NATUURLEXICON



Stad en natuur zijn geen gescheiden werelden; de stad is een modern ecosysteem; de stadsnatuur een apart natuurtype. De stad herbergt verschillende biotopen. Natuur in de stad komt niet alleen voor in de parken of de bloeiende bermen en oevers. Dieren en planten kunnen overal leven, zelfs op plaatsen waar je het niet verwacht. De stad biedt verschillende biotopen op een klein oppervlak en is daarmee een veelzijdiger leefgebied dan het gebied buiten de stad. Het is die variatie die zorgt voor de soortenrijkdom van een stad.

Een stad bestaat in grote lijnen meestal uit buitenwijken, industrie, sport- en recreatiecentra, de binnenstad, stadswijken, graslanden en parken. Verder is er in de stad ook heel wat water te vinden zoals rivieren, grachten, grote stadsvijvers en verschillende kleine tuinvijvers.

We hebben de stad verdeeld in 20 soorten biotopen, elk nog eens verdeeld in 2 subbiotopen. Deze onderverdeling is arbitrair, want in werkelijkheid lopen de verschillende biotopen gedeeltelijk in elkaar over.

20 biotopen… 40 subbiotopen


Home


- Dossier -

Stadsnatuur


- Deel 3 -

De verscheidenheid aan biotopen

Terug naar de startpagina van dit dossier



1. De PARK-biotoop: stadsparken en grote stadstuinen

 

Stadsparken en grote stadstuinen zijn voor zowel dieren als mensen oasen van rust te midden van al het stadsgewoel. Ze zijn alleen al omwille van hun oppervlakte en hun verzamelingen van verschillende soorten enorm belangrijk voor de stedelijke biodiversiteit. Hun natuurwaarde wordt nog vaak onderschat. Om maximale kansen voor een hoge soortenrijkdom te creëren, moet men bij de parkinrichting en het beheer wel met een aantal aspecten rekening houden. De parkgebruiker blijft hierbij centraal staan, maar de natuur moet ook een kans krijgen. Deze kans wordt onder meer geboden door een gevarieerde structuur. Stadsparken kunnen meer natuurgericht worden beheerd door middel van een aangepast en gediversifieerd maaibeheer in functie van bloemrijke hooilanden, een bosbeheer dat gericht is op het verhogen van de structuurdiversiteit en een groter aandeel staan en liggend dood hout en een goed slibbeheer van de vijvers. Mits grote stadstuinen zoals heemtuinen en kruidtuinen op een natuurvriendelijke manier werden ingericht en beheerd, kunnen deze prima dienen om inspiratie op te doen om ook de eigen particuliere tuinen ecologischer in te richten.

Stadsparken

Stadsparken zijn groene ruimtes waar bij de aanleg, de inrichting en het beheer sociaal-recreatieve en/of esthetische overwegingen overheersen en waar gelijktijdig verschillende andere functies kunnen worden vervuld, zoals recreatieve, educatieve, economische, cultuurhistorische, landschappelijke, wetenschappelijke, ecologische, organismenbeschermende en milieubeschermende functies. Ze bestaan doorgaans uit open gedeelten waaronder waterpartijen, grasvelden, bloemperken, wandelwegen en andere infrastructuren en een afwisseling van bosgedeelten en/of gedeelten begroeid met bomen, heesters en kruidachtige gewassen.

Natuurgerichte maatregelen in de stadsparken spitsen zich toe op de fauna en de flora, de natuurlijke processen, de biodiversiteit, de landschapselementen en de aandacht voor het gebruik van geschikte natuurvriendelijke planten.

Stadsparken kenmerken zich door veel hoge bomen. Vaak zijn het oude, bijzondere bomen of monumentale bomen van vreemde afkomst. Deze bomen zorgen soms voor een indrukwekkende vleermuispopulatie en een opvallende variatie in vogelsoorten, zelfs in kleinere parkjes midden in de stad. In de onderbegroeiing van de bosachtige delen in parken vinden we soms typische oud-bossoorten als Daslook. Pergola’s met rozen wisselen af met vijvers met fonteinen. De gazons zijn vaak kort gemaaid.

Stadsparken zijn doorgaans kunstmatig aangelegde bomengroepen en struiken, afgewisseld met grasvelden, bloemenperken en waterpartijen. De eerste parken waren oorspronkelijk aangelegd als kasteel-  of landgoeddomeinen en waren dus zelden in de stad gelegen. Hoewel een aantal tuinen in de stad reeds vroeger een openbaar parkkarakter kregen, was het vooral op het einde van de negentiende eeuw dat parken een vaste waarde werden bij de stadsurbanisatie. Parken kregen een recreatieve waarde voor de stedelingen. Aan de rand van steden wedijverde de adel met de rijke burgerij om hun buitengoed, landgoed of kasteeldomein te voorzien van een Engelse of Franse tuin. Door de latere stadsuitbreiding kwam een aantal van die kasteelparken en domeinen uiteindelijk wel binnen de stad te liggen. Intussen zijn een aantal van die parken openbaar domein. Deze mooie tuinen werden immers graag door de stad opgekocht en omgevormd tot een openbaar stadspark (zie ook bij de LANDGOED-biotoop).

Vanaf het einde van de achttiende, maar vooral in de negentiende eeuw werden verschillende nieuwe stadsparken aangelegd. Ook in de twintigste en in de huidige eeuw werden en worden nog nieuwe stadsparken aangelegd. In de loop van de geschiedenis wisselden 2 hoofdvormen elkaar in een aantal varianten en combinaties af, namelijk de formele (geometrische) aanleg en de semi-natuurlijke (natuurimiterende) aanleg. In de middeleeuwen bevonden de tuinen zich binnen de veilige muren van kastelen en kloosters. In die tuinen werden groenten of geneeskrachtige planten gekweekt. Soms waren er ook boomgaarden en grasvelden (priëlen) aangelegd. Er waren bronnen en waterputten. De sierbeplantingen beperkten zich tot enkele planten met een hoge symbolische waarde, zoals rozen. In de renaissance werd op het stramien van de middeleeuwse tuin verder gewerkt, maar de kasteelmuren verloren hun beschermende functie en de tuinen werden groter. De percelen bleven geometrisch maar vertoonden ingewikkelder patronen. De tuin en de planten kregen meer een genotsfunctie. In de zeventiende eeuw waren vooral tulpenbollen populier. De tuinen werden continu aan de veranderende smaak en inzichten aangepast. Het voorbeeld van de tuin van Versailles werkte inspirerend in heel Europa. De zeventiende-eeuwse baroktuinen kenden een enorme schaalvergroting, waar men met de tuinen zowat het borduurwerk uit die tijd imiteerde. In de achttiende eeuw begon men het “wilde” ongerepte landschap te waarderen, ook via de schilderkunst en de dichtkunst. Men wilde dat de tuin één werd met het omringende landschap. De zogenaamde “Engelse landschapsstijl” waaide over naar het Europese vasteland. Er werden op verschillende plaatsen uitgestrekte parktuinen aangelegd, waarbij men soms zelfs Chinese elementen verwerkte.

Deze Engelse landschapsstijl werd gekenmerkt door slingerende paden, een flink reliëf, meanderende vijvers, bomen, struiken, kruidachtige planten en een afwisseling tussen open gazons en gevarieerde boomgroepen. Er zijn lange zichtassen met soms opvallende blikvangers. Oude parken herbergen verschillende monumentale bomen, waaronder we ook verschillende ingevoerde soorten vinden als Japanse Notenboom. De vijvers zijn vaak voorzien van fonteinen en in de parken staat doorgaans wel ergens een ouderwetse muziekkiosk of –tent.

Voorbeelden van stadsparken die werden aangelegd in de Engelse landschapsstijl vinden we onder meer in Brugge (Koningin Astridpark).

Het Park Vordenstein in Schoten (provincie Antwerpen) is een stadspark (voormalig kasteelpark) met zowel Franse rechtlijnige elementen als eerder Engels en natuurlijke aandoende plekjes. Men kan er in alle rust genieten van oude en merkwaardige bomen, open grasland, natuurlijke vijvers en een oranjerie.

Vanaf de achttiende eeuw werden steden ontmanteld en werden de vestingen, waar zich spontaan kruidachtige vegetaties hadden ontwikkeld, publieke wandeloorden. In de negentiende eeuw werden veel vestingen omgevormd tot publieke parken en groenstroken en ook deze werden in die tijd min of meer in de Engelse landschapsstijl aangelegd. Meestal werden ze dan wel enkel met bomen en heesters beplant. Rond heel wat steden zijn deze vroegere versterkingen geëvolueerd tot een bijzonder natuurgebied, vooral als dit bijzonder geschikt (wordt gemaakt) voor onder meer vleermuizen (Ieper, Antwerpen).

Het stadspark in Antwerpen is aangelegd op de restanten van een zestiende-eeuwse omwalling. Men vindt er gazons, monumentale bomen, vloeiend verlopende paden en een natuurlijk gevormde vijver. In de tweede helft van de negentiende eeuw werden parken vooral op deze manier aangelegd. Binnen dit concept kan er nog meer ruimte worden gecreëerd voor natuur. Het waterpeil van de vijver kan stabiel gemaakt worden, er kan een eiland worden gemaakt dat als rustplek kan dienen voor watervogels. Men kan de aanwezigheid van de Grote Brandnetel tolereren voor de vlinders en het beheer van de gazons, die normaal gezien strak gemaaid worden, wat natuurlijker maken, vooral langs het water. Elders in Antwerpen ontwikkelde zich op de restanten van een negentiende eeuwse stadsomwalling het ruige natuurgebied Wolvenberg. Dit is een stedelijk natuurgebied met dichte struwelen, open grasland en een grote vijver. Het gebied ligt zeer dicht bij de Ring van Antwerpen.

Het grootste aaneengesloten stuk groen van de binnenstad van Brugge wordt gevormd door de oude vestingwallen (De Vesten). Deze oude verdedigingswerken zijn een “groene wandeling” van 7 km lang. De Vesten zijn beplant met ruim 3500 bomen.

Doordat stadsparken de ruimte bieden om veel en vooral grote bomen aan te planten en de gelegenheid krijgen om oud te worden, herbergen ze vaak monumentale oude bomen zoals Eik-soorten, Beuk, Esdoorn-soorten, Haagbeuk en Gewone Es. Deze bomen kappen betekent minstens 50 jaar wachten op een gelijkwaardig exemplaar. In stadsparken vinden we vogels als Winterkoning, Boomkruiper, Tuinfluiter, Tjiftjaf en Zwartkop.

De negentiende eeuw bracht een synthese van beide tuinvormen: formalisme en natuurlijkheid. Kronkelende paadjes en formele bloemenperken wisselden elkaar af in de parken. Veel van die (kasteel)parken werden via stadsuitbreiding “opgeslokt” door de stad, zoals het Boekenbergpark te Deurne. Er werden ook nieuwe openbare parken aangelegd voor de stedelijke burgerij, zoals het stadspark te Antwerpen en het Citadelpark te Gent. Oude vestingen werden soms vervangen door bomenlanen. Het toegenomen autoverkeer deed ondertussen veel van die bomenlanen verdwijnen. In de negentiende eeuw werden dankzij de ontwikkeling van de glasnijverheid en de metaalbouw grote serres gebouwd, waarin eenjarige warmteminnende plantensoorten versneld konden worden gekweekt. Hierdoor werd de toepassing van felgekleurde perkplanten populair (Astridplein Antwerpen, Sint-Annaplein Gent).

Rond de overgang naar de twintigste eeuw kwamen de vaste-plantenborders in opmars, maar in de openbare parken bleven ze een uitzondering, waarschijnlijk door het arbeidsintensieve karakter ervan. Na de Tweede Wereldoorlog werden grote kleurcontrasten nagestreefd met zowel bladverliezende soorten als coniferen. Vele moderne parkjes rond openbare gebouwen getuigen nog van die parkstijl. Naar het einde toe van de twintigste eeuw wonnen de inheemse en streekeigen planten aan populariteit. Deze trekken meer inheemse diersoorten aan, maar een belangrijke reden was ook dat deze minder onderhoud vergden en beter konden gedijen.

De stadsparken van de eenentwintigste eeuw mogen gerust een mengelmoes blijven van de verschillende vormen van het verleden. Het nastreven van inheemse en streekeigen planten is in een stad weinig zinvol. Veel nieuwe stadsplanten zijn zuiderse soorten of zijn via transport in de stad terechtgekomen. Deze uit de stad weren is niet alleen een onbegonnen zaak, maar dragen deze soort bij tot kleur en variatie in de stadsnatuur. Enkel wanneer bewezen vaststaat dat die “exoten” een ernstige bedreiging vormen voor andere soorten is een aanpak verrechtvaardigd. Slechts een handvol soorten komen hier tot nu toe voor in aanmerking.

In veel natuurgebieden in de buitengebieden zijn de bossen nog relatief jonge loofhoutaanplantingen. Ze hebben nog niet de typische gelaagde structuur van een bos, waarin we een kruidlaag, een struiklaag en een boomlaag kunnen onderscheiden. Er heeft zich ook nog geen bosbodem ontwikkeld. Oude loofbossen (of resten ervan) vinden we dan weer wel in veel openbare parken. Daar vinden we dan ook typische oud-bosplanten en voorjaarsflora (stinzenplanten) zoals de Wilde Hyacint. Oude bomen zijn voor roofvogels, holenbroeders en vleermuizen van groot belang. In parken met een oud bosgedeelte zullen we ook typische vogelsoorten van oude bossen aantreffen zoals Zwarte Specht, Boomklever en Fluiter.

In de stadsparken vinden we tal van oude bomen zoals Zomereik, Amerikaanse Eik, Witte Paardenkastanje en Beuk. Oude bomen oefenen een grote aantrekkingskracht uit op vleermuizen en vogels. Het creëren van dichte overgangen tussen bos en lage vegetaties zoals bloemrijke graslanden door middel van zogenaamde mantel/zoom-vegetaties bevordert de vogelrijkdom. Deze overgangsvegetaties zijn nog onderheving aan de invloed van het nabije bos zoals beschaduwing, bladval en windluwte. Bloeiende struiken zijn zeer aantrekkelijk voor vlinders. In stadsbossen die jaren geleden werden aangelegd groeien even veel, zoniet zelfs nog meer, soorten als in loofbossen in de buitengebieden. Men vindt er vele mycorrhizavormende zwammen. Ook aangeplante soorten blijven er zich handhaven, zoals Bleeksporig Bosviooltje. Men vindt er ook soorten die vroeger waarschijnlijk zijn ontsnapt uit heemtuinen of kloostertuinen.

Vanuit stadsbossen verspreiden zich bosvogels, planten en zwammen over de omgeving. De jongen van bijvoorbeeld Bosuilen komen terecht in de kleinere parken in de binnensteden. Vooral de bossen op kleigrond herbergen vaak bijzondere soorten, doordat de natuur elders vaak genoegen moet nemen met armere zandgronden. In voedselrijke bossen groeien de bomen snel en is er een overdadige ondergroei van struiken en kruiden. In voedselrijke stadsbossen vinden verschillende vogels zoals Appelvink, Boomklever, Groene Specht en Grote Bonte Specht een plek.

In de ruige onderlaag van oudere parkbossen komen er verschillende zoogdieren voor. De strooisellaag is bovendien rijk aan kevers en andere insecten. In deze bossen kunnen er regelmatige dunningen gebeuren. Men kan er ook open plekken creëren en poelen aanleggen.

Een stadspark is in de stad de uitgelezen plaats waar de bomen oud kunnen worden, rustig kunnen afsterven en na het afsterven als dood hout nog aanwezig blijven.  Want dood hout is een essentieel onderdeel voor het behoud van de diversiteit en de werking van het bosecosysteem. Het is dus van levensbelang voor het evenwicht van het bos. Het regenereert de humus waarvan het de belangrijkste bron is, en zorgt aldus voor de voeding van bodems en hun productiviteit. Het biedt voedsel en beschutting aan tal van soorten zoals zwammen, weekdieren, insecten, holenbroeders en vleermuizen. Men laat dus beter staand dood hout met rust, behalve indien dit een gevaar zou betekenen voor de bezoekers. Ook dode takken laat men beter gewoon liggen in het stadsbos. Een aantal open lichtrijke plekken in het bos zorgt wel voor variatie en dus ook meer soortenrijkdom. Er moeten ook kansen worden geboden voor een natuurlijke verjonging.

In stadsparken moeten de meeste plekken goed bereikbaar zijn voor mensen, maar niets belet dat er toch plekken worden voorbehouden voor bijzondere soorten en dus worden afgeschermd en ontoegankelijk gemaakt voor mensen. Door betreding van de bosgebieden te voorkomen of te beperken kunnen bosplanten en bospaddenstoelen zich uitbreiden. Mantelstruwelen (dichte overgangen tussen bos en open terrein) trekken vogels en vlinders aan.

Gazons in de stad lijken oppervlakkig gezien op weilanden, maar door een anderssoortig beheer groeit er een andere flora. Soorten die in weilanden achteruitgaan, staan volop in extensief beheerde graslanden in de stad. Veel grasstroken en grasvelden in stadsparken worden wel nog te veel als gazon beheerd. Er wordt het hele jaar door in verschillende rondes gemaaid, waardoor het gras kort blijft. Een getrimde grasmat is geen pluspunt voor de biodiversiteit. Slechts een handvol plantensoorten, zoals het Madeliefje, kan zich bij dergelijk beheer handhaven. Een doorgedreven gazonbeheer dat over de hele oppervlakte van een park wordt toegepast, maakt de ontwikkeling van gevarieerde en structuurrijke vegetaties onmogelijk.

Men maakt van deze graslanden beter hooilanden. Het hooi kan worden gebruikt als veevoer. Door het hooien zal de bodem schraler worden en ontstaan er dus kansen voor andere planten. Het hooiland wordt op die manier een oase van bloemen, die op hun beurt meer dieren aantrekken. De aanwezigheid van bloemen kan men nog aanmoedigen door zaadmengsels in te zaaien. Het maaibeheer kan men afstemmen op de groeisnelheid van de planten. Bij het maaien wordt rekening gehouden met de waardplanten van vlinders. Als men jaarlijks 20 tot 30 % van de oppervlakte niet maait, hebben de aanwezige dieren nog “uitwijkmogelijkheden”. Ook zonder zaadmengsels zullen er bij een aangepast maaibeheer al verschillende plantensoorten aanwezig blijken te zijn, zoals Koninginnekruid en Ooievaarsbek-soorten. Deze spontaan opkomende soorten zijn doorgaans nog aantrekkelijker voor vlinders en bijen.

