd reeds gezien op Helmkruid, Wilg-soorten en Gewone Paardenbloem. De bij vliegt van april tot eind augustus.   

De Breedkaakgroefbij (Lasioglossum laticeps) is een vrij zeldzame groefbij die vooral op leemgronden, langs de rivieren en in graslanden voorkomt. Ook midden in de stad kan men deze bij nestelend tussen straatstenen aantreffen, soms in grote kolonies. De bij werd reeds gevonden in Antwerpen. De nesten worden in grote groepen bij elkaar gemaakt in zanderige grond. Het is een primitief-sociale soort. Het in het najaar bevruchte vrouwtje overwintert en legt in het voorjaar eitjes waaruit uitsluitend werksters komen. In de latere, tweede generatie worden ook mannelijke soorten geboren. Volwassen vrouwtjes overwinteren. De bij bezoekt verschillende plantenfamilies maar wordt vaak gezien op Gewone Paardenbloem.  De bij vliegt van maart tot eind september. Deze bij is een gastheerbij voor de Roestbruine Bloedbij en de Bosbloedbij. 

De Gewone Smaragdgroefbij (Lasioglossum leucopus) is een solitaire bij die voorkomt in duinen, heidevelden en open, schrale, bloemrijke grasvegetaties. Deze bij vliegt van eind maart tot eind september. De bij nestelt in de grond en vliegt op verschillende planten, zoals Ereprijs-soorten, Muizenoor en Zandblauwtje. Deze soort komt niet zo vaak voor in het stedelijke gebied. Het is de gastheerbij voor de Glanzende Dwergbloedbij.

De Matte Bandgroefbij (Lasioglossum leucozonium) is een lgemene bij die vliegt van april tot en met oktober. Deze groefbij bezoekt verschillende soorten planten, met een voorkeur voor gele composieten, zoals Gewoon Biggenkruid (vaak in gazons), Muizenoor en Streepzaad. Deze solitaire bij nestelt ondergronds in vlakke, vaak zanderige bodems. Soms liggen de nesten gegroepeerd. De soort komt voor in verschillende biotopen zoals tuinen, wegbermen en bloemrijke graslanden. Volwassen vrouwtjes overwinteren.  Het is een gastheerbij voor de Bosbloedbij, de Schoffelbloedbij en de Rimpelkruinbloedbij.

De Groepjesgroefbij (Lasioglossum malachurum) is een zeldzame bij die vliegt van begin april tot eind oktober. Deze groefbij bezoekt verschillende soorten planten op bloemrijke graslanden. De bij vliegt onder meer op Wilg-soorten, Kamille-soorten, Leeuwentand en gele kruisbloemigen. Deze bij is een eusociale soort. De nesten worden in grote aantallen in meestal harde leemgrond gevonden. Bevruchte vrouwtjes (koninginnen) overwinteren dikwijls samen in één nest. Bij aanvang van de lente, wanneer ze terug actief worden, gedragen ze zich agressief tot wanneer 1 vrouwtje de rest heeft verjaagd. Het winnende vrouwtje produceert 2 tot 3 generaties van werksters vooraleer het vruchtbare nakomelingen krijgt. Na de eerste generatie werksters blijft de koningin in het nest en laat de werksters foerageren en het nest verder uitbouwen. Bij de werksters bestaan er ook wachters die het nest bewaken. De werksters verschillen morfologisch sterk van de koningin. Het is een gastheerbij voor de Dikkopbloedbij. 

De Ingesnoerde Groefbij (Lasioglossum minutissimum)  is een solitaire bij die vliegt van eind maart tot eind oktober. Deze bij wordt vooral aangetroffen op verstoorde, rommelige terreinen die ontstaan na de sloop van gebouwen. De bij maakt nesten in de grond, bij voorkeur in zand- of leemhoudende grond, soms ook tussen de bestrating in de stedelijke omgeving. De volwassen vrouwtjes overwinteren. De bij vliegt op verschillende planten, vooral op composieten zoals Gewoon Duizenblad, Leeuwentand en Gewone Paardenbloem. 

De Langkopsmaragdgroefbij (Lasioglossum morio) is een algemene bij die vliegt van half maart tot en met half november. Deze groefbij bezoekt verschillende soorten planten, zoals Gewone Paardenbloem en Streepzaad-soorten. Deze bij leeft eusociaal met een koningin en één werkstergeneratie. De soort komt in verschillende biotopen voor en nestelt in de grond in allerlei zandige bodems en lichte leemgronden, in de wortelkluit van omgevallen bomen of in voegen van oude muren zoals verwerende kalk- en zandstenen muurtjes. In het stedelijke gebied kunnen de nesten worden gebouwd tussen de voegen van het plaveisel. Deze bij is een gastheerbij voor de Gewone Dwergbloedbij. 

De Glimmende Smaragdgroefbij (Lasioglossum nitidulum) is een zeldzame bij die vliegt van maart tot en met oktober. Deze groefbij bezoekt verschillende soorten planten. Deze bij leeft solitair maar vermoedelijk eusociaal en nestelt in meestal verticale structuren, zoals in de verbrokkelde voegen van oude muren. Deze bij wordt vaak en soms in grote aantallen aangetroffen op oude, zonbeschenen muren in steden. Volwassen vrouwtjes overwinteren. 

