NATUURLEXICON


Rosse Metselbij

Osmia bicornis


De Rosse Metselbij Osmia bicornis is een zeer algemene donkerbruine bij met een groene metaalglans.

Het vrouwtje heeft een overwegend zwart gezicht en 2 hoorntjes op de kop. Het vrouwtje heeft rosse haren op de voorkant van de kop. Het borststuk is bruingeel tot grijsbruin behaard. Tergieten 1 tot 3 zijn oranje behaard; tergieten 4 tot 6 meer zwart. Het vrouwtje heeft lange rosse haren op de buikzijde van het achterlijf.

Het mannetje heeft langere antennes dan het vrouwtje. Het mannetje heeft witte haren op de voorkant van de kop en mist de lange buikharen en de kophoorntjes. De 2 laatste achterlijfssegmenten van het vrouwtje zijn zwartbehaard.

Deze bij meet tot 12 mm en komt van maart tot juni voor op open plekken met nestmogelijkheden, ook in stedelijke gebieden. Deze bij vliegt op verschillende bloemen, onder meer Hondsdraf Glechoma hederacea, Winterbloeiende Heide Erica carnea, Gewone Smeerwortel Symphytum officinale, Duinroos Rosa pimpinellifolia, Kruipende Boterbloem Ranunculus repens, Leeuwentand-soorten Leontodon species, Madeliefje Bellis perennis, Grauwe Wilg Salix cinerea, Slangenkruid Echium vulgare en Veldhondstong Cynoglossum officinale.

Als nestplaats geeft deze bij de voorkeur aan langwerpige, holle ruimten met een doorsnede van ongeveer 5 à 7 mm, meestal 1 tot 2 m boven de grond. Ze vindt deze plaatsen onder meer onder vensterbanken, in sleutelgaten en in blokken met voorgeboorde gaten. Een bundel bamboestokjes op een droge plek kan ook worden gebruikt door deze bij.

Deze soort speelt mogelijk een belangrijke rol als bestuiver van bijvoorbeeld Luzerne Medicago sativa en fruitbomen zoals Appel Malus domestica (economisch belang). Deze bij heeft namelijk een bestuivingsefficiëntie van ongeveer 100 Honingbijen. Een honderdtal Rosse Metselbijen hebben dus een vergelijkbare bestuivingsefficiëntie van één volk Honingbijen. Het aanbod van geschikte nestgelegenheid voor deze Rosse Metselbij is een beperkende factor. Het bijplaatsen van nestgelegenheden (bijvoorbeeld nestkasten met bamboestengels die met leem aan de achterkant zijn vastgezet) kan ervoor zorgen dat de populatie zich snel uitbreidt.      

In bossen maakt de Rosse Metselbij de broedgangen ook in spleten en verlaten vraatgangen van andere insecten in dood hout.

Vaak wordt genesteld in groepen, maar elk vrouwtje staat in voor het eigen nest. Met leem wordt nauwgezet door het vrouwtje een broedkamertje gebouwd in de gevonden holle ruimte. De gebouwde ruimte wordt gevuld met stuifmeel en nectar en er wordt een eitje in gelegd. Daarna wordt de plaats door middel van een lemen wandje afgesloten. Het vrouwtje maakt vervolgens ernaast op dezelfde manier een aantal  nieuwe broedkamers en sluit tenslotte het geheel af met nog een extra leemwand. De uitgekomen larven voeden zich met het stuifmeel en de nectar. Na een vijftal weken verpoppen ze in een cocon. De uitgekomen bijen blijven evenwel overwinteren in de cocon.

Het vrouwtje komt vaak af op vers uitgegraven, nog tamelijk vochtige aarde voor de nestbouw. Ze haalt ook nestmateriaal (zoals aarde of zand met kleikorrels) bij verzakte slootkanten of wortelvoeten van recent omgevallen bomen (vochtig genoeg) en keert daar meermaals terug naar de door haar gegraven gangen (groeve). Als het oppervlak droger wordt, gaat het vrouwtje ondergronds “kleiballetjes” maken.  

Het is een gastheerbij voor de Zwarte Tubebij Stelis phaeoptera.

Bekende parasieten bij deze bij zijn de Gewone Goudwesp Chrysis ignita en de Bonte Knotswesp Sapyga quinquepunctata

Ook de Muurrouwzwever Anthrax anthrax (vlieg) parasiteert bij deze bij.  

De fruitvlieg Cacoxenus indagator is een voedselparasiet bij deze soort.

De mijt Chaetodactylis osmiae komt vooral voor in de nesten van deze bij als de nesten te vochtig worden. De mijt voedt zich met het larvenvoedsel en afval en tast de eitjes zelf niet aan.

Home