Waardevolle graslanden komen doorgaans voor in stedelijke natuurreservaten en worden veelal aangeduid met de term “meersen” in hun naam. Een voorbeeld hiervan zijn de Bourgoyen-Ossemeersen te Gent. Maar ook in de steden, meerbepaald in de stadsparken en grote stadstuinen komen meer en meer waardevolle graslanden voor. In grote stadsparken wordt meer en meer ruimte voorbehouden voor hooilandvegetaties met ruigere randbegroeiingen waar dieren zich in kunnen verschuilen. Ook bloemrijke graslanden komen vaker voor in stadsparken. Vooral waar grasvelden geleidelijk afhellen naar een vijver kan hooilandbeheer bloemrijke vegetaties doen ontstaan. Als men in het stadspark toch (klassieke) gazons wil behouden of delen als ligweide wil inrichten, dan worden deze best gefaseerd gemaaid, om de planten en dieren, die er zich alsnog in bevinden, voldoende (uitwijk-)kansen te bieden.

Er zijn heel wat mogelijkheden om een stadspark voor mens én natuur aantrekkelijker te maken. Een variatie in de beplantingen vergt minder beheer dan kort gemaaid gras of geschoren heesters. Bloemenweiden en pluktuinen met fruitdragende struiken hebben meteen ook een recreatieve functie. Een bomenweide bestaat uit op regelmatige afstand van elkaar geplante bomen met een ondergroei van vooral grassen. Eilandjes in vijvers kunnen ontoegankelijk gehouden worden; als rust- en broedgebied voor vogels. In grotere parken kan men vogelkijkhutten plaatsen.

In stadsparken kan men mooie bloemperken met verschillende rozensoorten aanleggen. Er kan een arboretum met bomen en struiken afkomstig van verschillende continenten worden aangeplant. Er kan in een stadspark een bomenroute worden uitgestippeld: een beschrijvende route die langs verschillende soorten monumentale bomen voert. Ook klassieke parkstruiken en inheemse kruidachtige planten kunnen hierbij worden belicht.

Parkvijvers zijn vaak voorzien van kunstmatige oeververstevigingen. Een dikke sliblaag en een te groot vis- en watervogelbestand zijn nefast voor de waterkwaliteit. Regelmatige slibruimingen bevorderen de groei van Fonteinkruid-soorten en kranswieren. Niet zelden liggen er in de parkvijvers eilandjes, die slechts met een bootje zijn te bereiken. Deze eilandjes kunnen mits wat ecologisch beheer worden ingericht als vogeleilandjes. De inheemse en exotische watervogels die in de winter in de vijvers en poelen in stadsparken leven, zijn voor veel stadsbewoners vaak de enige binding met de natuur.

Bodemdieren hebben vanwege de geïsoleerde ligging van stadsparken meer moeite om deze te bereiken. Groene verbindingen tussen stadsparken met andere ecologisch beheerde groene gebieden in de stad zijn daarom noodzakelijk. Parken kunnen tevens stadsboerderijen, klimaatkassen, bijenstallen, aquarama’s, kweekkassen voor oude groenten- en fruitrassen, kruidentuinen omvatten.

Bij de beplantingen in de natuurlijke bosgedeelten van stadsparken werden vroeger vaak exoten gebruikt waaronder monotone Sneeuwbes-bestanden en Laurierkers als ondergroei. Struwelen met exoten kunnen worden vervangen door inheems bosplantsoen met soorten als Sporkehout, Spaanse Aak, Haagbeuk, Hazelaar en Hulst. Struwelen kunnen ook gebruikt worden als overgang tussen boszone en grasland, ter vervanging van soms abrupte overgangen. In de parken komen vaak een aantal oude bosgedeelten voor met een mooie voorjaarsflora (Bosanemoon, Paarse Schubwortel, Wilde Hyacint) die echter sterk te lijden hebben onder betreding en een gebrekkig bosbeheer. Dode staande bomen kunnen worden behouden bij een (her)aanleg van paden. Takkenwallen kunnen kunnen worden aangelegd om het snoeihout te bergen. Het beheer van de graslanden werd vroeger vaak beperkt tot gazonbeheer alhoewel vaak heel wat hooilandrelicten de potenties van vooral de nattere stukken aantonen. Wanneer men van een grasland dat grenst aan een natuurlijke vijver het maaiveld verlaagt, kan men dit periodiek laten overstromen en toegankelijk houden door middel van houten vlonderpaden.

Stadsparken werden vooral vroeger ook voorzien van verschillende sportvoorzieningen. In het begin van de twintigste eeuw was men van mening dat de bevolking niet alleen meer naar buiten moest om rustig in het groen te vertoeven, maar dat er daarbij ook gesport moet worden. Zo zijn er vaak middenin een stadspark sportvelden, renbanen en atletiekcentra gelegen.

De mens vertoeft graag in een stadspark. Hij vindt er naast natuur vaak ook de gelegenheid om te sporten, zich te ontspannen, mensen te ontmoeten, te wandelen, gewoon te kuieren of te verpozen. Vaak zijn er speelpleintjes voor de kinderen of klimmuren.

Er is vrijwel geen enkele stad in Vlaanderen waar er geen enkel stadspark te vinden is. Deze stadsparken worden vaak druk gebruikt door de stadsbewoners en bezocht door toeristen.

Het Sint-Baafskouterpark in Gent is een natuurlijk beheerd park met een grootte van 14 ha. Het was voorheen een verwilderd volkstuinencomplex dat op een voormalige stortplaats werd ingericht. Er zijn zowel ingezaaide en extensief beheerde bloemrijke graslanden als strak gemaaide gazons. Vogels als Boomkruiper, Groene Specht en Braamsluiper hebben dit park al weten te waarderen. Bij het ontwerp van het park werd uitgegaan van de aanwezige natuur. Er werd op die manier een “prettige wildernis” gecreëerd. Een oude walgracht werd gerestaureerd en bestaande bomen en struiken werden behouden. Er was overleg tussen de ontwerper en buurtbewoners, kinderen, jeugdverenigingen en scholen uit de buurt. Het park bezit een hondenweide, een avonturenpark en diverse wandel- en fietspaden.

Het Maria Hendrikapark in Oostende is een 37 ha groot park dat in Oostende een verbinding vormt tussen het park, de stad en de zee. In de buurt staat het park bekend als “’t Bosje”. In het park werden speelplekken, een avonturenpark, graffitimuren, picknicktafels, grasvelden en een evenementenweide ingericht. Er zijn waterpartijen met een eilandje. Het bosgedeelte en de graslanden worden op een natuurlijke manier beheerd.

Het Spoor Noordgebied in Antwerpen is 24 ha groot. Er lag hier een eeuw lang een gigantische sporenbundel die lange tijd een wig vormde tussen de verschillende wijken. In 2005 werd deze site omgevormd tot een groene open ruimte. Een bewonersenquête toonde de drang aan naar groen, licht en ruimte. In nauw overleg met de buurtbewoners werd een park van 18 ha gemaakt en werden tal van speelmogelijkheden en sportieve en culturele voorzieningen ingericht voor zowel jongeren als ouderen.  


Grote stadstuinen

In grote stadstuinen zoals heemtuinen, heemparken en publieke planten- en kruidtuinen (“hortussen”) worden een zeer groot aantal soorten bomen, struiken en kruidachtige planten gekweekt. Het spreekt voor zich dat dit niet alleen een wetenschappelijke waarde heeft, maar een zeer grote meerwaarde betekent voor de natuur in de stad.   

Heemtuinen, ook soms heemparken genoemd, zijn verzamelplaatsen van inheemse planten. In deze heemtuinen groeien niet minder dan 500 plantensoorten. Door milieubouw, het aanbrengen van andere grondsoorten, het bouwen van muurtjes of het vernatten van de bodem door weggraven van de grond, groeien er ook planten die er van nature niet thuishoren. Door het natuurlijk beheer en de grote variatie profiteren veel andere organismen mee. De leefgebieden in een heemtuin kunnen prima dienen om inspiratie op te doen om ook de eigen tuin diervriendelijker in te richten. Een heemtuim bestaat namelijk uit veel meer soorten dan plantensoorten. Voor veel soorten is het goed toeven in dat stadse groen.

Een heempark is net als een gewoon park een architectonisch ontworpen park, maar voor de beplanting worden alleen inheemse planten gebruikt.

In de achttiende eeuw werden grote, publieke kruidtuinen met plantencollecties aangelegd. Deze tuinen of parken die nog bestaan herbergen plantensoorten die tuinhistorisch vaak belanrgijk zijn. Ze leveren immers een beeld van de ontwikkeling van het assortiment planten doorheen de tijd, zoals die door generaties tuiniers en kwekers werden ontwikkeld. Grote stadstuinen (of de restanten ervan) waren verbonden aan voormalige herenhuizen en begijnhoven. In de oude binnensteden van bijvoorbeeld Brugge, Gent en Leuven kennen we veel van deze tuinen die vaak een oase van rust zijn.

De Kruidtuin van de Stad Leuven (Hortus botanicus levaniensis) is de oudste botanische tuin van België. Deze grote tuin heeft een indrukwekkende verzameling bomen, heesters en kruidachtigen.

De Plantentuin van de Universiteit Gent omvat een arboretum, een medicinale tuin, een rotstuin, een tropische tuin, een muurvegetatie, een mediterrane tuin en een succulentenkas. De tuin telt ongeveer 10.000 plantensoorten.

De Plantentuin van de Stad Antwerpen telt zo’n 2000 merkwaardige of zeldzame planten en een varencollectie met alle inheemse varens.

Ook de tuinen rond publiek toegankelijke gebouwen kunnen voorzien worden van bomen, een rosarium, een kruidentuin en/of onderbegroeiingen van houtige soorten. Dichte heesterbeplantingen ontmoedigen betreding enzorgen voor nest- en schuilplaatsen  en kleur en variatie. Bloeiende heesters dragen sterk bij tot de sierwaarde. Er kan ruimte worden gelaten voor ruige hoekjes, hagen en klimplanten.

Brugge streeft ernaar om privé-groen dat vrijkomt zo veel mogelijk open te stellen voor gebruik door de inwoners. Veel van de openbare parkjes in de binnenstad zijn van oorsprong private tuinen, zoals Park Sebrechts en Hof De Jonghe. In Hof De Jonghe grazen er schapen in een hoogstamboomgaard.

In Gent wordt ernaar gestreefd dat elke Gentenaar op redelijke afstand van zijn huis een wijkpark of een groen recreatiegebied tot zijn beschikking heeft. Zo is Gent in Vlaanderen een voortrekker op het gebied van het zogenaamde “harmonisch park- en groenbeheer”. Men houdt hierbij rekening met de ondergrond, werkt gifvrij, gebruikt vaste planten en legt natuurlijke bloemenweiden aan.


2. De LANDGOED-biotoop: landgoederen en kloostertuinen

Landgoederen en kasteelparken werden vooral aangelegd in de achttiende en negentiende eeuw aan de rand van de steden. Door stadsuitbreiding in de 20e eeuw kwamen ze vaak binnen de steden te liggen. Ze werden vaak aangelegd in de toen heersende zogenaamde Engelse landschapsstijl. In veel gevallen kocht het stadsbestuur van zodra het kon deze binnen de agglomeratie vallende kasteelparken en landgoederen aan, waarna ze prompt werden omgevormd tot stadsparken. Ook een aantal vaak nog oudere kloostertuinen, meestal reeds daterend uit de middeleeuwen, kwamen op dezelfde manier in handen van de stad en werden ook open gesteld voor het publiek. Deze werden reeds besproken bij de PARK-biotoop. De niet tot stadspark omgevormde landgoederen en kloostertuinen bespreken we hier als de LANDGOED-biotoop. Het beheer zal hier geval per geval afhangen van de eigenaars van deze gebieden. Aangezien de functies ook anders worden ingevuld dan bij de stadsparken zal het beheer ook anders verlopen met als gevolg dat ze vaak een nog natuurlijker karakter vertonen dan de stadsparken en grote stadstuinen.


Landgoederen

Deze domeinen, waar geen of weinig intensieve onderhoudswerken worden uitgevoerd, vormen waardevolle biotopen die de nodige waardering verdienen. Oude ijskelders zijn belangrijk als kraamkamer en overwinteringsplaats voor vleermuizen. In die kelders heerst er namelijk een constante temperatuur (8 °C) en luchtvochtigheid.  De ruimtelijke variatie, gekoppeld aan het relatief extensieve beheer (afwezigheid van intensieve land- of bosbouw) over een lange periode, maakt dat in sommige van dergelijke domeinen interessante inheemse begroeiingen zijn ontstaan.

Door een geringe betreding van de bosgedeelten, het ontbreken van bodembewerking en het laten liggen van de afgevallen bladeren hebben veel bosplanten de kans gehad zich uit te breiden. Naast deze bosplanten vinden we in deze gebieden ook veel zogenaamde stinzenplanten.

Kastelen en landhuizen werden gebouwd op grote landgoederen. Deze landgoederen vormden grote parken die, afhankelijk van de tijdsperiode, werden aangelegd in renaissancestijl, barokstijl of landschapsstijl. In de zestiende en zeventiende eeuw was het assortiment sierplanten groot. Reizende botanici beïnvloedden in die periode sterk het gebruik van planten. In het begin van de negentiende eeuw breidde dat assortiment nog fors uit doordat het verzamelen van “vreemde planten” een echte rage werd onder het rijke volk. De verzorging van die planten was zeer intensief. Vanaf de helft van de negentiende eeuw werd het dure beheer meer en meer verlaten. De bonte mengeling van sierplanten werd meer en meer aan het lot overgelaten. Daardoor verdwenen tal van soorten opnieuw. Maar andere soorten hadden zich aan de lokale omstandigheden aangepast en gingen zich spontaan uitbreiden.

Ook de zogenaamde stinzenplanten zijn eigenlijk relicten van deze vroegere sierbegroeiingen. Ze hebben meestal een kalkrijke en humusrijke bodem nodig, waarin voldoende schimmels steken om de voeding uit de bodem te kunnen opnemen. De bodem zal veelal luchtig genoeg zijn, goed voor de wortels en de mierennesten. Want mieren zorgen vaak voor de verspreiding van de zaden. De bodem mag niet te vaak belopen of bereden worden. Men zal niet te vroeg maaien om de zaadvorming mogelijk te maken.  

Landgoederen zijn vaak bijzonder: ze zijn oud, hebben een weloverwogen structuur en de natuur wordt er wonderwel beschermd. De tijd en de natuur gaan hier hand in hand. Ze zijn vaak voorzien van imposante oprijlanen met monumentale Eik- en Linde-soorten en Beuken. Bomenlanen in landgoederen in de stad kunnen fungeren als groene assen door de stad. Deze groene lijnen zijn belangrijk voor vleermuizen, die bomenlanen als routes gebruiken bij hun nachtelijke zoektochten naar voedsel. Landgoederen herbergen behalve vleermuizen vaak ook een groot aantal andere zoogdieren zoals Eekhoorn, Konijn, Wezel en Bunzing. Aangeplante exemplaren Pontische Rhododendron zorgen voor extra kleur in de bos-gedeelten. Men vindt er vaak bijzondere korstmossen en zwammen.

In de achttiende eeuw werden veel sterrenbossen aangelegd. De naam verwees naar de padenstructuur in het bos, die bestond uit stralen rondom een centraal middelpunt. Vandaar kon men tijdens de jacht heel handig op alle paden het overstekende wild zien.

Oude landgoederen en kasteeldomeinen lagen vroeger buiten de stad, maar vormen nu de groene longen in het stenige stadsweefsel. In de oude kasteeldomeinen van Brugge zijn er zelfs nog kleine stukjes heide met Gewone Dophei en Struikhei.


Kloostertuinen

In middeleeuwse kloostertuinen werden tuinen met kruiden voor medicinaal gebruik of voor de keuken aangelegd. Deze tuinen waren meestal centraal gelegen met er omheen  de kloostergebouwen. De kruidentuin had vooral een geneeskundige functie. Doordat teksten uit de Romeinse en Griekse tijd vooral in kloosters werden bewaard, was er in de middeleeuwen binnen een aantal kloosters een voor die tijd redelijke geneeskundige kennis aanwezig. Planten met een geneeskrachtige werking werden in de kruidentuinen van de kloosters gekweekt. De medicijnen uit deze planten waren voor de lokale bevolking belangrijk. Daarnaast bestond de vroegmiddeleeuwse kloostertuin ook vaak uit een moestuin en een boomgaard. Deze tuinen hadden in de middeleeuwen ook allerlei religieuze bijbetekenissen.

Vanaf de dertiende eeuw werden godshuizen en begijnhoven opgericht. Godshuizen werden door welstellende particulieren of gilden gebouwd voor behoeftige bejaarden en weduwen. In de begijnhoven woonden vrouwen in een gemeenschap die in haar eigen behoeften kon voorzien. Godshuizen en begijnhoven hadden naast een kruidentuin met medicinale kruiden en keukenkruiden soms ook een bleekweide, een moestuin en een bloementuin. De tuin was soms opgedeeld in kleine lapjes grond, waar bewoners wat groenten konden kweken. Ze waren dus een soort voorlopers van de huidige volkstuincomplexen.


3. De PERK-biotoop: perken en plantsoenen

Perken en plantsoenen leunen dicht aan bij stadsparken; ze maken ook deel uit van het stedelijk groen, maar zijn veel kleiner in oppervlakte. Door de beplanting met bomen, heesters en kruidachtige planten trekken deze groenelementen heel wat dieren aan.


Perken

Perken zijn kleine afgezoomde of afgebakende terreintjes in de stad die meestal worden beplant met bloeiende kruidachtige planten, zoals gecultiveerde rozen. Een perk kan ook worden aangelegd rondom een buste van een bekend persoon of een standbeeld geplaatst op een klein terrein. Het kan ook een mozaïek zijn van bloemen die de beeltenis vormen van het wapenschild van de stad of de naam van de gemeente.

Perken zijn meestal ingeplant met rozenstruiken, heesters en bodembedekkers; Naast kruidachtige planten worden ook houtige planten gebruikt. Het gebruik van kruidachtigen in combinatie met rozen zorgt voor onkruidonderdrukking; ze brengen ook meer kleur in het geheel.


Plantsoenen

In de negentiende eeuw werden naast nieuwe stadsparken ook heel wat kleinere plantsoenen in de stad aangelegd. Bij monumenten worden vaak kruidachtigen gebruikt ter verfraaiing en accentuering. Opvallende, kleurrijke beplantingen vestigen de aandacht op het monument. Rond oorlogsmonumenten worden veelal witbloeiende planten, wintergroene planten of soorten die bloeien rond gedenkdagen aangeplant. Meestal worden planten met een hoge sierwaarde of met een symbolische betekenis gebruikt.

Ruimte voor veel plantsoenen is er in de binnenstad niet. In plantsoenen komen allerlei stikstofvolgers voor. Deze stikstofminnende soorten zijn kenmerkend voor agrarische gebieden en gedijen in het stedelijk groen door de lokale verrijking van de grond met organisch materiaal. Het gebruik van houtsnippers in plantsoenen heeft ook een toename van soorten als de Gewone Beurszwam tot gevolg.