De Kleigroefbij (Lasioglossum pauxillum) komt voor op graslanden en kleigronden langs de grote rivieren. Deze bij vliegt van maart tot en met oktober. Het is een eusociale soort. Soms wordt één nest gebouwd door verschillende vrouwtjes. Eén van de vrouwtjes fungeert als koningin; de andere worden hulpbijen (werksters). De eerstgeboren eitjes groeien uit tot werksters die kleiner zijn van gestalte. Zij bewaken het nest en verzamelen voedsel. De eieren die in de zomer worden gelegd leveren mannetjes en vrouwtjes. Soms overwinteren verschillende vrouwtjes in het geboortenest. De bij bezoekt verschillende bloemen zoals Meidoorn-soorten, Gewone Paardenbloem en Streepzaadsoorten. Deze bij is een gastheerbij voor de Roestbruine Bloedbij, de Gewone Dwergbloedbij en de Dikkopbloedbij.

De Halfglanzende Groefbij (Lasioglossum semilucens) is een solitaire bij die vliegt van half april tot eind september. Deze bij vliegt op verschillende bloemen, zoals Gewone Berenklauw, Ereprijs-soorten, Groot Streepzaad, Hoornbloem, Gewone Paardenbloem en Zandblauwtje. Deze bij komt voor langs zandpaden in heidegebieden en langs bosranden, ook op meer antropogene terreinen zoals braakliggende terreinen, volkstuinen en afgravingen. De bij nestelt in de grond. 

De Zesvlekkige Groefbij (Lasioglossum sexnotatum) is een groefbij die van april tot en met september voorkomt op bloemrijke halfopen terreinen met een zanderige bodem. Deze bij leeft vermoedelijk solitair en nestelt in de grond, in lage begroeiing met verspreide, kale plekken. Deze bij vliegt op verschillende bloemen zoals Akkerdistel, Asperge, Boterbloem-soorten en Sporkehout. 

De Gewone Franjegroefbij (Lasioglossum sexstrigatum) vliegt van half maart tot eind september. Het nest wordt ondergronds gebouwd. Deze bij wordt vaak in het stedelijke gebied aangetroffen waar de soort nestelt in zandige stukjes of tussen de straatstenen. De bij profiteert in de steden van zand dat opgebracht is voor de aanleg van tuinen en infrastructuur. De nesten liggen vaak in kolonies van ongeveer 35 stuks per vierkante meter. Waarschijnlijk kent deze bij een eusociale levenswijze. De bij vliegt op verschillende bloemen van onder meer Wilg-soorten, Gewone Paardenbloem en Sporkehout. Het is een gastheerbij voor het Geeltipje en de Gewone Dwergbloedbij.

De Biggenkruidgroefbij (Lasioglossum villosulum) vliegt in 2 generaties van april tot en met oktober.  Deze bij bezoekt vooral de bloemen van gele composieten zoals Biggenkruid, Melkdistel en Muizenoor. Het nest wordt ondergronds gebouwd op leemgronden en bodems met verdicht zand. De bij komt vooral voor in bermen met bloemrijke, halfopen vegetatie, langs de rivieren, langs löss-akkers, in leemgroeven en allerlei andere biotopen. Alleen bevruchte vrouwtjes overwinteren. Vanaf april tot juli vliegt een eerste generatie mannetjes en vrouwtjes. In de nazomer volgt er een tweede generatie. Het is een gastheer voor de Dikkopbloedbij en de Grote Spitstandbloedbij.

De Glanzende Bandgroefbij (Lasioglossum zonulum) is een algemene bij die vliegt van half april tot half oktober. Deze groefbij bezoekt verschillende soorten planten in bloemrijke vegetaties met Groot Streepzaad, Canadese Guldenroede en Havikskruid-soorten. Deze solitaire bij is een karakteristieke soort van open landschappen. Het nest wordt ondergronds gemaakt. Het neststichtend vrouwtje overwintert soms met vrouwelijke gepaarde nakomelingen. De soort mijdt meestal stedelijke en intensief agrarische gebieden. Het is een gastheerbij voor de Dikkopbloedbij.

De Gewone Slobkousbij (Macropis europaea) is een solitaire bij die voorkomt op vochtige terreinen en langs oevers van waterlopen, op de plaatsen waar de waardplanten voorkomen, soms tot in het stedelijke gebied. Deze soort is namelijk sterk gespecialiseerd op de plant Grote Wederik, de Moeraswederik en ook de tuinplant Puntwederik. Deze plant levert stuifmeel en olie, geen nectar. De Wederik-soorten vormen via kliertjes olie. De vrouwtjes verzamelen de olie en het stuifmeel als voedsel voor de bijenlarven.  In de vlucht wordt de olie en het stuifmeel vermengd tot wasachtige klompjes en overgeheveld vanaf de borst naar korfjes aan de achterpoten, vandaar de naam Slobkousbij. Deze soort kan worden gezien van half juni tot begin september. De mannetjes bezoeken de Wederik-soorten alleen om er vrouwtjes te ontmoeten. De nectar wordt gehaald bij planten als Grote Kattenstaart, Gewone Berenklauw, Gewone Engelwortel, Sporkehout, Weidestreepzaad, Meisjesogen, Purperklokje, Zeeuws Knoopje, Scherpe Boterbloem, Kaardebol, Akkerdistel, Koninginnekruid of Kale Jonker. Met deze nectar wordt de stuifmeelvoorraad bevochtigd.  De nectar wordt ook aangewend voor de eigen energiebehoefte. Er wordt geen honing gemaakt van de nectar. Het vrouwtje graaft in vochtige grond een nest. De ingang van het nest zit meestal verstopt tussen gras of mos. Het nest bestaat uit een gang met 2 tot 8 schuin aangezette, gesloten broedcellen. De wanden zijn bekleed met een waterafstotende laag, vermoedelijk Wederik-olie. In het nest wordt op elk stuifmeel-olie-klompje een eitje gelegd. De larven voeden zich met de stuifmeelvoorraad. Ze spinnen reeds na een tweetal weken een cocon, verpoppen zich, overwinteren en komen uit in de volgende zomer. Het is een gastheer voor de Bonte Viltbij.

