NATUURLEXICON


Oranjetipje

Anthocharis cardamines   


Het Oranjetipje Anthocharis cardamines is een dagvlinder met een lengte tot 25 mm en een spanwijdte tot 45 mm. De mannetjes hebben grote, oranje vleugeltoppen. De vrouwtjes lijken op Koolwitjes Pieris species en hebben een grijze of zwarte vlek in de voorvleugels. De onderkant van de achtervleugels heeft bij beide geslachten een gemarmerde groenige vlektekening, die een goede camouflage biedt.

Deze vlinder bewoont vochtige gras- en hooilanden in bosrijke gebieden, maar komt ook voor in beschutte tuinen of parken waar de waardplanten voorkomen. De vlinder vliegt in één generatie per jaar van maart tot juni, met een piek tussen 20 april en 10 mei. De soort is vrij honkvast.

De eitjes worden afzonderlijk afgezet op of vlakbij de bloemen van vooral Look-zonder-Look Alliaria petiolata, Pinksterbloem Cardamine pratensis, Wilde Judaspenning Lunaria rediviva, Bittere Veldkers Cardamine amara en Herik Sinapis arvensis. In tuinen worden ook eitjes afgezet op onder meer Tuinjudaspenning Lunaria annua.

Al deze waardplanten behoren tot de familie van de kruisbloemigen. Ze bevatten glucosinolaten, dit zijn scherp smakende stoffen die alleen door gespecialiseerde dieren kunnen worden verteerd.

Per plant wordt slechts één eitje afgezet. Bij het afzetten van het eitjes wordt een geurspoor achtergelaten zodat andere vrouwtjes (of het vrouwtje zelf) weten dat daar reeds een eitje werd gelegd.

Het vrouwtje legt in de regel ook maar slechts één eitje per plant. Een plant biedt immers maar voldoende voedsel voor één rups. Bovendien eet de eerste rups die is uitgekomen na haar eigen eiomhulsel ook eventuele andere aanwezige eitjes op. De planten met de meeste bloemhoofdjes genieten de voorkeur voor de eileg. Deze planten zullen namelijk veel voedsel voor de rupsen opleveren. Tegen de tweede helft van mei kunnen de eitjes en de rupsen op de waardplanten worden aangetroffen.

De eitjes zijn wit maar verkleuren na een dag naar oranje. De rupsen voeden zich met andere vlindereitjes die ze aantreffen op de plant, met zaadknoppen, bloemknoppen, bloemen en bladeren van de waardplant. Eerst worden de bloemblaadjes gegeten.

De rupsen bezitten gevorkte haren die een vloeistof produceren die bij mieren in trek is.  Ze zijn blauwig groen en hebben een bleke zijband. Ze hebben kleine, zwarte stipjes.  

Vaak zijn de rupsen het slachtoffer van sluipwespen van het genus Trichogramma en Apanteles en van sluipvliegen van het genus Phryxe. De volgroeide rups verlaat de waardplant en zoekt in de omgeving een geschikte plaats om te verpoppen. De poppen hangen aan een stengel dicht bij de bodem. Ze zijn slank en aan de kopzijde merkbaar uitgerekt en puntig gebogen, zodat ze op een bruinbeige doorn lijken. De rupsen verpoppen zich bij voorkeur op Braam Rubus fruticosus, omdat de pop op een doorn lijkt. Als echter alle bramenstruiken zijn weggemaaid of de bramenruigte staat te ver, is de sterfte onder de slecht gecamoufleerde poppen hoog, en mogelijk is dat funest voor de populatie. Vandaar het belang voor deze vlinder van struiken, bosranden en ruigten.

Sommige poppen overwinteren 2 jaar. Mannetjes sluipen een week vroeger dan de vrouwtjes uit de pop en leggen grotere afstanden af. De vrouwtjes blijven vrijwel steeds in de omgeving van de waardplanten.  

De mannetjes besteden heel wat tijd aan het rondvliegen op zoek naar een vrouwtje. Het mannetje volgt vaak een vaste route langs bosranden, houtwallen, bermen en dit meerdere keren per dag. De vrouwtjes vliegen vooral boven ruige graslanden en open bosplekken, maar komen ook in tuinen.

Home