Plantsoenen moeten ruimte bieden aan stadsnatuur. Eigenlijk zouden ze daarvoor moeten dienen. Ze moeten zichtbaar zijn en bereikbaar. Ingezaaide bloeiende planten zijn van belang voor vlinders, bijen en andere soorten. De aanleg van een vak vaste planten kan goedkoper zijn dan een grasveld of een heestervak. Vaste planten hebben een sierwaarde, bodembedekkende eigenschappen, een grote belevingswaarde (variatie), een ecologische meerwaarde (voedsel, veiligheid, voortplantingsmogelijkheden) en ze zijn  milieuvriendelijk (langlevend, moeten niet beregend worden, weinig groenafval, geen machinaal beheer en geen pesticiden). Plantsoenen met (voor insecten) aantrekkelijk bloemen, watertuinen, begroeide pergola’s, groene wallekanten en monumentale bomen zijn groene juwelen op het kleed van de stad.  

De bedoeling van de zogenaamde “ecoplantsoenen” is om via het aanplanten van inheemse bloemen, de biodiversiteit op die plaatsen te verhogen. Inheemse planten hebben namelijk het voordeel dat ze door duizenden jaren evolutie perfect zijn aangepast aan de omstandigheden die bij ons heersen. Zij bouwen complexe relaties op met onder meer insecten, maar ook met bacteriën en schimmels. Het zijn relaties die planten uit andere continenten nog niet hebben opgebouwd met onze natuur. De redenering is dus dat meer organismen kunnen genieten van inheems plantengoed. Een ecoplantsoen bevat dus planten die niet alleen voedsel bieden voor bestuivende insecten zoals bijen en vlinders, maar ook voor de larven, zoals vlinderrupsen, want zonder die rupsen komen er geen vlinders. Men streeft bij de ecoplantsoenen naar een goed evenwicht tussen onderhoudsvriendelijkheid, esthetiek en ecologie.


4. De BRAAKLAND-biotoop: braakliggende terreinen en stadsruigten

Door de intensivering van de stad en de verdichtingsbouw worden veel braakliggende terreinen, en stadsruigten in snel tempo herbestemd en/of opgeruimd. Daarmee verdwijnen ook vaak kenmerkende soorten. Op deze stedelijke wastelands ontwikkelen zich stedelijke ecosystemen, waar men vaak een boeiende mix vindt van inheemse soorten en exoten. Braakliggende terreinen en stadsruigten trekken veel soorten aan.


Braakliggende terreinen

Een stad is voortdurend in beweging. Voortdurend worden er gebieden “bouwrijp” gemaakt voor nieuwe projecten. In het verleden werden vooral op industrieterreinen en in havengebieden ook veel gebieden opgehoogd of opgespoten. Dat laatste gebeurde vooral met zand. Het in gebruik nemen van dergelijke nieuwe terreinen laat soms lange tijd op zich wachten. Onder meer de economische crisis zorgt voor leeg blijvende kavelgronden, gesloten bedrijven en stilliggende bouwwerken. In elke stad zijn er dan ook verschillende van die braakliggende terreinen te vinden. Dieren en planten zien daar wel hun kans schoon. Op braakliggende terreinen worden dan ook vaak verschillende planten en dieren gezien. Door het dynamische karakter van de stad is deze natuur veelal slechts van tijdelijke aard, maar ook deze “tijdelijke natuur” moet de waardering krijgen die ze verdient.

Opgehoogde terreinen worden lading per lading volgestort. Wanneer niet steeds dezelfde soort grond wordt aangevoerd, ontstaat er een soort mozaïekpatroon van verschillende bodemsoorten. Opgehoogde terreinen hebben vaak een voedselarme, droge bodem, soms met hier en daar natte plekken. Meestal worden ze niet meteen in gebruik genomen. Dat zijn ideale omstandigheden voor de ontwikkeling van waardevolle natuur. De keerzijde is wel dat ze steeds dreigen bebouwd te worden.

Opgespoten terreinen worden gecreëerd door zand –meestal afkomstig van baggerwerken- via pijpleidingen met water te transporteren en in een gebied te spuiten. Ze bevinden zich dan ook meestal niet ver van een grote rivier. In het begin bestaat het opgespoten terrein uit een kale, vochtige vlakte met grote waterplassen. Dit water lokt vogels aan zoals Wilde Eend, Meerkoet, Scholekster en Kokmeeuw. Sommige van die vogels kunnen in dit gebied zelfs tot broeden komen. Opgespoten land dat lang braak blijft liggen door economische malaise of stroef verlopende besluitvormingsprocedures, is een paradijs voor planten en dieren. Op oudere zandlagen waar vocht stagneert, kunnen duinachtige vegetaties tot ontwikkeling komen, compleet met Duindoorn en orchideeën zoals de Rietorchis. Natte en voedselrijke zandvlakten ontwikkelen zich tot rietland en bieden broedgelegenheid aan Bruine Kiekendief en Blauwborst. Dergelijke braakliggende terreinen leveren veruit de belangrijkste bijdrage aan de biodiversiteit in de stedelijke gebieden.

De vogelrijkdom is meestal maar tijdelijk. Het water wordt immers afgevoerd om het terrein bouwrijp te maken. We krijgen dan een kale, droge zandvlakte met extreme klimaatomstandigheden en een grote dynamiek. Overdag kan het zand ’s zomers zeer warm worden, terwijl het ’s nachts weer tientallen graden kan afkoelen. Na een fikse regenbui is de bodem doordrenkt, maar enkele uren is het water al weer verdwenen, want de grote zandkorrels houden geen water vast. Windvlagen verplaatsen het zand geregeld. Met de wind komen zaden en sporen het terrein opgestoven. Vogels laten via hun uitwerpselen zaden van geconsumeerde bessen achter. Konijnen voeren zaden en vruchten mee in hun vacht. Na een flinke regenbui zullen een aantal van de aangevoerde zaden ontkiemen. Planten met horizontaal groeiende wortelstokken dringen vanuit de omgeving het terrein binnen en weven een netwerk op enkele centimeter onder het maaiveld. Die planten, waaronder verschillende grassoorten vormen ook een aantal bovengrondse uitlopers. Op die manier wordt het zand meer en meer vastgelegd. Sommige ondergespoten plantensoorten groeien na een tijd ook weer door het opgespoten zand heen. Op die manier vestigt zich geleidelijk aan een eerste pioniersvegetatie op het terrein.

In deze barre omgeving vestigt zich een eerste pioniersvegetatie. Veel van de pioniers van opgespoten terreinen bezitten een wortelrozet. Er kunnen verschillende Weegbree-soorten worden aangetroffen. Hun groeiwijze is gericht op behoud van vocht en afremmen van hoge temperaturen. Planten die zich op opgespoten terreinen kunnen handhaven zijn meestal taai en bezitten kleine bladeren. Ook planten die sterk behaard zijn, zoals de Koningskaars, komen er voor. Tussen de haartjes wordt een vochtige luchtlaag vastgehouden. Grasachtige planten rollen hun bladeren op tegen waterverlies. Deze pioniersvegetatie vertoont veel gelijkenissen met de vegetatie van duinen en droge heide. Planten zoals Ooievaarsbek-soorten, Reigersbek-soorten en Gewone Ereprijs blijven vaak kleiner dan elders als gevolg van de extreme omstandigheden. Aan geulen en op andere plaatsen waar de onderliggende humus met zand is vermengd, groeit dikwijls een rijkere vegetatie.

Door de vestiging van die verschillende planten groet het terrein langzaam dicht. De ontwikkeling naar een zogenaamde climax-vegetatie begint zich in te zetten. De wind heeft midner invloed op de bodem en de temperatuurverschillen worden minder groot. Het vocht wordt dan beter vastgehouden. Door het afsterven van planten ontwikkelt zich een humuslaag. De pioniers worden dan verdrongen door een nieuwe vegetatie die het bij deze gewijzigde omstandigheden beter doet. Een opgespoten terrein is dus een landschap in ontwikkeling. Het gebied zal steeds rijker worden aan plantensoorten. Insecten en andere ongewervelden zullen in aantal toenemen waardoor ook het aantal vogels en zoogideren op het terrein zullen toenemen. Zonder ingrijpen van de mens zou een dergelijk terrein zich verder ontwikkelen tot een bos, maar op deze braakliggende terreinen gebeurt dit meestal niet.   

Opgespoten terreinen zijn enigszins vergelijkbaar met slikken en schorren. Op opgespoten terreinen kun je rekenen op een grote soortenrijkdom. Zeker als op het opgespoten terrein is gewerkt met zilt zand. In het eerste jaar zijn dan zeker Smal Vlieszaad, Zulte en Driebloemige Nachtschade te bewonderen. Na enkele jaren krijgen de meer gangbare ruigtekruiden de overhand. Nog boeiender wordt het als de grond kalkrijk is en vochtig. Orchissoorten, Bleekgele droogbloem, Sierlijk vetmuur en Duizendguldenkruid zijn dan onder andere de soorten die verschijnen. Is de grond kalkrijk, maar droog, dan kleuren deze plekken geel door de kruisbloemigen zoals Bolletjesraket en Grijze mosterd.

Op bedrijventerreinen, maar ook midden in de stad, liggen soms grote stukken land gewoon braak. Ze zijn bestemd voor woningbouw of voor nieuwe bedrijven, maar blijven gedurende lange tijd onbebouwd bijvoorbeeld omwille van economische redenen. Dit schept kansen voor de natuur. Maar veel eigenaars zijn bang dat ze allerlei procedures moeten doorlopen en dat de aanwezige beschermde soorten de eventuele verdere plannen zullen afremmen. Om dit te voorkomen laten ze sommige braakliggende stroken wekelijks maaien, zodat er een soort gazon ontstaat waarop zich geen enkele beschermde soort zal vestigen. Dergelijk beheer zorgt voor steriele percelen waar de natuur niks mee is gebaat. Het gaat hierbij om vele duizenden hectaren.  

Braakliggende terreinen worden beter niet ingezaaid. Zo krijgen de pionierssoorten de kans om op een natuurlijke manier op te komen. Niet inzaaien levert een grotere soortenrijkdom op. Tijdelijke natuur met een beheer van nietsdoen geeft deze soorten een kans. Ook toevallig aangevoerde zaden en planten die spontaan opslaan uit tuinafval krijgen hier de kans zich te ontwikkelen. Exoten verstoren dan misschien wel vaak het natuurlijke evenwicht, maar in de steden worden ze gemakkelijk geaccepteerd als een onderdeel van de nieuwe stedelijke ecosystemen.

Een braakliggend terrein is een terrein dat tijdelijk geen functie vervult en niet wordt onderhouden. Dat vervullen van die functie slaat dan enkel op een menselijke functie, bijvoorbeeld voor gebouwen, wegen of openbare ruimte als parken en sportvoorzieningen.

Soms worden braakliggende terreinen volledig omheind. Iedereen zou echter moeten kunnen genieten van de natuurwaarden die zich daar, zij het tijdelijk, ontwikkelen. Braakliggende terreinen worden gekenmerkt door hun tijdelijkheid. Een gebied heeft bijna altijd een bepaalde bestemming, die door omstandigheden nog niet kon worden ingevuld. Zolang de bouw niet begint, heeft de natuur er vrij spel. Daarna zal ze weer moeten wijken. In die tijd komt er echter een ander terrein braak te liggen, want in de stad wordt er altijd wel ergens gewerkt. Op het volgende terrein gaan ook weer pionierssoorten groeien en vinden insecten hun weg naar de nectar.

Het steeds verplaatsen van deze soorten wordt in de biologie een “hopping ecosystem”genoemd. Een pioniersvegetatie is bestand tegen de vaak hardere omstandigheden op zo’n terrein, zoals weinig schaduw, bloot staan aan de elementen als regen en wind en een zanderige en dus voedselarme bodem. Als het terrein lang ongebruikt blijft, ontwikkelt het ecosysteem zich verder (dit noemen we successie) waardoor er zich ook andere soorten, als grotere bomen, struiken en gevoeligere soorten vestigen.

Typische pionierssoorten die men op braakliggende terreinen vindt, zal men elders vrijwel niet aantreffen, omdat men de planten op die andere plaatsen vaak de tijd en de ruimte niet gunt om tot volwassen plant uit te groeien. We denken hier aan planten zoals Klein Hoefblad, Sint-Janskruid, Herfstalsem en Zandraket. Door de relatieve rust en de grote hoeveelheid nectar, stuifmeel en zaden worden de braakliggende terreinen graag door dieren bezocht.

Andere soorten die we op deze braakliggende terreinen kunnen aantreffen zijn de Sikkelsprinkhaan en het Zuidelijk Spitskopje. Vogels als de Zwarte Roodstaart komen er voor. Putters komen er zaden plukken van de talrijke distels. Aangezien de verschillende braakliggende terreinen ruimtelijk van elkaar gescheiden zijn, is het vanzelfsprekend dat ook hier verbindingsmogelijkheden (stepping stones) tussen deze terreinen in de stad aanwezig zijn.

Meer in de stadsrand liggen hier en daar ook landbouwgebieden regelmatig braak, zodat de grond na het produceren van gewassen even tot rust kan komen vooraleer hij opnieuw wordt gebruikt. Ook op die percelen kunnen onverwachts bijzondere soorten opduiken.


Stadsruigten

De term “ruigte” hangt nauw samen met de term “braakliggend terrein” en wordt hier dan ook bij dezelfde “braakland-biotoop” gerekend. Een ruigte is een weelderige begroeiing voornamelijk bestaande uit ruigtekruiden, dit zijn hoog opschietende, sterk competitieve en overjarige kruiden met een hoge productie van biomassa, zoals bijvoorbeeld Moerasspirea en Grote Brandnetel.

Stadsruigten ontstaan vooral op spoorwegtaluds en op opgehoogde terreinen zoals in kanaalzones en havengebieden. Ruigten in randstedelijke gebieden of landbouwgebieden zijn ook daar vaak een tussenstadium voor verbouwing of verbossing.

Stadsruigten bij uitstek zijn de voormalige gifbelten en stortplaatsen die voor de mens tot verboden terrein zijn verklaard. De natuur zal ten volle profiteren van de haar geboden rust. Bloemrijke ruigten hebben een hoogopgaande vegetatie, soms tot 2 m hoog. De ruigten worden gedomineerd door sterk concurrentiekrachtige kruiden.

Voormalige stortplaatsen kunnen ogen als groene vlekken in de stad. Er groeien veel Brandnetels en kleurige ruigtekruiden zoals Mierik, Bijvoet, Absintalsem en Wolfskers. Als het aanwezige gif zijn werk nog niet heeft gedaan, geeft de rust van het gebied de natuur tijdelijk een kans.

De Hobokense Polder (Antwerpen) is een voormalig landbouwgebied ooit opgehoogd met grond, puin en afval. Natuur palmde dit gebied in op de braakliggende delen. Na jarenlange actie door natuurliefhebbers werd het gebied uiteindelijk erkend als natuurreservaat. Er is een groot deel water-biotoop aanwezig in de vorm van plassen. Er is een oude stortplaats die begroeid is met Wilg en Els. Galloway-runderen houden het gebied open. Veel van de natuur was helemaal niet gepland, maar ontstond op lappen grond die eigenlijk voor iets anders bestemd waren, maar waar het om verschillende redenen niet van is gekomen. De bewoners zijn er echter aan gehecht geraakt en dan wordt het moeilijk om dit opnieuw van hen af te nemen.

Stadsruigten worden graag bewoond of bezocht door dieren zoals hommels, lieveheersbeestjes, sprinkhanen, vlinders en reptielen. Op geïsoleerde perceeltjes in de stad vinden we ook populieraanplantingen, naaldbomen en struwelen. Niet zelden zijn ook dit verlaten terreinen. Ruige struwelen bieden beschutting en voedsel voor vogels en insecten. Een braakliggend, warm ruderaal terrein in de stad kan heel wat lieveheersbeestjes herbergen. Hier vind je warmteminnende soorten als Behaard Lieveheersbeestje, Ruigtelieveheersbeestje en Vijfstippelig Lieveheersbeestje. Ook naaldbomen trekken specifieke diersoorten aan, zoals het Goudhaantje.


5. De INDUSTRIE-biotoop: industieterreinen en havengebieden

Soms is er op industrieterreinen wel groen voorzien, maar vaak gaat het dan om exotische planten met weinig natuurwaarde. De ruimtes tussen de bedrijven worden beter natuurlijker ingericht. Industrieterreinen en havengebieden kunnen een rol spelen bij de bescherming van kwetsbare soorten. De bermen, overhoeken, tijdelijk ongebruikte terreinen en groene daken die we hier vinden vormen een uitbreiding van de bestaande leefgebieden.


Industrieterreinen

Op gronden in rivierbeddingen aan de stadsranden werden vroeger de eerste industrieterreinen gemaakt, dankzij de watermolens. Ze leveren nu vaak mooie “herwonnen of herstelde” natuur. Maar ook op veel hedendaagse industrieterreinen is de ruimte en de potentie aanwezig voor schrale, bloemrijke graslanden. Waar deze gebieden grenzen aan leefgebieden van kwetsbare vlinders krijgen deze vlinders betere overlevingskansen bij een goede inrichting en een juist beheer van de terreinen. Door het creëren van verschillende kleinere leefgebieden kan er meer uitwisseling van genen gebeuren tussen de verschillende populaties (metapopulaties). Zo zijn grote industrieterreinen van belang voor dagvlinders.

Op leidingstroken, dit zijn stroken land waar gas- en andere leidingen onder de grond liggen en waar geen activiteit kan ontwikkeld worden krijgt de natuurlijke plantengroei alle ruimte. Leidingstroken kunnen zeer bloemenrijk worden en ook de bermen zijn  vaak kruidenrijk. Op die manier ontstaat er voldoende leefgebied voor vlindersoorten van schralere graslanden en kan er ook uitwisseling plaatsvinden. Bermen en leidingstroken vormen een uitstekend netwerk. Groene leidingstroken en braakliggende, zandige ruigten zijn’s winters vochtig en ’s zomers droog en zonbeschenen. Hier vinden we soorten zoals de Fijngeribde Grasslak.

Naast bermen en andere grazige plaatsen kunnen ook groendaken op industriegebouwen een rol vervullen. Als er bij de keuze van de beplanting op die daken rekening wordt gehouden met de eisen die vlinders stellen kunnen ze deze gaan gebruiken om voedsel te vinden, maar ook om zich voort te planten. Hiermee kan de oppervlakte aan geschikt leefgebied aanzienlijk worden uitgebreid.

Op platte grinddaken in industriegebieden broeden vogels, zoals Scholeksters en Visdieven en komen er spontaan verschillende planten op. De oudervogels zoeken voedsel in de groene omgeving rondom de bedrijventerreinen en de (snel)wegen. De nesten liggen open en bloot, dus moeten de vogels deze verdedigen. Scholeksters doen dit uitstekend en andere vogels willen dan ook graag bij hen in de buurt broeden. Visdieven broeden normaliter op kale grond die bedekt is met schelpen of steentjes. Een grinddak is dan ook een prima broedgebied.