De Bruine Slobkousbij (Macropis fulvipes) is een solitaire bij die sterk lijkt op de Gewone Slobkousbij. Deze bij komt vooral voor langs taluds, greppels en bermen van weilanden en in stedelijke gebieden, op de plaatsen waar de drachtplanten voorkomen. Deze bij vliegt van begin juni tot en met juli.  Deze bij haalt stuifmeel bij de Grote Wederik, de Moeraswederik en de Puntwederik. Nectar wordt gehaald bij verschillende andere planten zoals distels, Grote Kattenstaart en Witte Honingklaver. Het nest wordt ondergronds gebouwd. Het is een gastheerbij voor de Bonte Viltbij.

De Tuinbladsnijder (Megachile centuncularis) is een vrij zeldzame bij die behoort tot de behangersbijen. De bij vliegt in 1 of soms 2 generaties van mei tot september. Deze bij gebruikt holle ruimtes en stengels van Roos-soorten, Riet, Koningskaars en Braam als nestplaats. De bij gebruikt ook kunstnesten en heeft hierbij een voorkeur voor gangen met een diameter van 6 mm. Soms wordt een nestgang gemaakt tussen het plaveisel in de stad. De bij sluit de nestplaats af met uitgesneden bladstukjes die ze haalt bij de Roos-soorten, Sleedoorn of Gewone Es. De bij overwintert als prepop. Het is een typische soort van kapvlakten, bosranden en stedelijke gebieden (cultuurvolger). Behangersbijen houden bij het bloembezoek het achterlijf vaak kenmerkend omhoog gekruld. Dit achterlijf is aan de bovenkant enigszins afgeplat. Ze vervoeren de stuifmeelkorrels met behulp van een buikschuier.  Het is een gastheerbij van de Gewone Kegelbij.

De Lapse Behangersbij (Megachile lapponica) komt voor in arme bossen, op kapvlakten en op ruderale terreinen. Deze bij vliegt van maart tot begin september. De mannetjes vliegen iets vroeger uit dan de vrouwtjes. Deze bij nestelt solitair. Het nest wordt gemaakt in bestaande gangen in paaltjes, dennenstammen en kunstmatige nestblokken. Voor de broedcellen worden bladstukjes van vooral Wilgenroosje gebruikt. Er worden verschillende planten bezocht met een voorkeur voor Klaver-soorten.  De bij is een gastheerbij van de Gewone Kegelbij.

De Distelbehangersbij (Megachile ligniseca), ook synoniem: Klaverbehangersbij) is een zeldzame solitaire bij die nestelt in bestaande holtes. Deze holtes worden bekleed met ronde stukjes blad, die de bij zelf knipt uit planten, vooral uit bladeren van Berk-soorten, Roos-soorten en Esdoorn-soorten. Er worden ook nestblokken met gangen met een diameter van 9 mm in gebruik genomen. De bij vliegt vooral op Composieten met een voorkeur voor distels van het genus Cirsium en dit van begin juli tot half september. Ook op Klokjesachtigen, lipbloemen en vlinderbloemen wordt de soort gezien. De mannetjes vliegen iets vroeger dan de vrouwtjes. Deze bij bewoont vooral open plekken in bossen en in bosranden, ook in het stedelijke gebied. In de gebieden waar deze bij voorkomt is het belangrijk dat er gedurende de vliegperiode voldoende planten overblijven na eventuele maaibeurten. Deze bij is een koudeminnende soort. De Gewone Kegelbij is een koekoeksbij die het broed van deze bij gebruikt voor het leggen van haar eitjes. 

De Gewone Behangersbij (Megachile versicolor)  is een algemene solitaire bij. Deze bij komt voor in bosranden, op kapvlakten, op heiden en in tuinen en parken. De bij vliegt in één generatie van half mei tot half september. De mannetjes vliegen eerder dan de vrouwtjes. Het nest wordt gemaakt in dood hout en plantenstengels, zowel in bestaande als zelfgeknaagde gangen, ook in kunstnesten (gangen met een diameter van 5 tot 6 mm). De bij knaagt vaak zelf een gang in Braamstengels. Als bouwmateriaal gebruikt voor het nest gebruikt de bij bladeren van Roos of Sleedoorn. De bij vertoont een voorkeur voor vlinderbloemen, maar is ook op composieten te vinden.  Het is een gastheerbij van de Gewone Kegelbij.

De Grote Bladsnijder (Megachile willughbiella) is een behangersbij die van half mei tot en met augustus algemeen voorkomt in verschillende biotopen, vooral dicht bij bosranden, in open plekken is bossen en in oude wijngaarden, en ook in stedelijke gebieden. Deze bij bezoekt vooral vlinderbloemigen, maar ook veel andere planten. Het nest wordt gemaakt in verweerd of vermolmd hout, soms ook in de grond. Vaak knaagt het vrouwtje rechte gang in het hout, worden oude kevergangen in dood hout gebruikt of worden kunstnesten in gebruik genomen. Boorgangen met een diameter van ongeveer 9 mm worden gebruikt. Vervolgens gaat ze in de omgeving ovale of ronde stukken blad afknagen waarmee ze naar het nest vliegt en er de nestruimte mee bekleedt. De bladstukjes worden gehaald bij Roos-soorten,  Haagbeuk en Robinia. Nadat het nest met stuifmeel en nectar werd gevuld en er een ei in werd gelegd, wordt het afgesloten, opnieuw met stukjes blad. In de nestgang worden ook stukjes afgebeten houtspaanders of houtmolm gestopt. De soort overwintert als prepop. Deze bij is een gastbij voor enkele kegelbijen.

