NATUURLEXICON


Dotterbloem

Caltha palustris



De Dotterbloem Caltha palustris groeit op zeer vochtige of natte plaatsen in weilanden, greppels en bosjes.

Deze plant draagt in april en mei helgele bloemen, die wel 5 cm in doorsnede kunnen meten. Ze bevatten tot 100 meeldraden. De 5 tot 8 stampers groeien na de bevruchting uit tot meerzadige kokervruchten. Bij regen blijven de bloemen open en vullen ze zich met water. Via dit regenwater wordt het stuifmeel op de stempels gebracht. We noemen dit regenbestuiving. Ook de bezoekende insecten zorgen voor de bestuiving.

De plant wordt tot 60 cm hoog. De bladeren zijn hartvormig, donkergroen en glanzend.

De bloemen worden voor de nectar en het stuifmeel bezocht door kevers, vliegen, bijen en het vlindertje Dotterbloemoermot Micropterix calthella, dat met zijn kaken de helmknoppen aanbijt om het stuifmeel te kunnen opeten.

Volwassen Primulagitjes Cheilosia antiqua (zweefvliegen) komen vaak op deze plant voor.

De Dotterbloem is een giftige plant. Bij drogen verliest ze de giftigheid. Inname van deze plant door paarden leidt tot spijsverteringsstoornissen en neurologische symptomen zoals stuipen en evenwichtsverlies. De behandeling zal symptomatisch zijn.   

De zogenaamde Spindotter Caltha palustris ssp. araneosa wordt beschouwd als een ondersoort van de Dotterbloem. Deze ondersoort is forser gebouwd en vormt in de bloeistengels nieuwe uitlopers met een kluwen van wortels (de spin). Deze wortels laten los in de winter en drijven bij hoge waterstanden een eind weg waardoor de plant zich verspreidt. De wortels groeien op een nieuwe standplaats uit tot een volwaardige plant. De groeiplaatsen van de Spindotter zijn schaars en zullen vooral te situeren zijn in getijdengebieden, langs kreken, in natte wilgenbossen en in drassige rietlanden en graslanden. Ook de Spindotter bloeit in april en mei.


Home