Ook op andere grinddaken in de steden broeden vogels, zoals weidevogels, die hun kroost zo grootbrengen zonder de gevaren van bijvoorbeeld (verwilderde) huiskatten.  Maar ze zijn wel beter zichtbaar vanuit de lucht. Roofvogels hebben een goed uitzicht op de nesten. De beschutting van bijvoorbeeld leidingen bieden al enige bescherming. Platte daken bieden heel veel mogelijkheden voor natuur, zowel in aangelegde vorm als spontaan. Op grinddaken komen niet alleen vogels broeden, maar groeien ook planten. Het grind houdt water vast. Er komen zaden op terecht, waarna er spontaan planten opschieten. Platte daken zijn meestal geschikt voor de aanleg van een groendak als de draagconstructie maar stevig genoeg is.

Op een industrieterrein kan men er bijvoorbeeld voor kiezen om een oude, verlaten boerderij niet te slopen, maar in te richten voor soorten zoals vleermuizen, Kerkuil en Steenmarter. Men kan wel deuren en ramen dichtmetselen maar invliegopeningen voorzien voor vleermuizen en een ingang voorzien voor Kerkuil en Steenmarter.  

Ook de braakliggende terreinen in industriegebieden herbergen waardevolle natuur. Deze terreinen worden vaak opgehoogd of opgespoten met zand. Het in gebruik nemen van dergelijke nieuwe terreinen laat soms lange tijd op zich wachten zodat ze er soms jarenlang als braakliggend terrein bij liggen (zie ook BRAAKLAND-biotoop).

In industrieparken met gebouwen die uit verschillende verdiepingen bestaan met ondergrondse parkings, kan er ruimte voor ruige natuur worden gelaten met besdragende struiken, Sleedoornhagen en wilde planten. Er kunnen in industriegebieden zelfs bossen, moerassen en poelen worden aangelegd. Ook in deze stedelijke gebieden worden poelen reeds snel gekoloniseerd door amfibieën.

Een industrieterrein dat wordt aangelegd in een mooi open landschap nabij de stad kan een groene vinger naar en vanuit de stad worden, waarin er, naast ruimte voor bedrijvigheid, ook veel plaats is voor groen, veilig fietsverkeer en andere functies.

In Gent op een industrieterrein ten noorden van een spoorwegemplacement is het grijs en lawaaiig door het vele auto- en vrachtverkeer. Er staan spontaan opgeschoten rozenstruwelen en er worden planten als Sedum-soorten en Sikkelklaver aangetroffen.

Op de terreinen van de Vlaamse Milieumaatschappij in Oostende werden 6 bijenkorven geplaatst. Qua leefbaarheid en honingproductie blijken er goede resultaten te worden geboekt.

De Tiense Bezinkingsputten (Tienen) zijn eigendom van de Tiense Suikerfabriek. Een perceel van zo’n 15 ha kreeg een nieuwe bestemming als natuurgebied. Er worden jaarlijks meer dan 200 vogelsoorten gespot.


Havengebieden

Ook in de havengebieden kan op de rustige plaatsen met veel open ruimte aan natuurontwikkeling worden gedaan. In zandhopen of steil afgegraven wanden kunnen zich Oeverzwaluwen vestigen. Op braakliggende terreinen vestigen zich pioniersplanten die grote hoeveelheden zaden vormen. Deze trekken zaadetende vogels aan zoals Putters. Op de opgespoten kunnen we de Karthuizerslak en de Griekse Duinslak aantreffen. Veel voormalige haventerreinen werden ondertussen bebouwd, hetgeen op zich deel uitmaakt van de stadsuitbreiding.

Door haar ligging aan de Schelde en de aanwezigheid van veel braakliggende terreinen, leven er heel wat bedreigde dier- en plantensoorten in het havengebied van Antwerpen. De grootste populatie Rugstreeppadden van Vlaanderen komt er voor. Het is ook de belangrijkste vindplaats van de zeldzame groenknolorchis in Vlaanderen. Maar liefst 90 Europees beschermde dier- en plantensoorten komen er voor. Veel soorten zijn bovendien specifiek havengebonden. Ze zijn voor hun overleving dus afhankelijk van dit havengebied. Wanneer er een kwetsbare soort wordt aangetroffen, dan moet de eigenaar binnen zijn eigen terrein voor een compensatie zorgen. Uiteraard zorgt dit vaak voor problemen, zowel voor de grondeigenaar als voor de soort in kwestie. Om de bescherming van kwetsbare havennatuur samen te laten sporen met de nog steeds groeiende havenontwikkeling zal er in de toekomst echter doorheen het hele havengebied één robuust, goed verbonden leefgebied, een netwerk van kerngebieden en corridors gecreëerd worden dat veiligheid biedt voor de kwetsbare flora en fauna. Wordt er een beschermde soort aangetroffen op een door havenuitbreiding in te palmen plek, dan wordt er binnen het natuurnetwerk gezocht naar een oplossing. Hoe de concrete uitwerking van dit netwerk zal gebeuren werd beschreven in het Soortbeschermingsprogramma Antwerpse Haven (2014).  Binnen 5 jaar zou dit netwerk in staat moeten zijn om de duurzame instandhouding van de havennatuur te garanderen. Op die manier hoeven bedrijfsleiders ook niet meer te vrezen dat er beschermde natuur op hun terrein voorkomt. Het zal hen integendeel inspireren om een ecologisch beheer uit te voeren en meer extra tijdelijke natuur toe te staan. Die natuur moet niet altijd op dezelfde plek liggen, als het totaal maar gelijk blijft, en ecologisch functioneel is.

In 2014 werden enkele grote braakliggende terreinen in het Zeebrugse Havengebied bebouwd. Dit zorgde voor het verdwijnen van één van de laatste grote broedkolonies van Zilvermeeuwen en Kleine Mantelmeeuwen aan de Vlaamse kust. Een decennium lang broedden er duizenden meeuwen op die terreinen. Meeuwen zijn kolonievogels. De meeuwen die hun broedplaatsen verliezen zoeken plaatsen waar ze veel soortgenoten vinden. Ze kunnen zich massaal aansluiten bij de meeuwen die nu al hun nesten maken op daken in Oostende, Blankenberge en Knokke. Dit zorgt dus voor meer overlast voor de kustgemeenten, waar ze nu al klagen dat de vogels vuilniszakken openscheuren,  toeristen aanvallen en de buurtbewoners wakker houden met hun gekrijs ’s nachts. Er zouden stroken grond moeten worden vrijgehouden waar de meeuwen alsnog kunnen broeden. Havens zijn weliswaar geen natuurreservaten, maar met de aanwezige belangrijke natuurwaarden zou men op zijn minst rekening moeten houden, zowel door de eigenaars van de gebieden als de vergunningverlenende overheid.

De windmolenparken op zee zijn moeilijk toegankelijk voor schepen en visserij is er niet toegestaan, waardoor deze zones als rustgebieden fungeren. Deze parken creëren een aparte biotoop die voornamelijk uit een kunstmatig hard substraat bestaat in een anders zandig milieu. Hierdoor worden nieuwe soorten aangetrokken. Op de artificiële riffen vestigen zich snel verschillende zeebewoners.


6. De BERM-biotoop: Wegbermen en kanaalbermen

Wegbermen vertegenwoordigen een aanzienlijk aantal hectare. Wegen verbinden de mensen met elkaar maar via de bermvegetaties ook de flora en fauna. Via deze bermen komen verschillende zoogdieren de stad in. Bermvegetaties zijn begroeiingen op bermen en taluds langs wegen, waterlopen en spoorwegen. Het zijn ecologische groene aders in het cultuurlandschap waar vele planten of dieren tijdelijk of permanent een leefgebied hebben gevonden. Het zijn alle terreinen, die bestaan uit zowel vlakke als hellende overgangszones tussen de eigenlijke weginfrastructuur en andere gebruiksterreinen. Kanaalbermen zijn bermen langs kanalen en rivieren die vooral met grassen en kruidachtige vegetaties zijn begroeid. Langs de rivieren vindt men soms unieke restgebieden van het originele landschap (rivier- en beekvalleien). Rivieren zijn vaak afgezoomd met natuurlijke oevers en ook langs kanalen liggen soms kilometerslange groene dijken en begroeide stroken. We gebruiken hier de term “kanaal-” en niet “rivier”-bermen omdat de meeste rivieren reeds op een of andere manier werden “gekanaliseerd”. Vaak werden kronkelende meanders afgesneden om de rivier een recht trajectverloop te geven.


Wegbermen

Bermen vormen een zeer grote oppervlakte aan onbemeste en weinig betreden graslanden, houtkanten en bosjes. Zowel voor planten als ongewervelden zijn deze bermen van belang als leefgebied of als verbinding tussen verschillende leefgebieden. Een aantal bijzondere plantensoorten komt zelfs hoofdzakelijk of uitsluitend in wegbermen voor.

In wegbermen komt een rijke en gevarieerde insecten- en spinnenfauna voor, waaronder zich ook zeldzaam en beschermde soorten bevinden. Insecten maken gebruik van wegbermen tijdens hun verspreiding en als paringslocatie. Met de juiste beheersmaatregelen kunnen wegbermen waardevolle gebieden vormen. De intensivering va de landbouw en de verstedelijking zelf zorgen voor een toenemende vernietiging en versnippering van de (half-)natuurlijke leefgebieden. Allerhande kleine landschapselementen, zoals hagen, houtkanten, hoogstamboomgaarden, sloten, poelen en muurvegetaties winnen daarom steeds meer aan belang in het behoud van de biodiversiteit. Ze situeren zich veelal op een relatief beperkte oppervlakte en ondergaan daardoor veel (negatieve) invloeden uit de omgeving. Ze zijn echter soortenrijk en kunnen voor fijnmazige verbindingen zorgen tussen grotere gebieden.

Bermen zijn vrijwel altijd smal en lintvormig. De randen tussen lage bermvegetatie en asfalt leiden insecten tijdens hun verspreiding. De grens lage bermvegetatie en bosranden wordt door mieren gebruikt om elkaar te vinden tijdens de bruidsvluchten. Op de hogere zandgronden worden wegbermen vaak gekenmerkt door de aanwezigheid van open, schrale vegetatie. Voor droogte- en warmteminnende insecten en spinnen kunnen dit belangrijke leefgebieden zijn. De vegetatie in de bermen mag niet te dicht worden door vegetatiesuccessie. Veel insecten, zoals kevers verpoppen namelijk zoals we hebben gezien bij de soorten, in deze bermen. Het zijn waardevolle voortplantingsgebieden. Het maaibeheer dient aan de aanwezige dieren te worden aangepast.

Wegen zijn schadelijk voor onze biodiversiteit, maar ze zijn wel noodzakelijk voor de mens. Precies daarom is het van groot belang om de positieve aspecten van de begeleidende bermen te benutten. Er bestaat wel een haat-liefdeverhouding tussen bermen en het langsrazende verkeer. Bermen bestaan dankzij de aanwezigheid van wegen, veel soorten overleven ondanks de aantallen verkeersdoden en gewonden: jaarlijks miljoenen vogels, zoogdieren, reptielen en amfibieën.

In wegbermen kunnen veel soorten voorkomen die vanuit natuurbeschermingsoogpunt belangrijk zijn. Bermen kunnen prima deel uitmaken van ecologische netwerken. In het algemeen worden de flora en fauna in bermen met rust gelaten. De meeste bermen hebben geen agrarische of sierfunctie. En juist hierdoor krijgen veel soorten een goede ontwikkelingskans.

In de bermen vinden we overwegend gras. Gras is overal aanwezig. Weilanden, bermen, dijken en natuurreservaten bestaan vooral uit gras. In de stad vinden we gras in parken, op speelweiden, sportvelden en in bermen. De meeste grazige begroeiingen zijn tegenwoordig helaas nog te veel egaal groen. Vroeger waren de weilanden en de bermen bontgekleurd door de vele bloeiende planten. In de stad kleuren de gazons soms wel wit van de Madeliefjes. Maar ook kleinere groenstroken, waar natuurlijke vegetaties de kans krijgen, zijn van belang. Maairegimes kunnen eenvoudig aangepast worden aan de spontane soortenrijkdom. Door de moderne landbouwmethoden, veelvuldig maaien, ontwatering, door het gebruik van herbiciden en verwaarlozing verliezen weilanden, bermen, dijken en gazons hun kleur. Bermen worden in de buitengebieden vaak gewoon aan akkers toegevoegd of doodgespoten. In weilanden komen nog nauwelijks bijzondere planten voor omdat die gronden vooral als graasweiden voor vee worden benut, maar in gazons, bermen en dijken nog wel en dat gegeven moet verder worden benut en ontwikkeld.

Brede bermen langs grote ontsluitingswegen kunnen bestaan uit schraal grasland met inheemse kruidachtige planten, afgewisseld met groepen bomen en struiken. Schrale bermen hoeven slechts 1 keer per jaar gemaaid te worden, op voedselrijke bermen kan men 2 keer maaien (15 juni en 15 september). Om bloemrijke bermen te verkrijgen hoeft men veelal zelfs geen bloemen in te zaaien. Beter is het om prioriteit te geven aan een herstel van de gebiedseigen vegetatie en soortenrijkdom. Het te vroeg maaien is nefast voor alle laatbloeiers. Dit zijn dikwijls de interessantste planten voor de biodiversiteit. Het laten liggen van maaisel verrijkt de bodem, dus afvoeren is beter.

Wegbermen hebben vaak niet alleen een refugiumfunctie voor planten, maar zijn ook vaak het toevluchtsoord voor tal van dieren. In bermen vinden predatoren van plantenparasieten een geschikt leefgebied. Veel bladluispredatoren, waaronder kortschildkevers, lieveheersbeestjes, loopkevers en spinnen zijn voor de overwintering aangewezen op hagen, wegbermen en akkerranden. Het verdwijnen van bermvegetaties kan het aantal bladluisplagen doen toenemen.

Bermen zijn door veel voorkomende, algemene bermplanten ook voor insecten belangrijke linten door het landschap. Veel insecten zijn zijn afhankelijk van vegetaties met ruigtekruiden of gebruiken planten voor het bouwen van de nesten. Met al die soorten prooidieren zijn natuurlijk ook de predatoren gediend.

In een wegberm worden meestal ongeveer 200 verschillende planten gedetermineerd; dat is ongeveer het equivalent van een interessant natuurgebied. Wegbermen zijn als lintvormige kleine landschapselementen belangrijk. In wegbermen vinden we bijvoorbeeld Bleek Cypergras (natte bermen), Gevlekte Rupsklaver en Hoge Fijnstraal.

Oorspronkelijk waren bermen schrale plekken die door omwonenden met behulp van een geit of zeis kort werden gehouden. Vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw werden wegbermen bemest of zo vaak gemaaid dat de natuur geen kans kreeg. In die periode werden deze bermen door de meeste openbare besturen stiefmoederlijk behandeld. Het onderhoud werd vanaf de jaren 1970 gemechaniseerd met de komst van de kooimaaier en de klepelmaaier. Kooimaaiers snijden het plantendek af. Doordat kooimaaiers echter zeer kwetsbaar zijn voor beschadiging door zwerfvuil, glas, ijzer, e.d. wordt meestal gebruik gemaakt van klepelmaaiers. De klepelmaaier wordt op een tractor gemonteerd en in een korte tijdspanne kan een stad haar kilometers wegbermen “proper” maaien. Door de talrijke kleine klepels van deze maaier wordt het gras in kleine stukjes versnipperd, die ter plaatse in de berm blijven liggen en verteren. Het geheel ziet er weliswaar “onderhouden” uit, maar de floristische waarde van de berm gaat stilaan achteruit. Andere klepelmaaiers verbrijzelen het plantendek en worden voorzien zijn van een afzuiginstallatie. Dergelijke afzuiginstallatie is zeer nadelig voor de kleine bermfauna. Het is beter om de bermen niet vaak te maaien en dan alleen met een kleine handmaaier. Of men kan de bermen laten begrazen door een schaapskudde. In Groningen trekken daarvoor 350 schapen van april tot oktober door de stad.

De laatste jaren gebeurt het bermbeheer natuurvriendelijker en ziet men meer en meer af van het gebruik van mest en bestrijdingsmiddelen. Ook wordt pas laat in het jaar – na de bloei- gemaaid. Het maaisel wordt afgevoerd. Door deze verschraling krijgen meer bloemen en vlinders een kans. Voedselrijke bermen die niet worden gemaaid hebben een ruig karakter, waarbij een kleiner aantal soorten zullen te vinden zijn. Andere, gemaaide, bermen zijn schraler. Deze vormen het leefgebied van Kraailook of wat minder algemeen Glad Walstro en Veldlathyrus.

In vochtige, schrale wegbermen kunnen bijzondere paddenstoelen groeien. Vooral in bermen met Eik-soorten of Beuken krijgen veel mycorrhizavormende zwammen een kans. Juist in de schralere wegbermen, vaak in oude lanen, vinden we veel mycorrhizapaddenstoelen, die in bossen door vermesting of verzuring zijn verdwenen. Vooral bermen met een schrale, grazige of mosrijke onderbegroeiing herbergen veel soorten. Zeer veel paddenstoelen komen tegenwoordig vooral in wegbermen voor. Soorten zoals de Pronksteelboleet (bij oude Beuken) en de Prachtamaniet (bij oude Eiken) vindt men in oude lanen. Een directe invloed van mest is zichtbaar in de hoeveelheid gewas die moet worden gemaaid. Waardevolle, schrale bermen gaan ook verloren door wegwerkzaamheden, verwaarlozing en door het opbrengen van slootbagger of houtsnippers. Verdroging door verlaging van grondwaterstanden speelt eveneens een rol. Vooral vermesting en verzuring betekenen voor de bermen en de vele zeldzame wegbermpaddenstoelen een grote bedreiging. Voor zwammen kunnen bijkomende geschikte leefgebieden worden gecreëerd door het planten van inheemse bomen, zoals Beuk en Eik-soorten.

In wegbermen kunnen ook orchideeën voorkomen. Bermen worden reeds van bij de aanleg verschraald. Door selectief te maaien en het maaisel af te voeren, wordt deze verschraling doorgezet en door het inzaaien van planten groeit er minder gras. Orchideeën komen dan vanzelf. Eén keer maaien per jaar volstaat.

Consequent verschralend beheer en het vermijden van grote fysieke ingrepen in het beheersmotto voor bloemen, vlinders en paddenstoelen. Het opbrengen van humeuze aarde of meststoffen is ongewenst. Het is gunstig voor de fauna om bij het maaien van het gewas te laten staan, waardoor tijdelijk pleksgewijs wat ruigte ontstaat. Hooilandbeheer geeft vaak goede resultaten maar wordt vaak door het afvoeren als duur bestempeld. Helaas is daardoor kans op verwaarlozing en de daarmee samenhangende verruiging het gevolg.  Het tegenovergestelde, frequent maaien, kan anderzijds ook verrassende resultaten geven zoals het verschijnen van Ruige Weegbree. Daarom is het interessant om ook op voetbalvelden en frequent gemaaide grasvelden mee te nemen in inventarisaties.