De Bruine Rouwbij (Melecta albifrons) is een koekoeksbij die van eind maart tot juni voorkomt bij oude met leem gebouwde muren of bij lemige steilwanden en in tuinen waar de gastheerbij voorkomt. De soort parasiteert bij de Gewone Sachembij. Het ei wordt gelegd in de reeds afgesloten broedcel, waarbij de Rouwbij het deksel van deze broedcel met het spitse achterlijf doorboort. De Bruine Rouwbij bezoekt verschillende planten voor de nectar met een voorkeur voor Gewone Dovenetel, Kattenkruid, Longkruid en Kruipend Zenegroen. Deze diertjes worden vaak slapend aangetroffen, terwijl ze zich met de kaken vastbijten aan plantenstengels. 

De Klokjesdikpoot (Melitta haemorrhoidalis) is een solitaire bij die voorkomt in zonnige bosranden, droge schraallanden en kalkgraslanden. Deze bij wordt vooral talrijk aangetroffen in parken en (heem)tuinen in stedelijke gebieden, waar Klokjes talrijk aanwezig zijn. De bij vliegt van begin juni tot begin september. Deze bij vliegt alleen op Klokjes, zoals Grasklokje, Ruig Klokje en Breed Klokje (oligolectisch). Het nest wordt gegraven in de grond, vermoedelijk tussen de begroeiing (zelden gezien). De overwintering geschiedt waarschijnlijk als prepop.

De Klaverdikpoot (Melitta leporina) is een zeldzame bij. Van midden juni tot eind augustus komt deze soort algemeen voor op vlinderbloemen zoals vooral Luzerne en Klaver-soorten. Deze bij komt enkel voor als er veel waardplanten aanwezig zijn. Het is een typische soort van bloemrijke graslanden en bermen, maar de bij wordt ook vaak op ruderale terreinen aangetroffen. De mannetjes vliegen met hoge snelheid tussen de bloemen van de waardplanten. De banen die ze volgen overspannen steeds de pollenbronnen. Het stuifmeel wordt samen met wat nectar verzameld in de haartjes op de achterpoten. Het nest bevindt zich onder de grond en bestaat uit een loodrechte gang met een 15-tal zijgangen met elk 1 broedcel. Elke broedcel is bekleed met een wasachtig secreet. De soort heeft geen bodemvoorkeur. De ingang van het nest zit meestal verstopt in de vegetatie, vaak aan de voet van graspollen. De larven leven van een voorraad stuifmeel. De overwintering gebeurt als prepop.

De Kattenstaartdikpoot (Melitta nigricans) is een zeldzame solitaire bij die enkel op de Grote Kattenstaart foerageert voor het stuifmeel (streng oligolectisch). Van begin juli tot eind augustus komt deze soort, die behoort tot de Dikpootbijen algemeen voor op de bloemen van de waardplant.  Het stuifmeel wordt verzameld in de haartjes op de achterpoten. Vrouwtjes dragen vaak grote klompen van het kenmerkende groene stuifmeel aan de poten. Het nest bevindt zich onder de grond en bestaat uit een loodrechte gang met zijgangen met elk 1 broedcel. Elke broedcel is bekleed met een wasachtig secreet. De soort heeft geen bodemvoorkeur. De Kattenstaartbij komt voor op plaatsen waar de drachtplant in ruime aantallen voorkomt, zoals langs beken, grachten en vochtige weiden. Mannetjes slapen soms in grote groepen bij elkaar op de Grote Kattenstaart. De nectar wordt door deze soort vaak gehaald bij planten als Muskuskaasjeskruid en Dropplant.  De larven leven van een voorraad stuifmeel. De bij overwintert waarschijnlijk als prepop.

De Bleekvlekwespbij (Nomada alboguttata) is een bij die parasitisch leeft bij de Witbaardzandbij, de Zilveren Zandbij en het Roodbuikje. Deze bij vliegt van begin april tot eind juni vaak boven kaal zand, bijvoorbeeld op zandverstuivingen en zandpaden, in bossen en heidevelden. De aanwezigheid is het stedelijke gebied is in de toekomst niet uitgesloten, gelet op het algemeen en verspreid voorkomen.

De Knautiawespbij (Nomada armata) komt van half mei tot eind juli voor op kalkgraslanden en in bloemrijke bermen. Deze bij vliegt vaak op Beemdkroon. De gastheer van deze parasitaire bij is vermoedelijk de Knautiabij.

De Bonte Wespbij (Nomada bifasciata) komt van eind maart tot begin juni voor in het leefgebied van de Weidebij, waarop deze bij parasiteert.

De Langsprietwespbij (Nomada conjungens) vliegt van half april tot eind juni op spoorwegterreinen, in uiteraarden, op steile wegbermen en in ruigten en holle wegen. Het is een parasiet bij de Fluitenkruidbij.

De Roodzwarte Dubbeltand (Nomada fabriciana) vliegt van half maart tot eind juli in allerlei biotopen, ook in steden. Het is een parasiet bij de Tweekleurige Zandbij, de Goudpootzandbij (vooral) en de Geriemde Zandbij.

De Geelschouderwespbij (Nomada ferruginata) vliegt van begin maart tot eind mei op enigszins ruige terreinen, zoals spoordijken, bermen, uiterwaarden en overhoeken. Het is een parasiet bij de Vroege Zandbij.

De Gewone Wespbij (Nomada flava) is een koekoeksbij die van april tot juni voorkomt in allerlei biotopen zoals wegbermen, bosranden, heidevelden, afgravingen en bossen. De soort parasiteert in de nesten van verschillende vroeg in het jaar vliegende zandbijen, zoals de Meidoornzandbij, de Zwartbronzen Zandbij en de Viltvlekzandbij.

De Gewone Kleine Wespbij (Nomada flavoguttata) vliegt van half maart tot half augustus op allerlei terreinen, zoals spoorwegen, bermen, dijken, ruigten, afgravingen en bosranden, ook in steden. Het is een parasiet bij de Gewone Dwergzandbij, de Glimmende Dwergzandbij en de Witkopdwergzandbij. 

De Kortsprietwespbij (Nomada fucata) vliegt van half maart tot eind augustus (waarschijnlijk in 2 generaties) in allerlei biotopen, van heidevelden tot stadstuinen. De aantallen hangen af van het voorkomen in deze biotopen van de Grasbij, de gastheerbij van deze koekoeksbij.

De Roodsprietwespbij (Nomada fulvicornis) vliegt van eind maart tot eind augustus in uiterwaarden, langs spoordijken, in ruigten en op heidevelden. De bij bezoekt verschillende bloemen. Deze bij parasiteert bij de Koolzwarte Zandbij en de Grijze Rimpelrug.

De Bruinsprietwespbij (Nomada fuscicornis) vliegt van maart tot eind augustus in droge heidegebieden, op spoorwegterreinen en langs zandwegen. De bij bezoekt verschillende bloemen. Deze bij parasiteert bij de Kleine Roetbij.

De Smalbandwespbij (Nomada goodeniana) vliegt van eind maart tot half juni in allerlei biotopen, ook binnen de bebouwde kom. De bij bezoekt verschillende bloemen. Deze bij parasiteert bij de Zwartbronzen Zandbij, de Viltvlekzandbij, de Asbij en de Grijze Rimpelrug. 

De Gedrongen Wespbij (Nomada guttulata) vliegt van eind april tot half juli in uiterwaarden, op spoorterreinen en in holle wegen langs weilanden. De bij bezoekt verschillende bloemen. Deze bij parasiteert bij de Ereprijszandbij. 

De Tweekleurige Wespbij (Nomada integra) is een kleine wespbij die niet algemeen voorkomt. De vliegplaatsen komen overeen met haar gastheer, de Paardenbloembij. De soort komt voor op schrale, extensief beheerde graslanden, wegbermen en dijken.

De Roodharige Wespbij (Nomada lathburiana) is een koekoeksbij van bosranden, afgravingen en spoorwegterreinen. De bij vliegt (waarschijnlijk in 2 generaties) van eind maart tot begin augustus. De gastbijen voor deze soort zijn de Grijze Zandbij en de Asbij.

De Vroege Wespbij (Nomada leucophthalma) is een koekoeksbij van bosranden, afgravingen en ruigten. De bij vliegt van begin maart tot eind mei vooral op wilgen. De gastbij voor deze soort is de Zwart-Rosse Zandbij.

De Donkere Wespbij (Nomada marshamella) is een koekoeksbij van allerlei terreinen, inclusief stedelijke bebouwing. De bij vliegt van begin april tot eind juni. De gastbij voor deze soort is de Meidoornzandbij.

De Sierlijke Wespbij (Nomada panzeri) is een koekoeksbij van allerlei terreinen. De bij vliegt van eind maart tot begin juli.  Deze bij parasiteert op de Gewone Rozenzandbij, de Variabele Zandbij, het Vosje en de Valse Rozenzandbij.

De Gewone Dubbeltand (Nomada ruficornis) is een koekoeksbij van allerlei biotopen, zoals bosranden, dijken, heidevelden, ruigten, spoorwegterreinen en uiterwaarden. Deze bij vliegt van eind maart tot half juni. De bij parasiteert bij het Roodgatje.

Het Geeltipje (Nomada sheppardana) is een algemene wespbij. De bij vliegt van half april tot en met augustus in allerlei biotopen zoals afgravingen, bermen, bosranden, spoorwegterreinen, stedelijke bebouwing en uiterwaarden. Deze soort wordt vaak laag vliegend boven de grond aangetroffen. De bij bezoekt verschillende plantensoorten. Deze koekoeksbij parasiteert bij de Gewone Franjegroefbij. 

De Signaalwespbij (Nomada signata) is een koekoeksbij die van half maart tot half juni in allerlei biotopen zoals afgravingen, bosranden, heidevelden en stedelijke bebouwing vliegt. Deze koekoeksbij parasiteert bij het Vosje.

De Geelzwarte Wespbij (Nomada succincta) is een koekoeksbij die van begin april tot half juli in allerlei biotopen zoals afgravingen, bosranden, dijken, heidevelden, spoorwegterreinen en uiterwaarden te zien is. Deze bij parasiteert bij de Viltvlekzandbij en de Zwartbronzen Zandbij.

De Variabele Wespbij (Nomada zonata) vliegt van eind maart tot half augustus in allerlei biotopen zoals tuinen en afgravingen. Deze koekoeksbij parasiteert bij de Wimperflankzandbij. 

De Rosse Metselbij (Osmia bicornis –  tot voor kort Osmia rufa genoemd) is een algemene bij, die van maart tot juni voorkomt op open plekken met nestmogelijkheden, ook in stedelijke gebieden. Deze bij vliegt op verschillende bloemen. Als nestplaats geeft deze bij de voorkeur aan langwerpige, holle ruimten met een doorsnede van ongeveer 6 à 7 mm, meestal 1 tot 2 m boven de grond. Ze vindt deze plaatsen onder vensterbanken, sleutelgaten, blokken met voorgeboorde gaten, enz. In bossen maakt de Rosse Metselbij de broedgangen ook in spleten en verlaten vraatgangen van andere insecten in dood hout. Vaak wordt genesteld in groepen, maar elk vrouwtje staat in voor het eigen nest. Met leem wordt nauwgezet door het vrouwtje een broedkamertje gebouwd in de gevonden holle ruimte. De gebouwde ruimte wordt gevuld met stuifmeel en nectar en er wordt een eitje in gelegd. Daarna wordt de plaats door middel van een lemen wandje afgesloten. Het vrouwtje maakt vervolgens ernaast op dezelfde manier een aantal  nieuwe broedkamers en sluit tenslotte het geheel af met nog een extra leemwand. De uitgekomen larven voeden zich met het stuifmeel en de nectar. Na een vijftal weken verpoppen ze in een cocon. De uitgekomen bijen blijven evenwel overwinteren in de cocon. Deze soort speelt mogelijk een belangrijke rol als bestuiver van bijvoorbeeld Luzerne en fruitbomen (economisch belang). Het is een gastheerbij voor de Zwarte Tubebij.