Het aantal plant- en diersoorten is veel groter in stroken met ruw grasland, ruigte en dicht struikgewas dan in traditioneel beheerd groen, waarbij het gras meerdere keren per jaar wordt gemaaid. Historische bermen en bermen met een typische abiotiek of reliëf bieden belangrijke kansen voor een zeer waardevolle vegetatie. Onderhoudswerken, foute aanplantingen en exoten, kunnen knelpunten vormen.

De bermen langs de snelwegen zijn goede groeiplaatsen voor planten. Ze vormen lange aaneengesloten stroken, waardoor zaden zich over grote afstanden kunnen verplaatsen. Ook tussen de profielen van autobanden leggen zaden vele tientallen kilometers af. Ook door de wind die langrijdende auto’s veroorzaken, worden zaden verspreid. Dit leefgebied is niet voor alle soorten even geschikt: er is veel waterafvoer in de bermen en in de winter komt er strooizout in terecht. Sommige soorten hebben daar juist een voorkeur voor en komen veelvuldig voor langs snelwegen. Zoutminnende planten zijn bijvoorbeeld Zulte, Engels Gras, Stomp Kweldergras, hertshoornweegbree en Deens Lepelblad.

De zoutminnende planten worden meestal weggeconcurreerd tenzij men elk jaar opnieuw strooizout gebruikt. Veruit de meeste planten kunnen slecht tegen (strooi)zout. Ze gaan minder goed groeien en sommige sterven af. Soms kan het zijn dat wegranden helemaal bruin gekleurd zijn of zelfs kaal door het gebruik van strooizout. Zout dat op de bladeren terechtkomt, onttrekt vocht aan het blad waardoor het plaatselijk verdroogt. Door die dode vlekken op de bladeren gaan de planten minder goed groeien. Ook de knoppen verdorren wanneer zout er te veel water aan onttrekt. Zout heeft ook indirecte gevolgen. Hoe meer zout er in de bodem aanwezig is, hoe minder water er beschikbaar is voor de planten. Als het zoutgehalte van de bodem hoger is dan dat in de cellen van de wortels, wordt het celvocht uit de wortels weggezogen. De haarwortels van de planten sterven af en de plant kan weinig of geen water meer opnemen, zodat de planten uiteindelijk verdorren.

Hoe meer het regent, hoe meer zout er wegspoelt naar het oppervlaktewater en hoe minder schade er dus optreedt. Meestal herstelt de beplanting zich uiteindelijk. Wanneer meerdere jaren na elkaar strenge winters met veel strooizout gevolgd worden door droge lentes, kan strooizout zich opstapelen in de bodem. In dergelijke situaties gebeurt het dat strooizouttolerante planten massaal oprukken. Strooizouten kunnen in bermbeken ongunstige leefomstandigheden veroorzaken voor amfibieën.

Snelwegbermen zijn lawaaierige gebieden, maar verder is er qua verstoring weinig aan de hand. De oksels van snelwegen waar een afslag in een ruime bocht opgaat in een andere weg, zijn geliefde plaatsen voor watervogels. Deze plaatsen hebben namelijk ook vaak grote vijvers als extra waterberging. Soms ziet men Knobbelzwanen op deze wateren. Er is weinig menselijke verstoring en que roofdieren valt het ook goed mee.

Men ziet ook soms roofvogels, zoals de Torenvalk “biddend” (stilhangend in de lucht) foerageren langs de snelwegen. Langs de snelweg ziet men soms een Buizerd zittend op een paaltje de omgeving bespieden. Vossen zoeken naar muizen langs de snelwegbermen, maar zullen de oksels en drukke klaverbladen mijden. Hekken kunnen ervoor zorgen dat het aantal verkeersslachtoffers onder de dieren beperkt blijft. Aalscholvers strijken neer op grote signalisatieborden.

Als er grote bomen in wegbermen moeten wijken in verband met een andere bestemming van de grond, dan hoeven ze niet te worden gekapt, maar kunnen ze ook worden verplaatst, bijvoorbeeld naar een plaats waar al eerder grote bomen stonden, maar die weg moesten vanwege bijvoorbeeld ziekte. Met een dieplader kunnen de bomen worden vervoerd naar een andere plaats.  

Op hellingen en taluds worden vaak planten die uitlopers vormen aangeplant. Deze planten worden dikwijls blootgesteld aan extreme wind, droogte of zon. Het beplanten van hellingen en taluds voorkomt bodemuitdroging en kan een sierwaarde leveren.

De bermen langs de wegen worden ook vaak ingezaaid met bloemzaadmengsels. Dit kan bestaan uit een duur mengsel bestemd voor kalkrijke graslanden en bevat zaden van planten zoals Beemdkroon, Steenanjer, Veldsalie en Bevertjes. Helaas betreft het vaak zaad afkomstig uit het buitenland en bevat het dus niet-inheemse soorten. Een beduidend goedkoper mengsel is het mengsel bestaande uit planten als Gewone Margriet, Knoopkruid, Wilde Cichorei, Pastinaak en Peen.
Bloemrijke bermen zijn voor dieren interessanter. Een diverse vegetatie geeft meer insectensoorten de ruimte om zich voort te kunnen planten. Veel insecten zijn voor hun voedsel afhankelijk van nectar en komen dan ook vooral voor op plekken waar bloemen aanwezig zijn. In verschillende stadsdelen kan men specifieke zaadmengsels gebruiken voor de bermen en groenstroken.

Een ecologisch stadsbeleid kiest voor meer bloemrijke bermen. Ook soorten als Bruine Kikker en libellen varen hier wel bij. Ecologisch beheerde bermen vormen groene verbindingsroutes door de stad. Wegen in en om steden (autosnelwegen, ringwegen, klaverbladen) zijn vaak op zandlichamen aangelegd. Bij de aanleg van nieuwe wegen kan men kalkrijke grond opbrengen aan de voet van het talud. Warme, op het zuiden gelegen taluds kunnen van belang zijn voor reptielen. De Adder, , de Hazelworm en de Ringslang komen voor in bermen en gebruiken open plekjes om zich in de zon op te warmen.

Als gevolg van het gebruik van strooizout op de wegen is het aantal pekeladventieven toegenomen. De term adventief wijst erop dat ze van nature niet in die wegbermen voorkwamen. Voorbeelden hiervan zijn Deens Lepelblad en Hertshoornweegbree. Het succes van de pekeladventieven schult in het feit dat zij nog kunnen groeien waar andere planten dat niet meer kunnen.

Smalle stroken langs het asfalt krijgen in een strenge winter zoveel zout te slikken dat de meeste grassen en bloemplanten er afsterven. De pekeladventieven hebben dan ook van andere planten weinig concurrentie te vrezen. De opmars van deze pekeladventieven is niet echt een goede zaak. Op de plekken die door strooizout beïnvloed zijn, maakt de natuurlijke vegetatie geen kans meer.

De impact van strooizout op dieren is nog niet zo goed onderzocht. Vooral in Noord-Amerika werd vastgesteld dat zout water dat van wegen afspoelt de voortplantingsbiotopen van amfibieën negatief beinvloedde. In Vlaanderen werd al aangetoond dat strooizout nefast kan zijn voor de ontwikkeling van de larven van de Bruine Kikker.

Wegbermen herbergen een grote rijkdom aan planten en dieren. Maar al te vaak is de oorspronkelijke leefomgeving van de soorten die er groeien vernietigd en wordt de berm de enige resterende vindplaats. Dankzij een aangepast beheer neemt deze biologische rijkdom in de wegbermen de laatste jaren nog toe. Of de bermen al dan niet soortenrijk zijn heeft alles te maken met enerzijds de ondergrond en anderzijds het onderhoud (beheer).

Door aan een bodem voedsel toe te voegen onder de vorm van mest of van grassnippers gaat de soortenrijkdom achteruit. Het bemesten zorgt voor een aanrijking waar vooral de snelgroeiende plantensoorten van profiteren. Deze verdringen dan andere plantensoorten die trager groeien of fragieler zijn of gewoonweg delicatere groeiomstandigheden vereisen. De bijzondere plantensoorten werden stilaan verdrongen. Ondertussen wordt het bermmaaisel afgevoerd, zodat de bermen opnieuw kunnen verschralen en dus soortenrijker worden.

Het is aangewezen voor een stadsbestuur om de bermen te inventariseren en dan per stadsdeel of stadswijk de bermen te maaien op een natuurvriendelijke manier, dit wil zeggen rekening houdende met de aanwezige planten- en andere soorten. Bloeiende planten zijn immers cruciaal voor veel soorten ongewervelden. Zo zijn bermen vaak het leefgebied en verbindingsgebied voor vlinders. Heel wat vlinders volgen lijnvormige structuren zoals bermen als ze zich buiten hun leefgebied verplaatsen.

Naast een aangepast maaibeheer zijn ook andere factoren bepalend voor de ecologische waarde van een wegberm. Het gebruik van biociden is bijvoorbeeld nefast voor de natuur. Nog al te vaak nemen particulieren het roer in de verkeerde handen door een stuk van de wegbermen dood te spuiten.

Beekbeheerders zien de berm soms als een plek om het (vervuilde) slib van de gracht op te deponeren. Ook dat slib bevat een grote hoeveelheid voedingsstoffen zodat ook hierdoor alleen planten die houden van voedselrijke bodems andere planten zullen verdringen. Hetzelfde voedselaanrijkend effect zie je als een berm paalt aan een hogergelegen akker die fors bemest wordt. De meststof sijpelt door tot in de berm, verhoogte de voedselrijkdom en verlaagt het aantal verschillende plantensoorten.

Een berm met veel Grote Brandnetels kan deels gemaaid worden, tot hij op die plaats voedselarmer is geworden. Een berm met overwegend late zomerbloeiers wordt het best pas in oktober gemaaid, na de zaadzetting van de interessante soorten. Door het achterwege laten van chemische bestrijdingsmiddelen, een beperkt aantal maaibeurten per jaar en het afvoeren van het maaisel kunnen bermen alvast ecologisch waardevoller worden.


Kanaalbermen

De Kleine Honingklaver is een typische stadsplant die vooral langs rivieren voorkomt. Zoutminnende loopkevers zoeken in zilte graslanden langs de rivieren naar kleine organismen die zich op de kale grond tussen de zoutplanten ophouden. Helaas hebben deze kevers last van overmatige betreding en van een dichtgroeiende vegetatie. Maaien in de winterperiode, wanneer de kevers zich nog in een larvaal stadium bevinden, kan helpen om de vegetatie open te houden.

Oude dijken, begroeid met schrale graslanden met een rijke nazomer- en herfstbloei, zijn belangrijke vlindergebieden.


7. De SPOORWEG-biotoop: Spoorwegbermen en -emplacementen

Net als wegbermen zijn ook de spoorwegbermen die de stad inlopen verbindingszones voor planten en dieren, zij het rumoerige en risicovolle. De dierenwereld verplaatst zich op eigen kracht. De flora is voor de zaadverspreiding afhankelijk van de wind of insecten, maar ook voorbijrazende treinen kunnen verdienstelijk zijn. Deze zorgen voor een behoorlijke windvlaag waarvan vooral plantensoorten met lichte zaden profiteren. Zo kan zich een specifieke spoorwegflora ontwikkelen, die op zijn beurt verschillende dieren aantrekt. Ook op spoorwegemplacementen groeien tal van plantensoorten die het goed weten uit te houden tussen de snel opwarmende stenen van het ballastbed.


Spoorwegbermen

Spoorwegbermen vertonen veel overeenkomsten met wegbermen, behalve het gedeelte vlak langs de rails. Hier kan het tussen de stenen flink warm worden. De planten die we hier aantreffen kunnen blijkbaar goed tegen een voedselarme situatie en hitte, maar ook tegen chemische bestrijdingsmiddelen, want de stenen worden door spuiten (vooral glyfosaat) onkruidvrij gehouden. We kunnen hier vaak typische soorten aantreffen zoals het Klein Liefdegras.

Spoorwegbermen zijn zeer belangrijk om thermofiele kruidenrijke, ijle vegetaties te behouden. Het is zone om deze bijzondere milieus te laten verbossen of te asfalteren. Voor onder meer het behoud van onze loopkevers zijn deze bermen van zeer grote waarde.

Plantenzaden worden door de wielen van de trein meegenomen door de stad, de rest van het land in. Door de wat lagere beheerfrequentie groeien er veel grassen, kruiden en bloemen langs het spoor, die op hun beurt ook weer zorgen voor grote hoeveelheden vlinders en andere insecten.

Spoordijken die worden gefatsoeneerd of heringericht verliezen daarmee ook hun ruige karakter. Bomen en dicht struikgewas zijn bedoeld om het spoor aan het oog van de bewoners te onttrekken. Voor broedende vogels is dit perfect. Dichte struiken worden in de rest van de stad weinig gedoogd

Spoortaluds zijn ontoegankelijk voor de burger, uiteraard omwille van de veiligheid. Deze ontoegankelijkheid zorgt er misschien tevens voor dat de natuur er zich relatief “ongestoord” kan ontwikkelen. De treinen zelf zorgen wel voor geluid en trillingen, maar dieren raken hieraan gewend en hebben er geen problemen mee. In Utrecht bijvoorbeeld verplaatst de Ringslang zich langs de spoorlijn. Ook de Levendbarende hagedis houdt zich graag op langs zowel gebruikte als oude spoorwegbermen. Ook oude spoorwegbermen behouden immers hun verbindingsfunctie voor de verschillende soorten.

Spoorlijnen vormen lange lintvormige leefgebieden, met allerlei aftakkingen. Als een spoortalud dan ook nog een faunapassage bevat die de wijken inloopt, dan kunnen dieren zoals de Egel zich ook verder de stad in verplaatsen.


Spoorwegemplacementen

Ook op spoorwegemplacementen groeien tal van plantensoorten die het goed weten uit te houden tussen de snel opwarmende stenen van het ballastbed. Tussen de spoorlijnen in, vinden we onder meer soorten als Heermoes, Stinkende Ballote,Riempjes, Harig Vingergras en Bleekgele Droogbloem.

Ook verschillende dieren komen op deze emplacementen voor, zoals de Zuidelijke Gouden Groefbij, en de Zwarte Roodstaart.

Het verlies van in onbruik geraakte oude spoorwegemplacementen heeft niet alleen historische, maar ook ecologische gevolgen. Oude rangeerterreinen kunnen vaak volledig geïntegreerd worden in de stedelijke groene infrastructuur.


8. De TOREN-biotoop: Hoogbouw en torens

In wijken met veel hoogbouw valt vooral de groene ruimte op die wordt voorzien in de vorm van gazons, bomen en plantsoenen. Maar ook de hoogbouw zelf trekt verschillende soorten aan. Op de daken ervan kunnen zowel planten en dieren gedijen. Verschillende torens in de stad worden gebruikt als uitvalsbasis voor roofvogels of worden zelfs benut door vogels om er te broeden.


Hoogbouw

De hoogbouw in steden vormt geen belemmering voor planten en dieren om zich er te vestigen. In flats leven vaak kolonies van honderden vleermuizen.

De platte daken van hoge gebouwen zijn de rotsen van de stadsnatuur. Vogels zoals meeuwen vinden op platte grinddaken een ideale gelegenheid om hun nest te maken. Dankzij de hoge ligging zijn de nesten veilig voor verwilderde (huis)katten of andere predatoren en de meeuwen hebben een goed uitkijkpunt om de omgeving in de gaten te houden, bijvoorbeeld om te zien waar er voedsel te halen is. Op deze grinddaken broeden ook andere vogels, zoals Scholeksters en Visdieven en komen er spontaan verschillende planten op. De oudervogels zoeken voedsel in de groene omgeving rondom de gebouwen, op bedrijventerreinen in de buurt en op de (snel)wegbermen. De nesten liggen open en bloot, dus moeten de vogels deze verdedigen. Vogels als Scholeksters doen dit uitstekend en andere vogels willen dan ook graag bij hen in de buurt broeden. Visdieven broeden normaliter op kale grond die bedekt is met schelpen of steentjes, maar een grinddak vinden ze ook een prima broedgebied. Deze grinddaken zijn wel beter zichtbaar vanuit de lucht. Roofvogels hebben namelijk van daaruit een goed uitzicht op de nesten. De beschutting van bijvoorbeeld leidingen kan al enige bescherming bieden.

Op grinddaken komen niet alleen vogels broeden, maar groeien ook planten. Het grind houdt water vast. Er komen zaden op terecht en er groeit spontaan een plant.

Wanneer platte daken worden ingericht als groendak bieden ze  nog meer mogelijkheden voor natuur (zie de dak/gevel-biotoop). Platte daken zijn heel geschikt voor de aanleg van een daktuin (groendak) als de draagcontructie maar stevig genoeg is. Een eenvoudige begroeiing met alleen maar planten van het Sedum-geslacht bieden reeds heel wat nectar voor bijen en vlinders.

Hoge gebouwen zijn een prima surrogaat voor hoge rotsen en kliffen voor een vogel als de Slechtvalk. Dankzij wat menselijke hulp in de vorm van het plaatsen van een gepaste Slechtvalk-nestkast zijn er al Slechtvalken gesignaleerd op de grote toren van Sint-Maartensdal in Leuven, op het dak van het Sint-Pietersziekenhuis in Leuven, op de Sint-Michiels en Sint-Goedelekathedraal in Brussel, op de Sint-Jozefkerk in Aalst en op de Sint-Romboutstoren in Mechelen. Het plaatsen van de nestkasten leidde al tot verschillende broedsuccessen.

De Gierzwaluw broedde oorspronkelijk op rotsen, maar reeds verschillende decennia ook op torens en hoge gebouwen, in gaten, nissen en onder dakpannen. Het nest bestaat uit een klein nestkommetje met weinig nestmateriaal, zoals haren, pluimen en stro. De broedplaatsen bevinden zich vaak in donkere en nauwe spleten in hoge gebouwen op een hoogte van meer dan 4 m.  


Torens

Torens worden door roofvogels zoals de Slechtvalk gebruikt als uitkijkpost van waaruit ze mogelijke prooien kunnen opwachten.

Maar ook hoogspanningsmasten, zendmasten, hoge rookschouwen, koeltorens en hoge bruggen worden door de Slechtvalk geschikt bevonden als broedplaats. Veel van die locaties werden ondertussen al voorzien van de gepaste nestkast en met succes.


9. De HUIS/TUIN-biotoop: Huizen en particuliere tuinen

Zowel in de huizen als op de huizen vinden verschillende planten- en diersoorten een manier om zich succesvol te handhaven. Tuinen, zelfs de kleinste particuliere stadstuinen, bevatten veel potentie voor natuur in de stad. Maar in tuinen heerst de “tirannie van de kleine beslisser” en dat valt niet altijd samen met wat goed is voor natuur en biodiversiteit. Het zijn dan ook vooral de ecologische tuinen die het sterkst bijdragen aan de stedelijke biodiversiteit.