De Blauwe Metselbij (Osmia caerulescens) vliegt in 2 generaties. De eerste generatie vliegt van mei tot midden juli. De tweede, minder vruchtbare generatie, vliegt van begin juli tot midden augustus. Deze vrij zeldzame bij haalt stuifmeel bij verschillende planten, maar vertoont toch een voorkeur voor vlinderbloemen (bijvoorbeeld Gewone Rolklaver), lipbloemen (bijvoorbeeld Bosandoorn) en Slangenkruid. Deze soort kan vaak worden aangetroffen in stedelijk gebied (tuinen, braakliggende terreinen en spoorwegterreinen), boomgaarden, bosranden, open plekken in bossen en verlaten steengroeven. Als nestgelegenheid worden bestaande holtes in muren, monumentale bomen of dood hout gebruikt. Deze soort heeft een voorkeur voor nestholtes met een diameter van 4 à 5 mm. De bij overwintert als volwassen dier in een cocon. De broedcellen worden afgesloten met behulp van zand en modder vermengd met speeksel. De Blauwe Metselbij is een gastheer voor de Witgevlekte Tubebij.

De Gehoornde Metselbij (Osmia cornuta) lijkt sterk op de Rosse Metselbij en wordt er dan ook vaak mee verward. Deze soort komt van eind februari tot juni vrijwel uitsluitend in en rond het stedelijke gebied voor, met name in tuinen en bij oude gebouwen, in mindere mate ook in meer natuurlijke situaties, bijvoorbeeld in steile leemhellingen. Het is een zuidelijke soort, die waarschijnlijk door de klimaatverandering oprukt naar het noorden. Als nestgelegenheid worden bestaande holtes in muren of dood hout gebruikt. Steeds meer wordt in holle stengels en boorgaten in hout van op bijen gerichte nesthulp genesteld. Oude nestplaatsen worden vaak hergebruikt. Buiten het stedelijke gebied wordt de nestplaats gekozen op zongerichte leem- of lösswanden. De broedcellen worden afgesloten met behulp van zand en modder vermengd met speeksel. Deze bij vertoont een voorkeur voor nestholtes met een diameter van 7 tot 9 mm. De nesten zijn vrijwel identiek aan die van de Rosse Metselbij. Wanneer een bijenhotel wordt gebouwd in de tuin, bestaande uit holle stengel of houtblokken met boorgaten, dan zal deze bij één van de eerste gasten zijn om een nest uit te bouwen. Deze bij foerageert op een breed spectrum aan vroeg bloeiende plantensoorten. Deze soort speelt mogelijk een belangrijke rol als bestuiver van fruitbomen. Bij een voldoende groot aanbod is het een tamelijk bloemvaste soort en efficiënter dan de Honingbij. Deze bij vliegt ook reeds bij een temperatuur vanaf 10 °C. 

De Kauwende Metselbij (Osmia leaiana) is een vrij zeldzame soort die van half april tot eind augustus vliegt op composieten, vooral op Speerdistel, Knoopkruid, Echt Bitterkruid, Gewoon Biggenkruid en Havikskruid-soorten, in structuurrijke, warme bosranden, oude boomgaarden, opengekapte bossen, ruigten in stedelijke gebieden en tuinen. Zoom- en ruigtesoorten zijn voor deze bij belangrijk. Deze bij nestelt in bestaande holtes zoals in dood hout, holle stengels en gaten in muren. Ook nesthulp wordt aanvaard (holtes van ongeveer 5 mm en rietstengels).  De bij overwintert als een volgroeide larve in een cocon. Het is een gastheerbij voor de Zwarte Tubebij en de Geelgerande Tubebij.

De Zwartbronzen Houtmetselbij (Osmia niveata) vliegt van eind april tot eind augustus. Deze zeldzame bij haalt alleen stuifmeel bij planten van de Composietenfamilie (onder meer Knoopkruid, Speerdistel, Akkerdistel, Kruldistel, Echt Bitterkruid, Groot Streepzaad). Als nestgelegenheid worden bestaande holtes in muren, holle stengels of dood hout gebruikt. De bij maakt ook gebruik van kunstmatige nestblokken met boorgaten van 3,5 tot 5 mm. De broedcellen worden afgesloten met behulp van zand en modder vermengd met speeksel. Deze soort kan worden aangetroffen bij warme bosranden, in oude boomgaarden, op bloemrijke graslanden, in ruigten in stedelijk gebied en in tuinen. De bij overwintert als volgroeide larve in een cocon. Het is een gastbij voor de Zwarte Tubebij en de Geelgerande Tubebij.

De Grote Roetbij (Panurgus banksianus) bezoekt vooral gele composieten zoals Biggenkruid-, Havikskruid-, Leeuwentand- en Streepzaadsoorten. Deze bij komt van half mei tot eind augustus voor op korte, grazige schraallanden, in bermen, op heideterreinen en op spoorwegterreinen. Deze bij nestelt in open grond, vaak in groepen. Het foerageergebied van deze bij ligt binnen een straal van 250 meter.  De soort overwintert als prepop. Het is een gastheerbij voor de Bruinsprietwespbij. 

De Kleine Roetbij (Panurgus calcaratus) is een bij die van half juni tot eind augustus voorkomt op zandige bodems, in groeven, wegbermen en op zonnige, ruderale terreinen. Deze bij wordt vooral waargenomen op gele bloemen, zoals Gele Kamille, Bezemkruiskruid en Havikskruid-soorten. Het vrouwtje bepoedert zich vaak volledig met stuifmeel. Soms gebruiken verschillende vrouwtjes een gemeenschappelijke nestgang die leiden tot afzonderlijke nestruimten. Het nest bevindt zich op  open zandvlakten. Een maaibeheer dat niet gefaseerd gebeurt werkt bedreigend voor deze soort. De bij overwintert als prepop. Het is een gastheerbij voor de Bruinsprietwespbij.

De Grote Bloedbij (Sphecodes albilabris) is een bij van zandgronden, duinen en riviergebieden. Deze bij komt vooral in de kustduinen voor. Het is een koekoeksbij die parasiteert op de Grote Zijdebij. Voor de gastheerbij is de aanwezigheid van wilgen van levensbelang.  De bij vliegt in één generatie van maart tot en met september. De volwassen moederbij doodt het ei of de larve van de gastvrouw. De bij doet eerst een zoekvlucht naar nesten van de Grote Zijdebij, waarbij ze traag en laag over de grond vliegt. Om de precieze locatie van het nest te vinden, landt ze en zoekt ze voort al wandelend. Deze bij bezoekt een groot aantal planten, maar wordt in het voorjaar vaak op Gewone Paardenbloem gezien. In augustus vliegen de mannetjes vooral op composieten en schermbloemigen. De volwassen vrouwtjes overwinteren. De mannetjes vliegen tot in de herfst, maar sterven vóór de winter. 

De Bosbloedbij (Sphecodes ephippius) bewoont vlakke, met kruiden begroeide delen van bosranden, ruigten of schrale graslanden op droge zand-, lichte zavel- of lössgrond. Deze bij vliegt van begin april tot eind september op verschillende planten zoals composieten, Ganzerik, Honingklaver, schermbloemigen, Struikhei en wilgen. De volwassen vrouwtjes overwinteren. Deze parasitaire bij heeft de Matte Bandgroefbij en de Breedkaakgroefbij – dit zijn bodembewonende bijensoorten- als gastheren.

De Roestbruine Bloedbij (Sphecodes ferruginatus) komt voor op droge graslanden en ruigten. Deze bij vliegt van eind maart tot eind september op verschillende planten zoals Gewone Berenklauw en Struikhei. De volwassen vrouwtjes overwinteren. Deze parasitaire bij heeft de Slanke Groefbij, de Kleigroefbij en de Breedkaakgroefbij (bodembewonende bijen) als gastheren.

De Glanzende Dwergbloedbij (Sphecodes geoffrellus) komt voor op droge graslanden, in bosranden en voedselrijke ruigten op zandige of leemhoudende grond, maar ook in tuinen, parken en wegbermen.  Deze bij vliegt van begin april tot half september vaak op composieten, Ganzerik, Muurpeper, Reseda, schermbloemigen en Wolfsmelk. De volwassen vrouwtjes overwinteren. Deze parasitaire bij heeft de Gewone Smaragdgroefbij en de Langkopsmaragdgroefbij (bodembewonende bijen) als gastheren.

De Pantserbloedbij (Sphecodes gibbus) komt voor in bosranden, boomgaarden en parken en op dijken en bermen met een zandige of lemige bodem. Deze bij vliegt van eind maart tot eind september. De bij vliegt vaak op composieten, Ganzerik, Muurpeper, Beemdkroon, Basterdwederik, Honingklaver, schermbloemigen, Ooievaarsbek en wilgen. De volwassen vrouwtjes overwinteren. Deze parasitaire bij heeft de Roodpotige Groefbij en de Groepjesgroefbij (bodembewonende bijen) als gastheren.

De Lichte Bloedbij (Sphecodes hyalinatus) komt voor in bosranden, op droge graslanden en langs dijken. Deze bij vliegt van half april tot half oktober. De bij vliegt vaak op Akkerwinde, Beemdkroon, Bosaardbei, composieten, Ereprijs, Ganzerik, Muurpeper en schermbloemigen. Deze parasitaire bij heeft de Slanke Groefbij als gastheer.

De Kleine Spitstandbloedbij (Sphecodes longulus) komt voor op zandige terreinen zoals droge graslanden, bermen, zandpaden, tuinen, parken en duingebieden. Deze bij vliegt van begin april tot eind september en is vaak te zien op Vogelmuur, composieten en schermbloemigen. Deze parasitaire bij heeft de Gewone Smaragdgroefbij, de Ingesnoerde Groefbij en de Langkopsmaragdbij als gastheren.

De Kleine Spitstandbloedbij (Sphecodes miniatus) komt voor in duinen, langs zandpaden, op schrale graslanden en droge heiden. Deze bij vliegt van half maart tot half september. De bij vliegt vaak op composieten zoals Fluitenkruid. De volwassen vrouwtjes overwinteren. Deze soort parasiteert vooral bij Gewone Franjegroefbij, maar ook bij de Fijngestippelde Groefbij, de Kleigroefbij en de Langkopsmaragdgroefbij. De hoofdgastheerbij koloniseert snel nieuwe biotopen als bouwplaatsen, zandige dijkhellingen en fietspaden.