Huizen

In onze huizen is allerlei gedierte behorende tot verschillende soortgroepen te gast. We denken hierbij onder meer aan vliegen, muggen, mieren en spinnen. De dieren in onze huizen vinden verschillende voedselbronnen. Huisstofmijten voeden zich onder meer met huidschilfers. Ons voedsel wordt belaagd door allerlei plaagdieren zoals ratten, muizen, kamervliegen en kakkerlakken. Huisspinnen zijn haast volmaakt aangepast aan het leven binnenshuis en al houden veel mensen niet van hen, ze leveren toch een nuttige bijdrage door insecten te vangen. Hout- en textielvreters zijn ons het minst welkom van al deze ongenode gasten, daaronder tellen we sommige kevers en uiteraard ook motten die alleen wol aanvreten. De verschillende ruimten hebben een speciale atmosfeer en vormen de ideale habitat voor sommige soorten waarvan wij niet altijd het nut inzien.

In de vrije natuur maken dieren vaak onbedoeld een habitat voor andere dieren, als ze een nest bouwen. Dat geldt eigenlijk ook voor mensen. Maar omdat onze “nesten” zo groot en gecompliceerd zijn, kunnen er uitzonderlijk veel dieren in leven. De meeste soorten doen geen enkel kwaad, maar sommige kunnen problemen veroorzaken of zijn gewoon lastig. Mensen slaan grote hoeveelheden voedsel op en gooien allerlei eetbaar afval weg. Beide bronnen worden door dieren die in steden leven geëxploiteerd. Hoewel deze dieren soms worden ervaren als een plaag, maken ze in feite slechts gebruik van de overvloed aan voedsel.

De meeste van die “huisdieren” van ons zijn klein en alleen ’s nachts actief, zodat we ze zelden opmerken. Dat geldt vooral voor soorten die in onze woonvertrekken leven en daar voedselrestjes opruimen. ’s Ochtends verstoppen al die nachtdieren zich, maar dan treedt de dagploeg aan. In kelders en op zolders staat de fauna minder bloot aan de cyclus van licht en donker en is er ook minder verstoring door het komen en gaan van mensen. Voor wilde dieren lijkt een zolder veel op een grote, holle boom, en kelders hebben veel weg van grotten.

Wespen, vogels en huismuizen vind je op zolders, als ze daar in kunnen komen; vaak delen ze die habitat dan nog met slapende vleermuizen. Kelders zijn een eldorado voor spinnen, die er lange perioden zonder voedsel kunnen overleven en die vaak gewend zijn hun prooi in het donker te verschalken. De komst van de centrale verwarming heeft geleid tot een sterke toename van het aantal  dieren dat bij ons komt wonen. Zo kwamen kakkerlakken vroeger alleen voor in warme streken, maar nu vinden we ze ook bij ons. Ook tapijten en de zachte bekleding van stoelen spelen een rol; ze maken niet alleen ons huis comfortabel, maar leveren ook diverse dieren een schuilplaats of nestmateriaal. Zilvervisjes zijn wijd verspreid en doen zelden kwaad. Ze eten ’s nachts allerlei zetmeelachtige stoffen, desnoods ook behangplaksel.

Spouwmuren werden vroeger veelvuldig toegepast maar worden tegenwoordig omwille van energie- en kostenbesparing vaak achterwege gelaten. Spouwmuren zijn opgetrokken uit 2 stenen muren met tussenin een lege ruimte, de spouw. Deze ruimte heeft als doek het regenwater en ander vocht van buiten op te vangen, en door een open stootvoeg of een ventilatierooster te laten verdampen voordat het in de woning kan trekken. Veel van deze spouwen werden geïsoleerd om de warmte in de huizen beter vast te houden of om het geluid buiten te houden. Voor een aantal dieren is deze spouwmuur een geschikt leefgebied. Door de beperkte ruimte is de temperatuur en luchtvochtigheid constant. Predatoren kunnen niet gemakkelijk binnendringen en is het er dus veilig. Er is weinig verstoring, hetgeen de ruimte heel geschikt maakt voor dieren om er te overwinteren of jongen te krijgen. Niet alleen spouwmuren van grote gebouwen als scholen en flatgebouwen zijn in trek, maar juist ook de spouwen van gewone rijwoningen.

Hommels zoals de Aardhommel gebruiken spouwmuren in de stad meer en meer als nestplaats. Huismussen en Gierzwaluwen gebruiken de ruimte als nestplaats tijdens de broedperiode. Ze vinden de ruimte tussen de muren vaak via een weg onder de dakpannen door. Sommige vleermuizen (Meervleermuis, Franjestaart, Laatvlieger) gebruiken spouwmuren als zomerverblijf, winterverblijf of kraamkamer en hebben aan een open stootvoeg (een kiertje tussen 2 bakstenen) genoeg om naar binnen en buiten te vliegen.

Krotwoningen met gaten in de zolderdaken en kapotte ruiten zijn prima voor stadsnatuur. Maar tegenwoordig wordt energiezuinig gebouwd, wat grote voordelen heeft voor de menselijke bewoners, maar voor vogels als Gierzwaluw, Huismus en Huiszwaluw is er steeds minder nestgelegenheid beschikbaar. De voor deze soorten geschikte, overstekende dakranden worden schaars. In deel 4 zijn voorbeelden opgenomen van de mogelijkheden om deze vogels te helpen, zoals met een Gierzwaluwennestkast, een vogelvide voor Huismussen of een kunstnest voor Huiszwaluwen.

In de goten van gebouwen kunnen we soms planten aantreffen zoals Kransnemesia, Gewone Vlier en Vlinderstruik.

Beeldbepalende gevelbegroeiingen en groene daken blijven nog te veel onbenut (Zie ook dak/gevel-biotoop). Verschillende delen van het dak van een huis worden door vogels bezocht. Ze dienen als zang- of uitkijkpost of rustplek. De Turkse Tortel vertoont een voorkeur voor de schoorsteen, de Merel voor de nok en verschillende kleinere vogelsoorten benutten de nokeinden als zangpost.

De delen van het dak die door vogels bezocht worden zijn sterker met korstmossen begroeid omdat de ammoniak in de uitwerpselen voor een basische omgeving zorgt die voor korstmossen noodzakelijk is. De korstmosbegroeiing kan in een stadswijk een goede indicator zijn voor plaatsen waar deze soorten al jarenlang broeden, tenminste wanneer het gaat om betonnen dakpannen, want op geglazuurde dakpannen ontbreken veel korstmossen en ook op gebakken pannen zijn ze veel minder aanwezig.


Particuliere tuinen

Alle particuliere tuinen samen vertegenwoordigen een grotere oppervlakte dan de totale oppervlakte van de verschillende natuurgebieden. In de stad is er soms een zeer groot contrast tussen de rustige binnentuintjes en de drukke buitenruimte in de straat.  Als ondersteuning van de biodiversiteit in de stad zijn tuinen heel belangrijk. Ze maken de leefomgeving aangenamer en bieden een veilig onderkomen aan dieren. Het aandeel van stadstuinen in het totale aanbod aan groen in de stad is niet te onderschatten. Mensen aanzetten tot een natuur- en milieuvriendelijke tuininrichting en –onderhoud, kan dus heel wat effect hebben op de biodiversiteit in de stad. Als zij het pesticidengebruik achterwege laten,  kiezen voor duurzame materialen en de stadsdieren helpen aan voedsel, veiligheid en voortplantingsgelegenheid door een juiste plantenkeuze is dit al een flinke stap vooruit.

Met pesticiden wordt niet enkel het plaaginsect gedood maar ook heel wat nuttige insecten en het bodemleven. Hommels en bijen zorgen voor de bestuiving van bloemen zodat er bijvoorbeeld vruchten komen aan fruitbomen. Andere nuttige insecten zoals lieveheersbeestjes en Oorwormen zorgen er dan weer voor dat schadelijke insecten zoals bladluizen opgeruimd worden.

Lokale besturen hebben weinig vat op de aanleg en de inrichting van stadstuinen. Nochtans zijn stadstuinen heel belangrijk omdat ze een belangrijk aandeel vormen van de groene open ruimte in de stad. Al die kleine, groene natuurplekjes in de stad vormen een netwerk dat ten dienste kan staan van natuur en biodiversiteit. Door de hoge graad van versnippering zijn er soms heel wat barrières, zeker voor de grondgebonden dieren. Een studie in 19 Vlaamse tuinen leverde gemiddeld 160 plantensoorten (inclusief gecultiveerde soorten) per tuin. In de binnensteden zal dit aantal natuurlijk een stuk kleiner zijn. Er worden planten bewust aangebracht in de stadstuinen, maar veel soorten hebben zich spontaan gevestigd. Een groot aandeel van de planten in stadstuinen zijn niet inheems. Uitheemse planten kunnen soms problemen opleveren als ze zich massaal gaan verspreiden, maar dit geldt slechts in zeldzame gevallen. Naast planten leven er ook heel wat dieren in de stadstuinen.

Binnensteden zijn doorgaans arm aan echte tuinen. Er zijn verschillen naargelang de stadsdelen maar het oppervlaktepercentage blijft over het algemeen laag. In het gebied dat zich situeert tussen 0,5 en 1 km van het stadscentrum blijkt de grootste concentratie te bestaan van stadstuinen. Verder verwijderd van de stad neemt het percentage weer af, aangezien er daar ook minder woningen zijn en meer open-ruimte-gebieden met een overwegend agrarisch gebruik.

In steden vinden we nog te veel tuinen, die meer lijken op sterk versteende “cleane tuinkamers” en wellicht meer een soort loftgevoel oproepen dan het gevoel zich in een groene omgeving te bevinden. Dergelijke tuinen ogen misschien netjes, maar betekenen geen winst voor de natuur. Binnentuingroen neemt in veel steden af. Het afleveren van bouwvergunningen of bouwverordeningen waarbij men nauwelijks aandacht schenkt aan het (behoud van het )bestaande groen zorgt voor een verdere afname.

Maar in de steden zijn er ook zeer veel verschillende groene juweeltjes te vinden in verborgen binnentuinen en hofjes. Die vele groene ruimten tussen de stedelijke bebouwing in de vorm van tuinen en kleine lapjes gemeentelijk groen dragen voor een groot deel bij tot de stadsnatuur. Tuinen vormen een leefplek voor tal van diersoorten. Omdat elke tuin anders is, vindt elke soort wel iets van zijn gading. Zelfs in kleine stadstuinen worden tal van soorten, behorende tot uiteenlopende soortgroepen aangetroffen. Nette tuinen met geurige bloemenborders zijn ideaal voor vlinders, hommels en bijen. Ze vinden er nectar en stuifmeel in overvloed en vallen goed op als ze een partner willen lokken. Slordige tuinen, met veel takken en bladeren op de grond zijn vaak het domein van de Egel. Zij vinden beschutting tussen houtblokken, afgevallen bladeren en ander tuinafval. Plekjes met bomen, struiken en een dikke strooisellaag zijn bij zeer veel kleine beestjes favoriet. Afgevallen takken en bladeren die blijven liggen, herbergen tal van soorten zoals spinachtigen, duizendpootachtigen, pissebedden en kevers. Sierplanten trekken insecten aan die vervolgens ook natuurlijk gevestigde planten kunnen bestuiven. Tuinen met veel bomen en struiken vormen een geschikte biotoop voor vogels als de Winterkoning, de Roodborst, de Koolmees en de Merel.

Het natuurvriendelijk inrichten van een tuin is gemakkelijker dan veel mensen denken. Een groot deel van de tuinbiodiversiteit bestaat uit kleine diertjes; hiervan kunnen tientallen tot honderden soorten voorkomen. Om het deze diertjes naar de zin te maken, kunnen er allerlei speciale mini-biotoopjes aangelegd worden. Als er veel kleine diertjes in een tuin zitten, trekt dat weer grotere insectenetende dieren zoals vogels, Egels en vleermuizen. Open en groene tuinen zijn zeer belangrijk. Als tuineigenaren dit ten volle zouden beseffen en hun tuin nog natuurlijker inrichten, dan zou dit zeker bijdragen aan meer flora en fauna.

Hobbytuintjes die zichtbaar zijn voor iederen wekken de aandacht en vaak ook het enthousiasme op bij buren. Na een tijd van ruilen en samenwerken ontstaat op de duur een uniek straatbeeld, dat iedereen wel aanspreekt. Anderen gebruiken stekelige struiken als ze juist de afstand van de voorbijgangers tot hun gevels willen vergroten. Zelfs verwaarloosde tuintjes spreken tot de verbeelding. Al deze persoonlijke getuigenissen kunnen niet worden vervangen door betonnen gemeentebakken. Private tuinen brengen de natuur, ook in de stad, zeer dicht bij de bewoners. Ze maken in de meeste steden ongeveer een derde uit van de groene ruimte. Het gaat dus om een aanzienlijke oppervlakte, die een groot deel van de biodiversiteit in de stad vertegenwoordigt.

Vlinders zijn zeer graag gezien gasten in de tuinen en ze zijn bovendien ook heel nuttig, want ze helpen bij de bestuiving. Doordat geschikte habitats schaarser worden, spelen tuinen een steeds belangrijkere rol in de bescherming van de vlinders. Hoe gevarieerder de structuur en de vegetatie van de tuin, hoe beter de vlinder er terecht kan voor zijn verschillende levenscycli: ei, rups, cocon, volwassen vlinder. Droog gras, klimplanten, takken en droog kreupelhout in de tuinen zijn schuilplaatsen waar vlinders de winter kunnen doorbrengen.  Nectarleveranciers zoals de Vlinderstruik worden dankbaar door verschillende bijen, hommels en vlinders bezocht.

De natuur in de stad is er prima bij gebaat om in de private tuinen plaats te laten voor spontane natuur en enkele wilde hoekjes in de tuin toe te laten met hopen bladeren, takken en stenen. Men hoeft ook niet de hele oppervlakte rond het huis te verharden. Men kan even goed kiezen voor vegetatie zodat de grond het water kan opslorpen en aldus kan bijdragen tot de biodiversiteit.

Men hoeft ook geen chemische meststoffen te gebruiken. De beste manier om de grond vruchtbaar te maken, is met compost, die men zelf kan maken. Pesticiden en biociden zijn al helemaal uit den boze. Men kan even goed beroep doen op natuurlijke methoden om ongenode planten en dieren weg te houden. Pesticiden zijn dodelijk voor bijen. Ze doden bovendien ook de natuurlijke vijanden van de soorten die men wenst te bestrijden. Onkruid wieden is misschien om esthetische redenen gewenst dicht bij de woning; maar verder dan een 5 tal meter heeft dit veelal geen zin. Elke wilde plant heeft zijn eigen schoonheid en nut in de natuur.

Tuinen zijn ook van belang voor paddenstoelen. Ze bevatten vaak heel gevarieerde leefomstandigheden. In voortuinen in de Florealwijk in Watermaal-Bosvoorde werden maar liefst 14 soorten wasplaten aangetroffen.

Voortuinen bepalen voor een groot deel het uitzicht van een straat. Ze maken op een bescheiden manier ook deel uit van de noodzakelijke verbindingen voor dieren om van het ene stukje natuur naar het andere te trekken in de stad.

Vogels als Merel, Koolmees en Houtduif komen veelvuldig in de binnentuinen. Als er meer volwassen bomen, grote coniferen en struiken in de binnentuinen staan, zien we ook Gaaien en kauwen. Wie houdt van tuinieren stelt de aanwezigheid van mezen op prijs, want ze voeden zich vooral met insecten: bladluizen, wantsen, vlinderrupsen, vliegen en kevers die in de bloembedden, moestuinen of boomgaarden zitten. Een mezenfamilie verorbert zo’n 75 kilo insecten per jaar.  

Hagen zijn lijnvormige elementen, bestaande uit struiken of bomen, die op een korte afstand van elkaar in 1 of 2 rijen geplant zijn. Gemengde hagen met inheemse struiken zoals Meidoorn of Sleedoorn trekken veel vogels aan. Deze struiken trekken vaak ook nog eens bestuivende insecten aan zoals bijen en kunnen bovendien door vlinders gebruikt worden als waardplant (voedselplant voor de rupsen).

In tuinen rond openbare gebouwen, in eigendom of beheer van de gemeente, kan men het gazon laten uitgroeien tot een bloemenweide die men slechts 2 tot 3 keer per jaar maait. Men kan ook  hoekjes van deze tuinen laten verwilderen of een stapel dood hout laten liggen. Met het ophangen van nestkasten voor vogels en/of vleermuiskasten aan deze gebouwen geeft de gemeente bovendien het goede voorbeeld aan de stadsbewoners.

Een tuinvijver of amfibieëntuin geeft een extra dimensie aan de tuin. Men plaatst bij de aanleg best waterplanten die ook in Vlaanderen voorkomen, zoals Krabbenscheer. In tuinvijvers komen verschillende soorten voor zoals waterkevers, duikwantsen, muggenlarven, waterjuffers en libellen. In tuinvijvers waarin men ook vissen houdt zullen minder libellen, kikker- en paddenvisjes voorkomen.

Natuurinclusief bouwen houdt in dat nieuwe gebouwen onmiddellijk worden voorzien van natuurvriendelijke voorzieningen zoals bijvoorbeeld neststenen voor vogels en groendaken. Indien er meer plekken in de stad bestaan voor dieren om in te nestelen of te verblijven, dan is dit ook gunstig zijn voor de bouw. Als vogels ergens broeden of vleermuizen hebben een kraamkolonie in een gebouw dat eigenlijk zou moeten gesloopt worden, dan moet iedereen wachten, aangezien vleermuizen en vogels beschermd zijn. Als er echter over de stad heen bekeken genoeg alternatieve verblijfplaatsen worden aangeboden, dan zouden na de broedperiode, als dieren naar hun winterverblijven zijn vertrokken, de bouwwerkzaamheden verder kunnen gaan. Natuurinclusief bouwen levert dus ook economische voordelen op doordat er geen vertragingen meer zijn  in het planproces. Het natuurinclusief bouwen is ook het inrichten van groendaken.

De aanwezige natuur zou het uitgangspunt moeten zijn  bij het bepalen van de bouwprojecten, terwijl natuur nu vaak als een rest-item wordt behandeld. Waar men vroeger bij de bouw van steden nog min of meer rekening hield met natuurlijke structuren zoals reliëfverschillen, rivieren, bekenstelsels en overstromingsgebieden, bouwde men in de tweede helft van de twintigste eeuwe overal overheen. Dit tarten van de natuur, denkend dat men met de moderne technieken alles aankon, was een domme menselijke zet. Het bouwen in bijvoorbeeld overstromingsgebieden leidt nu, in combinatie met de klimaatcrisis, tot zware problemen, die niet via natuurbeheersing zijn op te lossen, maar door een verstandige omgang, of zelfs een synergie met de natuur. De natuur drukt immers voortdurend haar stempel op elk gebied, ook op het stedelijk gebied.