De Dikkopbloedbij (Sphecodes monilicornis) is een koekoeksbij die vooral bij de Gewone Geurgroefbij parasiteert, maar ook bij een achttal andere groefbijen. Deze bij komt in uiteenlopende biotopen voor, maar heeft de voorkeur voor een zanderig en droog biotoop. Vrouwtjes zijn vaak druk op zoek naar de nesten van de gastheergroefbijen; de bijen zitten vaak op composieten. Deze bij vliegt van half maart tot half oktober.

De Schoffelbloedbij (Sphecodes pellucidus) is een koekoeksbij die vooral bij de Witbaardzandbij parasiteert, maar ook bij de Matte Bandgroefbij, de Zilveren Zandbij, de Tweekleurige Zandbij en de Geelstaartklaverzandbij. Deze bij heeft een voorkeur voor open zandvlakten of schraal begroeide hellingen in heidegebieden en duinen. Men vindt de soort ook op zandopspuitingen of stranden van recreatieplassen. De bij komt ook voor in stedelijke gebieden, net als de hoofdgastheerbij, en vliegt vaak op composieten. De volwassen vrouwtjes overwinteren. De bij vliegt van eind maart tot eind september.

De Grote Spitstandbloedbij (Sphecodes puncticeps) is een koekoeksbij die bij de Biggenkruidgroefbij parasiteert. Deze bij komt voor op open plekken op een droge, zandige of lemige bodem, zoals bosranden, dijkhellingen, ruigten, schrale graslanden en wegbermen. Deze bij bezoekt vaak composieten. De volwassen vrouwtjes overwinteren. Deze bij vliegt van begin april tot eind oktober.

De Rimpelkruinbloedbij (Sphecodes reticulatus) is een koekoeksbij die bij de Witbaardzandbij, de Zilveren Zandbij, de Geelstaartklaverzandbij en de Matte Bandgroefbij parasiteert. De bij komt voor op open zandige terreinen, zoals droge heiden, duinen en opspuitingen. Deze bij bezoekt vaak composieten. De volwassen vrouwtjes overwinteren. Deze soort vliegt van begin mei tot begin oktober.

De Gewone Tubebij (Stelis breviuscula) is een parasiterende bij op de Tronkenbij en de Zwartgespoorde Houtmetselbij. Deze bij vliegt van eind mei tot half augustus. Het vrouwtje legt de eitjes in de met stuifmeel voorziene celletjes van de gastheerbijen en garandeert zo het nageslacht. De bij wordt vaak aangetroffen in de buurt van nestplaatsen (boomstammen, nestblokken, nestkasten met rietstengels en weipalen) van de gastheerbijen. Deze bij verzamelt nectar van verschillende plantensoorten.

De Zwarte Tubebij (Stelis phaeoptera) is een parasiterende bij op de Rosse Metselbij, de Kauwende Metselbij, de Zwartbronzen Metselbij en de Grote Wolbij. Deze bij vliegt van eind mei tot half augustus. De bij komt voor langs bossen, op houten balken, en dergelijke, op de plaatsen waar de gastheerbijen nestelen. De soort overwintert als larve in een cocon.

De Geelgerande Tubebij (Stelis punctulatissima) is een koekoeksbij van eind mei tot eind augustus voorkomt in allerlei verschillende biotopen, maar vooral in dorpen en steden, waar deze soort vooral op nestblokken en vaak op bloemen wordt aangetroffen. De soort parasiteert bij voorkeur op de Grote Wolbij, maar ook op de Slangenkruidbij, de Zwartbronzen Metselbij en de Kauwende Metselbij. Alle gastvrouwbijen nestelen bovengronds, dus zullen de larven van deze tubebij ook voorkomen in bovengrondse broedcellen. De bij bezit als koekoeksbij geen verzamelapparaat. De larven ontwikkelen zich veel sneller dan de larven van de gastvrouw. Bij het uitkomen van de larve van de Tubebij zal deze het eitje van de gastvrouw opeten en zich vervolgens voeden met pollen. Deze bij bezoekt verschillende bloemen, maar vertoont een voorkeur voor composieten.

De Blauwzwarte Houtbij (Xylocopa violacea) is een zeldzame soort, die eerder door introductie in Vlaanderen is terecht gekomen. Het is een zeer grote soort (20 tot 25 mm) met een snelle vlucht en een groot vliegbereik (10 km). Het nest wordt gemaakt in dood hout. Deze prachtige bij is een warmteminnende soort, die vaak wordt geïmporteerd met hout uit Zuid-Europa. Deze soort wordt dan ook vaak aangetroffen in de buurt van opslagplaatsen van hout. Volwassen mannetjes en vrouwtjes overwinteren en paren in maart- april. De vrouwtjes maken in het voorjaar een nest in dood hout, bestaande uit een 15 tot 30 cm lange gang met 15 kamertjes. Deze bij kiest hiervoor gedroogd en aan het zonlicht blootgesteld licht rottend hout, waarbij een voorkeur lijkt te bestaan voor afgestorven hout van fruitbomen, maar ook stammen van Berk, Kers en Lork worden gebruikt. In elke kamer wordt een stuifmeelvoorraad gebracht, waarop een eitjes wordt gelegd. Daarna wordt de kamer door een wandje afgesloten. De larven eten de voorraad op en verpoppen daarna meteen. Het eerste exemplaar knaagt zich door de dwarsband naar buiten. De vrouwtjes verwijderen zich vaak ver van hun nest. Ze kunnen het nest wel gemakkelijk terugvinden. Deze bij werd in 2014 in de Leuvense binnenstad aangetroffen. De bij bezocht er vooral bloeiende Wilde Kamperfoelie. De bij kan worden gezien van eind maart tot half oktober.