Groene architectuur houdt rekening met de toepassing van groen. In een verdichtende stad biedt groene architectuur een compensatie voor het tekort aan groen in de omgeving. Voorzetgevels met slingerplanten worden bij ons, in tegenstelling tot landen als Duitsland, nog beperkt toegepast. Pergola’s, berceau’s en wintertuinen zijn schaars in de binnensteden. Binnentuinen in oude wijken met gesloten bouwblokken hebben in de loop der jaren al veel aan groene waarde ingeboet door al of niet legale bebouwing en verharding. In deze wijken zijn er wel veel kleinschalige initiatieven om de buurt meer groen te geven met onder meer geveltuinen, bloembakken, balkonbeplanting en kleine daktuintjes maar veel bewoners kijken desondanks nog uit op grote oppervlaktes asfaltdak.

Groene architecten maken meer en meer gebruik van groene concepten zoals groendaken en geveltuinen. Dat kan gaan van eenvoudige gras- of sedumdaken tot heuse verticale tuinen. Ze maken bij voorkeur gebruik van streekeigen niet-toxische producten zoals baksteen, beton, hout, glas, staal, leem en gewassen. De materialen zijn bij recycleerbaar, herbruikbaar en/of demonteerbaar. Ze passen ook het principe toe van de zogenaamde landschapstuinen met veel groen zodat wonen, werken en parkeren in het groen mogelijk wordt. Zelfs binnenruimtes in kantoorpanden worden soms zeer groen ingericht met natuurlijke binnenbegroeiingen. Groene architecten voeren duurzaamheid en ecologisch denken hoog in het vaandel door middel van waterdoorlatend beton (tegengaan verzegeling), toepassingen van zonne-energie en windenergie, gebruik van restwarmte, eetbare wanden, eethuizen met gekweekt fruit.  

Wijken die zijn opgevat als stedelijke lobben, omringd door een blauwgroene open buitenruimte, bieden voordelen voor fauna en flora, er komt meer balans in het water- en bodemsysteem en het micro-klimaat verbetert. De woningen in eco-wijken worden voorzien van groendaken (“elevated green landscape”) en geveltuinen waarbij men onder meer klimplanten aanwendt. De uitgegraven grond wordt op de site zelf hergebruikt bij de aanleg van de groenvoorzieningen.

Groene wijken en vooral de zogenaamde ecowijken zullen een groter aantal soorten tellen dan de louter versteende wijken. Het creëren van eco-wijken zorgt ervoor dat de kersverse bewoners reeds van bij aanvang gemotiveerd zijn om milieu- en natuurbewust te leven, te wonen en te werken. In deze wijken besteed men niet alleen veel aandacht aan energiebesparing en alternatieve transportmiddelen, maar kan een zeer breed gamma aan maatregelen in de praktijk worden gebracht, afhankelijk van de plaatsgebonden mogelijkheden.

Men zal ervoor zorgen dat de wijken zo autoluw mogelijk worden ingericht met parkings aan de randen en zo weinig mogelijk doorgaand verkeer. Op de wijk wordt het auto-delen zoveel mogelijk toegepast. Autoluwheid wordt nagestreefd. Het gebruik van elektrische voertuigen kan wel worden aangemoedigd door middel van het voorzien van oplaadpunten voor elektrische voertuigen.

Er kunnen gemeenschappelijke nutstuinen, bloementuinen, (hoogstam)boomgaarden, bloemrijke gras- of hooilanden worden aangeplant of ingezaaid. Het tuinieren gebeurt ecologisch, dus zonder pesticiden. Men kan aan wijkcomposteren doen. De wijkbewoners kunnen zelf bomen aanplanten, bijvoorbeeld bij een geboorte (geboorteboom). Als de ruimte beperkt is kan men groenten of kruiden kweken in verhoogde plantenbakken (mini-volkstuintjes). Nutstuinen en boomgaarden kunnen deels voorzien in de voedselvoorziening van de wijkbewoners. Fruitsoorten zoals frambozen, braam en kersen kunnen verspreid over de wijk worden aangeplant.Het groen in de wijk kan ook begeleid worden met tal van speelaanleidingen. Indien er kleine landschapselementen (knotbomen, heggen) aanwezig zijn, dan behoudt men deze structuren. De groenelementen in de wijk kunnen tevens fungeren als een ecologische verbinding tussen buitengebieden en stadscentrum.

In eco-wijken is het een pluspunt als men vanuit de woning uitzicht heeft op bloemrijke hooilanden, op een park of als er vanuit de woning een doorkijk is naar water. Ofwel kan men de woningen bouwen rond een publiek toegankelijk park waar naast recreatieve voorzieningen ook avontuurlijke speelruimtes zijn voorzien. Er kunnen ook avontuurlijke wilde tuinen worden aangelegd. De variatie die bestaat uit moerassige delen, droge graslanden en bloemrijke graslanden zorgt voor een zeer grote soortendiversiteit. Gedeeltelijk afgestorven bomen worden niet verwijderd, maar worden ten volle erkend als een  niche voor vogels en insecten.

In de wijk hoeft men niet zozeer klassieke straten aan te leggen met afsluitingen en kleine voortuintjes; veel beter is het om veel open en gemeenschappelijk toegankelijke ruimten te creëren die men gezamenlijk onderhoudt met informele overgangen van privé naar openbaar domein.

Als de eco-wijk erin slaagt om volledig zijn eigen energie te produceren, dan drukt dit de energiefactuur aanzienlijk. Groene gevels en groendaken kunnen positief bijdragen aan de energiebesparing en de waterhuishouding.  Er kan ook een biogasinstallatie worden geïnstalleerd. De straatverlichting kan worden aangedreven met windenergie (kleine windmolens bovenop de verlichtingspalen). Er kunnen gemeenschappelijke bergingen, fietsenstallingen en parkeerruimtes worden ingericht. Groenafval kan worden ingezet voor biogasproductie.

Bij de parkings, wegen en pleinen gebruikt men alleen waterdoorlaatbaar materiaal, zoals gebroken lavasteen. Men kan de wijk voorzien van beken, grachten, waterbergingsvijvers en WADI’s. De wijk fungeert zelf als waterbuffer. De riolering kan gescheiden worden volgens de 4 types afvalwater: grijswater, zwartwater, hemelwater van daken of bestrating. Met grind gevulde grachten en zinkputten kunnen voorzien voor de infiltratie van regenwater in grasranden van de wijk. De betrokkenheid en verantwoordelijkheid van de bewoners is enorm groot in eco-wijken. Dit bespaart de gemeente veel geld in onderhoud.  

Samen met de gemeente kan een beheersplan worden opgesteld waarin voor de bewoners en de bedrijven de uitgangspunten, verantwoordelijkheden, afspraken over ontwikkeling en zelfbeheer van de openbare buitenruimte zijn uitgewerkt. De (toekomstige) bewoners kunnen van in het begin worden betrokken bij het ontwerp van de wijk en hun visie geven over de vestiging van kantoren, wasserettes, klusruimten en ontmoetingsplaatsen.

Autovrije korte verbindingswegels kunnen voor een vlotte verbinding zorgen vanuit de wijk naar haltes voor openbaar vervoer, het stadscentrum of de school. Er wordt speciale aandacht besteed aan wandelpaden in de wijk. Er kunnen ook tramlijnen worden aangelegd tussen de wijk en het stadscentrum. Er kan een netwerk van fietspaden worden aangelegd, gekoppeld aan een fietsverhuur en/of fietsenstallingen.

Bestaande wateren in de eco-wijken kunnen worden voorzien van nestvlotjes voor vogels. De zuivering van het huishoudelijk afvalwater kan gebeuren door middel van helofytenfilters. Dit zijn filters die door middel van moerasplanten en hun symbiose met bacteriën afvalwater zuiveren.

Ecoparken zijn ecologische verbindingszones en tevens buurtparken met waterpartijen, heuvels en fiets- en wandelpaden.


10. De DAK/GEVEL-biotoop: groendaken en geveltuinen

Tot deze biotoop rekenen we vooral de groendaken en de geveltuinen. Vooral in de centra van steden en gemeenten, waar tuinen en wegbermen per definitie schaars zijn of ontbreken, kunnen groendaken soelaas beiden voor een “groenere” leefomgeving. Bruindaken zijn een speciale variant van groendaken en tegeltuinen zijn eenvoudige versies van geveltuinen. Al deze vormen zorgen voor extra groen in overwegend grijze stadsgedeelten en industriegebieden. Ook een geveltuin brengt groen in de stad op plaatsen die tot dan onbenut waren gebleven.


Groendaken

Groendaken zijn daken waarop een substraatlaag met beplanting wordt aangebracht. In vrijwel alle steden in Vlaanderen bestaat er nog een zeer groot potentieel aan platte daken die met groen bekleed kunnen worden.

Stel dat we een plat dak van een laagje aarde voorzien, dan zorgt de natuur voor een snelle verandering. In de aarde zelf steken verschillende zaadjes, die spontaan zullen ontkiemen, al dan niet na aanvoer van regenwater. Er worden ook zaden aangevoerd via de wind, via vogeluitwerpselen, soms zelfs via mieren. Al vlug zien we op het laagje aarde een begroeiing van pionierssoorten zoals Papaver-soorten. Nadien vestigen er zich ook andere soorten. Het afsterven van de pionierssoorten zorgt voor extra humus. Na verloop van tijd beginnen struikachtige planten zich te vestigen, tot zelfs bomen zoals Gewone Esdoorn, Gewone Vlier en Berk-soorten. Natuurlijk zal men als eigenaar de natuurlijke successie zoals hierboven niet zomaar toelaten en het groendak naar eigen wensen en mogelijkheden (van de dakconstructie) aanleggen.

Er bestaat immers al een ruim aanbod aan groendaken, voor elk wat wils. Zo kan men onder meer kiezen voor een extensief groendak, een eenvoudig intensief groendak of een intensief groendak.

Een extensief groendak is een dun en licht groendak. Er is geen aangepaste constructie nodig. De bestaande bouw kan geschikt zijn. De beplanting bestaat uit Sedum-soorten, mossen, vetplanten en  kruidachtige planten. Het onderhoud is minimaal. Een substraatlaag van 3 cm kan voldoende zijn. Dit groendak kan een eenvoudig mosdak zijn, dat nog lichter weegt. Deze eenvoudige en goedkope types daken zijn bestand tegen wisselende weersomstandigheden en brengen al heel wat bijkomende natuur in de bebouwde omgeving.

Een eenvoudig intensief groendak is eigenlijk meer een grasdak, dat te vergelijken is met een kruidenrijk grasland. Dit dak is zwaarder dan een extensief groendak maar lichter dan een daktuin. Het vraagt ook minder onderhoud dan een daktuin. Een substraatlaag van minstens 8 cm dik zal nodig zijn voor een plat dak; vooreen hellend dak zal dit minstens 15 cm moeten zijn.

Een intensief groendak is een heuse daktuin. Deze is alleen op een vlak dak mogelijk. De begroeiing zal hier bestaan uit grassen, kruiden, struiken en volwassen bomen en paden en terrassen. Uiteraard vergt dit een zware, speciale constructie want de substraatlaag is veel dikker (meer dan 20 cm) en dus ook veel zwaarder. Deze daktuin is niet zelfregulerend en tamelijk onderhoudsintensief, te vergelijken met een tuin op de begane grond. Vaak hebben deze daken een verblijfsfunctie. Extensieve groendaken kunnen met een minimum aan aanpassingen op een bestaand dak worden aangebracht. Het resultaat ervan is steeds verbluffend. Er bestaan nog een paar tussenvormen van voornoemde groendaken, dus de mogelijkheden zijn ruim. Er bestaan ook speciale dakmatten waar gras, kruiden en vetplanten in kunnen groeien.

Groendaken hebben eigenlijk alleen maar voordelen, niet alleen voor de natuur maar ook voor de mens. Groendaken hebben een positief effect op de biodiversiteit. Het zijn groene passagepunten waar heel wat dieren, vooral insecten zoals vlinders en bijen, en vogels, dankbaar gebruik van maken. Dakbegroeiingen met bloemen trekken door de nectar tal van insecten aan. Het spel van licht en schaduw maakt van een groendak een aantrekkelijke habitat. Het fungeert bovendien als relatief veilige schuilplaats aangezien er zich zelden grondpredatoren op het dak zullen begeven.

Op groendaken komen er steeds meer soorten uit kalkrijke gebieden voor. De ongewervelde dierenfauna op groendaken vertoont sterke overeenkomsten met die van groeves.

Groendaken verhogen de levensduur van de dragende dakconstructies. Doordat groendaken minder onderhevig is aan UV-licht, gaat het dubbel zo lang mee als een klassiek dak. Een bebouwde oppervlakte kenmerkt zich door een grote en snelle run-off van water, weinig verdamping en een minimale infiltratie; een niet-bebouwde oppervlakte heeft veel verdamping, een kleine en trage run-off van water en een normale infiltratie. Groendaken fungeren als krachtige sponsen, die hemelwater opslorpen en het traag afgeven en dus wateroverlast tegengaan door de grotere waterberging. De kwaliteit van het hemelwater dat uiteindelijk wordt afgevoerd is beter. Ze bevorderen de energiebalans in het gebouw, want ze hebben een (beperkt) isolerend en een (aanzienlijk) koelend effect. Ze beschermen zowel tegen verhitting als tegen bevriezing. Ze zorgen voor een constanter binnenklimaat bij lichte dakconstructies en verminderen hier zowel in de winter het energieverbruik als in de zomer wanneer er voorheen met airco werd gewerkt. Ze voorkomen grote temperatuurschommelingen op het dak en beschermen tegen mechanische beschadiging (bijvoorbeeld door hagel). Ze werken tevens geluidsisolerend. Ze ogen mooi en zorgen bovendien voor schonere lucht, doordat de planten stofdeeltjes (fijn stof) vasthouden.

Groendaken kunnen worden aangelegd op onder meer woningen, garages, schuren, woonboten, flats, bedrijfsgebouwen, flats en scholen. Elk plat dak of licht hellend dak kan dienstig zijn.

Een groendak beschermt de dakbedekking tegen UV-straling, verhitting, bevriezing, grote temperatuurschommelingen en mechanische beschadiging (bijvoorbeeld door hagel). Bovendien optimaliseert de groenlaag de thermische isolatiewaarde van het dak en dempt ze het geluid. Ze hebben ook een lucht- en klimaatzuiverend effect doordat ze schadelijke stoffen opnemen. Ze vormen als het ware een buffer tegen luchtvervuiling.

Bij de heraanleg van de stationsomgeving in Wetteren in 2003 werden de fietsenstallingen geïntegreerd in de bestaande overkappingen. Zo hoefden geen nieuwe bouwvolumes te worden toegevoegd. De met  Sedum-soorten begroeide overkappingen zijn opgevat als “begroende vlakken” die omhoog plooien uit het maaiveld. Op die manier wilden de ontwerpers de overdaad aan beton rond het stationsgebouw breken.

Stadsbesturen kunnen het goede voorbeeld geven door bijvoorbeeld politiegebouwen en brandweerkazernes te voorzien van een groendak. Het verlenen van subsidies voor de aanleg van een groendak kan ook de toepassing ervan stimuleren.

Op groendaken kunnen ook functies gecombineerd worden zoals een parkje, een kinderspeelplaats, horeca of zonnepanelen. Men kan er ook zeldzame planten inzaaien of rottend hout neerleggen.

Groendaken hebben een hogere soortendiversiteit dan conventionele daken met leisteen, dakpannen en roofing, aangezien op deze “gewone” daken de vegetatiegroei meestal geweerd wordt. Deze daken trekken allerhande insecten aan. De soortendiversiteit zal doorgaans niet groter zijn dan in vergelijkbare biotopen op de grond, maar de aanwezigheid van groendaken op de plaatsen waar vrijwel geen vergelijkbare biotopen voorkomen, zoals in de binnensteden, is voor de stadsnatuur belangrijk. In sommige steden wordt de aanleg van groendaken enkel gesubsidieerd als ze een minimum aan “natuurbehoudswaarde” hebben: grotere plantendiversiteit, steenhopen, dood hout, open zandplekken, reliëf. Een natuurlijker groendak blijkt meer spinnensoorten op te leveren. De soortendiversiteit zal verder afhangen van de leeftijd en de vochtigheid van het groendak. Oudere en dus meer diverse groendaken leveren een hogere soortenrijkdom op dan jonge en “egalere” groendaken en de vochtigheid zal vooral bepalen welke soorten er aangetroffen worden. Springstaarten bijvoorbeeld zullen talrijker voorkomen op natte groendaken terwijl zandloopkevers meer zullen voorkomen op droge groendaken.

Groendaken herbergen af en toe zeldzame en bedreigde ongewervelden, maar meestal worden vooral algemene en mobiele soorten aangetroffen. Vaak zijn het ongewervelden van droge en snel opwarmende milieus die op groendaken gevonden worden en als dat biotoop zeldzaam is in de omgeving kunnen groendaken inderdaad inderdaad (al dan niet tijdelijk) soelaas bieden. In andere gevallen kunnen groendaken echter ook ecologische vallen worden wanneer er onvoldoende water en voedsel voorhanden is om een volledige levensyclus vol te maken (Kievit op groendak). Wie dus groendaken wil aanleggen met het specifieke doel van het aanbieden van een habitat voor een zeldzame soort, kan beter eerst nagaan of alle ecologische hulpbronnen er in voldoende mate en gedurende voldoende lange tijd aanwezig zijn voor de soort in kwestie.

Groendaken worden soms aangelegd als een surrogaat voor een natuurlijk biotoop. Een groendak met een bepaald biotoop aanvaarden als compensatie voor zo’n biotoop die op de grond vernield zou worden door bijvoorbeeld een bouwproject is te kort door de bocht. Een herstelbeheer op de grond levert zelfs lang niet altijd de gewenste resultaten, laat staan het gebruik van groendaken als mogelijk surrogaat voor biotopen op de grond. Het is dus beter een waardevol stukje natuurgebied gewoon te behouden in plaats van dit om te vormen tot een baanwinkel met een groot groendak.

Het mogelijke gebruik van een groendak als stapsteen bij dispersie hangt af van de grootte van het dak, de hoogte waarop het ligt en de afstand tot vergelijkbare groendaken en biotopen op de grond. Het zijn vooral mobiele en vliegende soorten die gebruik maken van groendaken tijdens hun verplaatsingen doorheen de stad waarbij vooral grote groendaken gebruikt worden. Het blijkt dat hoe hoger het groendak is gelegen, hoe minder bijen de aangeboden nestkasten op de daken gebruiken. Voor het functioneren van groendaken als stapstenen of voortplantingsplekken voor vlinders is de aanwezigheid van natuurwaarden en bestaande vlinderpopulaties in de omgeving van deze groendak belangrijke factoren.

De zogenaamde bruindaken of “bruine daken” zijn een speciale vorm van groendaken. Deze daken genieten nog weinig bekendheid. Op die daken wordt de oorspronkelijke, vaak ruderale grond, teruggeplaatst op het dak. Die grond bestaat dan vooral uit puin en aarde, en raakt stilaan spontaan begroeid. De braakliggende grond wordt als het ware opgetild en dan ook ongeveer dezelfde potenties als een braakliggend terrein. In Londen zijn deze zogenaamde “brown roofs” populair en worden ze al actief aangelegd. Bruine daken kunnen zich ook spontaan ontwikkelen, doordat grinddaken langzaam begroeid raken.


Geveltuinen

Veel verticale wanden en “blinde” muren blijven in de stad onbenut. Maar in veel steden doen de laatste jaren geveltuinen hun intrede. Een geveltuin is een muur die bedekt is door klim- of leiplanten die wortelen in de bodem en/of waarop een substraat is bevestigd waarin plantensoorten kunnen wortelen. Bewoners halen straatstenen voor hun gevel weg en geven hier de natuur ruimte. Stenige wijken krijgen hierdoor een vriendelijker karakter. Wanneer slecht 1 of een paar tegels worden verwijderd om in de aarde een plant te laten groeien spreken we van een tegeltuin.  

Klimplanten maken van kale muren een geveltuin. Vogels kunnen er een nest in bouwen. Nestkasten in buurt van begroeide muren zullen sneller ingenomen worden. Geveltuinen trekken veel insecten en vogels aan. Ze vergen weinig plantoppervlakte in de grond. Door het aanplanten van verschillende soorten klimplanten in tuinen en straten kan men nagenoeg het hele jaar door voor bloei en vruchten zorgen Sommige soorten geven de voorkeur aan zuidmuren, zoals de Wijnstok, andere aan noordmuren, zoals de Klimop. De Klimop is bijzonder waardevol voor bijen en vlinders omdat deze in november nog voor een goede dracht zorgt. In april zijn er al rijpe bessen als voedsel voor vogels. Andere soorten die in een geveltuin passen zijn Hop, Heggenrank, Kamperfoelie en Rozen.

Geveltuinen zorgen voor een aanzienlijke verbetering van het straatbeeld. Klimheesters tegen een blinde gevel in een particuliere tuin kunnen beeldbepalend zijn. Een groene gevel brengt groen in de stad op onbenutte plaatsen. Gevelbegroeiing met bijvoorbeeld Valse Wingerd of Oosterse Wingerd is niet schadelijk voor gebouwen en levert een bijdrage aan de huisvesting van verschillende dieren. Bij geveltuinen gaat het private naadloos over in het openbare. Uit private geveltuintjes spreekt persoonlijkheid van de huizen. Potplanten, gevelplanten en minituintjes in boomspiegels benadrukken de liefde voor groen in de stad. Bloeiende klimplanten zoals Kamperfoelie-soorten lenen zich uitstekend om in een gevel- en tegeltuin te worden gebruikt. Dit is vooral af te lezen aan een toename van het aantal vlinders en andere insecten die op de bloemen afkomen. Een geveltuintje van pakweg 2,5 op 1 meter is al een dankbaar project. Eigenaars worden telkenmale verrast door planten die spontaan in dat tuintje groeien.

Geveltuinen zorgen voor schaduw en een welkome natuurlijke klimaatregeling door de isolerende werking tijdens hittegolven of zeer koude periodes. In de versteende binnensteden kunnen de temperaturen hoog oplopen, in elk geval hoger dan in de omringende buitengebieden. Vooral in de zomer kan dit tot onaangename temperaturen leiden. Begroeiing op of voor muren kan deze temperatuursverhoging dempen en dus het leefklimaat voor de bewoners verbeteren. Gevelbegroeiing zorgt bovendien voor een geluidsdemping.

Planten op muren trekken insecten aan en deze trekken op hun beurt vogels, Egels en andere dieren aan. Er kunnen bloemrijke vegetatiemuren worden ingericht. Geschikte klimplanten voor gevels zijn bijvoorbeeld de Bosrank (waardplant vlinders) en de Wilde Kamperfoelie (nectarplant hommels, vlinders, bijen); geschikte halfhoge planten voor de geveltuin zijn bijvoorbeeld Stijf IJzerhard (vlinders zoals Kolibrievlinder), Stokroos en Venkel; geschikte lage planten zijn bijvoorbeeld Amandelwolfsmelk, Wilde Akelei (hommels, Akelei-uil), Blauwe Druifjes, Spijklavendel, Wilde Marjolein (bijen, vlinders), Rozemarijn en Maagdenpalm.

Wie met een kleine ingreep zijn woon- en leefomgeving wil verfraaien kan – in overleg met het stadsbestuur – enkele stoeptegels tegen de gevel wegnemen om een zogenaamd tegeltuintje aan te leggen.

De verticale tuin, ook wel groene muur of “living wall” genoemd, is niet hetzelfde als een met Klimop begroeid gebouw. Klimop of andere klimmende planten zijn verankerd in de grond. Deze planten vinden hun (voedsel)bodem aan de voet van de muur. Een verticale tuin is opgebouwd uit modulaire panelen, die elk hun eigen grond bevatten. Deze panelen kunnen op verschillende hoogtes worden geplaatst en geven ruimte aan een grote verscheidenheid aan planten. Ook binnen in een gebouw zijn er kale muren waar een groene tuin kan worden ingericht;

De begroeiing van een muur aan de buitenzijde van een gebouw draagt bij aan de bescherming van een gevel, maar bovendien ook aan de isolatie van een gebouw. Bij koude blijft de warmte langer binnen. Bij warme temperaturen blijft het langer koel. De isolerende eigenschap geeft ook een geluidsdemping ten aanzien van het straatlawaai. Een verticale tuin is mogelijk bij zowel nieuwbouw- als renovatieprojecten.

Met iedere verticale tuin ontstaat er een nieuwe plek voor vogels, vlinders en andere dieren. Sommige insecten eten bladeren, andere drinken de nectar van bloeiende planten. Er kunnen ook eetbare planten zoals kruiden, groenten en fruit worden gekweekt. In een sterk verstedelijkt gebied zorgen verticale tuinen ervoor dat de directe leefomgeving verbetert en dat er duurzaam wordt gewerkt. Inmiddels zijn er gemeenten die projecten van inwoners die hun wijk door middel van verticale tuinen verfraaien toejuichen en zelfs financieel tegemoet komen.  

Groen, muurplanten en hangende façadebegroening geven een esthetische meerwaarde aan anders troosteloze gevels en bieden enkele interessante voordelen. Doordat planten verdampen en de gevel beschermen tegen directe zonbestraling zorgen zij voor een afkoeling van de warme stadslucht. Niet alleen in de stad maar ook in het gebouw zelf regelt de geveltuin de tempertuur.

Doordat het stof aan boven- en onderkant van de bladeren blijft hangen, filteren ze bovendien de lucht. De over elkaar liggende bladeren zorgen voor een waterdichte laag die werkt als een regenmantel voor de gevel en dienst doet als tijdelijke verblijfplaats, broedplaats en beschutting voor dieren. De vele insecten en spinnen die in een verticale tuin huizen, zijn een welgekomen prooi voor veel stadsdieren en krijgen bijgevolg minder kans om de gebouwen binnen te dringen.

Op de gevel van het pand van Toerisme Hasselt werden panelen voorzien van een speciaal ontwikkeld substraat, waarin plantmateriaal kan wortelen en voeding kan vinden. De planten die werden gebruikt zijn een mix van groenblijvende en bloeiende planten zodat ze de gevel in elk seizoen kleur geven. De gevel verfraait de binnenstand en vergroot de biodiversiteit en de Co2-afbraak en bindt fijn stof. Met verschillende initiatieven hopen de stadsbestuurders de stadsbewoners aan te moedigen om ook een blind stukje muur in te kleden als tuin.

Groendaken en geveltuinen moeten verder gestimuleerd worden. Het zijn waardevolle ecologische stapstenen en dus een weldaad in de overmatig stenen omgeving. Het stadsbestuur kan informatieve folders verspreiden en stimuleren dat groendaken worden aangelegd en/of blinde of doodse gevels, schuttingen en hekwerken worden benut voor begroening. Het kan in gesprek gaan met de eigenaars en hulp aanbieden bij onderhoud. Soms ontbreekt het de bewoners namelijk aan deskundigheid. Enkele voortrekkers per wijk of stadsdeel kunnen de bewoners helpen. Het stadsbestuur kan private intitiatieven ondersteunen of zelf ook het voorbeeld geven door openbare gebouwen van gevelgroen te voorzien. In veel steden worden reeds subsidies verleend voor de aanleg van groendaken. Veel steden vinden het waarschijnlijk nog een brug te ver om een groendak bij nieuwbouw verplicht te maken. Dankzij sensibilisering en ondersteuning door de stadsbesturen zal het aantal groendaken in de toekomst ongetwijfeld nog sterk toenemen.

Om buurtcentra en andere gebouwen van gevelgroen te voorzien bestaan er verschillende constructies die op de panden kunnen worden aangebracht.

Gesprekspartners van het stadsbestuur in verband met de aanleg van groendaken en geveltuinen kunnen bijvoorbeeld zijn: verenigingen van eigenaren, woningbouwverenigingen en winkeliersverenigingen; instrumenten kunnen dan bouwvergunningen, bouwverordeningen, bestemmingsplannen en subsidiefondsen zijn.


11. De NUTSTUIN-biotoop: volkstuincomplexen en boomgaarden

Onder de NUTSTUIN-biotoop begrijpen we de volkstuincomplexen en boomgaarden. Onder deze biotoop rekenen we alles wat eraan bijdraagt om een deel van het voedsel voor de stad in de stad te produceren. Dit kunnen kindertuinen zijn, stadsboerderijen (city-farms), restauranttuinen en moestuinen. In deze nutstuinen worden groenten, fruit, kruiden (tuinkruiden of medicinale kruiden) en bloemen geteeld. Volkstuincomplexen, waartoe we ook de stadsboerderijen rekenen, zijn in opmars in heel Europa. Het kan het begin zijn van een evolutie waarbij voedsel terug op een structurele manier dichter bij de stad wordt gebracht. Boomgaarden, bij voorkeur hoogstamboomgaarden, kunnen worden aangeplant als onderdeel van bijvoorbeeld een stadspark, een rustoord, een universiteitscampus of een ziekenhuis. De opbrengsten kunnen gewoon worden geplukt en verdeeld onder bezoekers of bewoners; de rest kan aan de natuur worden gelaten.  


Volkstuincomplexen

Een volkstuincomplex is akkergrond gelegen in stedelijk gebied. Deze grond is verdeeld in kleine private percelen die door particulieren gebruikt worden als moestuin. Meestal worden die stukjes grond door buurtbewoners gehuurd. Op die stukjes grond staat meestal ook een tuinhuisje waarin het tuingerief wordt opgeborgen. Volkstuinen hebben een gemiddelde oppervlakte van 80 tot 200 vierkante meter. Tuiniers betalen jaarlijks huurgeld voor het gebruik ervan.

Een samentuin is een gemeenschappelijke tuin waar buurtbewoners samen ecologisch moestuinieren. Meestal is het een gewezen stuk braakliggende grond dat het stadsbestuur ter beschikking stelt aan de stadsbewoners. Samentuinen varieren sterk qua oppervlakte en zijn meestal gratis. Er komen steeds meer samentuinen in de steden voor. Opstartende tuinen kunnen steun van de stad krijgen bij het opzetten en de uitbouw van hun tuin. Die steun bestaat dan uit het ter beschikking stellen van infrastructuur en ook wat praktische info over het moestuinieren. In de stad Antwerpen is het principe van de samentuinen al goed ingeburgerd. In deze tuinen kan er ook aandacht worden besteed aan het composteren en kunnen bijenhotels en egelkasten worden geplaatst. In oude binnensteden lagen van oudsher moestuinen, om de bevolking in roerige tijden van vers voedsel te voorzien. Niet zelden zijn er nog restanten van de bijhorende oude akkerflora her en der aanwezig.

Het bestaan van steden is alleen maar mogelijk doordat er in de landbouw genoeg voedsel geproduceerd wordt. Slechts weinigen zijn nodig voor de voedselproductie voor velen. Hierdoor zijn anderen in de gelegenheid om andere beroepen uit te oefenen. Anderzijds kunnen de boeren ook niet zonder de goederen en diensten uit de stad. Een bijzondere tussenvorm tussen steden en boerderijen zijn de stadsboerderijen, waar voedsel wordt geproduceerd om in de stad te consumeren.

Een stadsboerderij is eigenlijk een wat groot uitgevallen volkstuin. Vaak worden er ook behalve nutsplanten ook nog (nuts)dieren gehouden. Stadslandbouw is geen nieuwe ontwikkeling. Steden ontwikkelden zich vroeger op plaatsen met vruchtbare gronden. Veel stadsbewoners waren boeren die hun producten in de stad aan de man brachten. Toen de steden doorgroeiden tijdens de industrialisatie in het begin van de twintigste eeuw en ziekten, ondervoeding en gebrek aan goed voedsel een probleem werden, werden veel arbeiderswijken zo ontworpen dat men er vergaand zelfvoorzienend kon leven. In de stadsboerderijen werden ook dieren gekweekt. Terwijl de grond vroeger alleen vruchtbaar was, kan deze nu wel vervuild zijn, zeker als voormalige industriegronden omgevormd werden tot gronden voor het kweken van gewassen of groenten.

Soms wordt een heuse coöperatieve landbouwallantie met consumentenparticipatie opgericht, een CVBA. Door aandelen te kopen wordt men mede-eigenaar en gaat men dus gezamenlijk ondernemen. Hierbij wordt een faire afzetmarkt voor regionale biologische landbouwproducten gecrëerd. De coöperanten baten een echt landbouwbedrijf uit. Er worden groenten en fruit geteeld voor de lokale afzet. Het landbouwbedrijf kan onder meer een boerderijwinkel, een afhaalwinkel en een proeverij omvatten. Er kan zelfs een kinderopvang worden georganiseerd; soms worden er lezingen en debatavonden gehouden en seizoensgebonden groenten- en fruit-abonnementen verkocht.

Verschillende studies tonen aan dat een meer diverse en kleinschalige landbouw, met weinig of geen chemische input (kunstmeststoffen, pesticiden) en zonder genetisch gemanipuleerde zaden, minstens evenveel voedsel kan produceren als de” industriële landbouw, en dat op een duurzame wijze, zonder de aarde uit te putten. Door gebruik te maken van lokale variëteiten kan deze kleinschalige landbouw de voedselproductie nog doen toenemen. Maar liefst 90 % van het voedsel wereldwijd bestaat nog slechts uit 120 gecultiveerde soorten, terwijl er ooit tienduizenden soorten gewassen de mensen voedden. Er wordt thans 50 % meer voedsel geproduceerd dan nodig is in de rijke landen terwijl in de arme landen honger wordt geleden. Massale hoeveelheden voedsel komen bij het afval terecht.

Kunstmest bestaat uit mengsels van stikstof (nitraat), fosfor en kalium. Planten hebben veel meer stoffen nodig voor hun groei, zoals diverse sporenelementen en actieve bodembacterïen, samen met een goede bodemstructuur. Ook chemische bestrijdingsmiddelen en de olie-afhankelijke gen-tech-teelten dragen bij aan de verdere aantasting van de biodiversiteit. In de conventionele landbouw is alles gericht op een steeds grotere productie, export, schaalvergroting, chemificatie en specialisatie (monoculturen) met dalende landbouwprijzen als gevolg, die dan moeten worden goedgemaakt door landbouwsubsidies. Ondertussen zijn de inkomens van de boeren sinds 2008 zowat gehalveerd.

Stikstof wordt gewonnen uit de lucht, door gebruik te maken van waterstofgas dat uit aardgas gewonnen wordt. Er is dus veel aardgas nodig om kunstmest te produceren. Fosfor wordt verkregen uit de delfstof fosfaatkalk. Slechts in enkele landen is dit fosfaaterts aanwezig en de voorraad hiervan dreigt binnenkort te zijn uitgeput. Samen met de stijgende energieprijzen is de rekening die de conventionele landbouw zal betalen enorm hoog als ze volhardt in deze roofbouw op het land.

Een biologische landbouw met een lichtere grondbewerking en het vermijden van intensief keren van de grond zorgt voor een betere bodemstructuur met een toename van het bodemleven, een diepere doorworteling en een betere waterinfiltratie in natte periodes. Verschillende organische afvalstromen kunnen worden verwerkt en als compost  op het land worden gebracht. Ook de inzet van groenbemesters beschermt de bodem tegen verslemping en erosie. Een op de regio gerichte, kleinschalige landbouw verhoogt de betrokkenheid van de consumenten met de boeren en biedt een alternatief voor de multinationaal door monopoliebedrijven gedicteerde agroindustrie.

Kleinschalige landbouw en verschillende kleine voedselproducenten zijn belangrijk voor het behoud van de biodiversiteit van zaaigoed. Enkele grote agrobedrijven proberen namelijk octrooi aan te vragen voor het zaaigoed van de meest gangbare voedselgewassen en zouden zo controle over de hele voedselketen willen verkrijgen. Verschillende kleine producenten vormen een tegengewicht tegen deze monopolies. In kleine nutstuinen en ecologisch werkende bedrijven kunnen veel meer verschillende rassen verder worden ontwikkeld en is er ruimte voor de “vergeten groenten”. Met permacultuur trachten biologisch-dynamische landbouwers  systemen te creëren die zichzelf in stand houden, naar analogie met natuurlijke ecosystemen. Men wil opbrengst door een minimale input van energie en een minimale output van afval. Men gebruikt hierbij milieu- en natuurvriendelijke methodes. Men vermijdt dus chemische bestrijdingsmiddelen.

Een variant van een stadsboerderij is een zorgboerderij waar mensen uit kansengroepen hun dag op een stimulerende manier kunnen doorbrengen.

Een kinderboerderij is een boerderij zonder productiedoelstelling. Meestal herbergt een kinderboerderij een beperkte hoeveelheid kleine landbouwhuisdieren, een moestuin en verschillende uit educatief oogpunt opgezette initiatieven zoals het timmeren van nestkasten, het bouwen van een bijenhotel, en dergelijke meer.

Volkstuinen kunnen zowel op de begane grond als op een dak worden aangelegd. In een wijk kunnen zaden worden uitgedeeld of zelfs wortelstokken om zo de soorten over de wijk te verspreiden. De moestuintjes kunnen afgeboord worden met lage hagen in plaats van hoge hagen. Ook al hebben ze een privaat karakter; ze worden dan meer als openbaar groen ervaren. In moestuinen kan een pad van Witte Klaver tussen de groenten worden aangelegd, in de plaats van planken of tegels. De grond blijft onbedekt en begaanbaar wanneer het regent. Witte klaver is bestand tegen lichte betreding en is heel interessant voor bestuivende insecten.

Waar geen snelwegen of andere barrieres de stad van de omringende natuur scheiden, kun je in volkstuincomplexen soms Konijnen, Vossen, Bunzings en Wezels zien. In moestuinen worden de nog braakliggende perceeltjes snel ingenomen door pioniersplantensoorten. De planten die hier spontaan opschieten worden snel bezocht door solitaire bijen zoals de Gewone Sachembij die er het stuifmeel ophaalt.

Het is een vaststaand gegeven dat de bewoners de volkstuinen slechts ten dele voor voedselproductie bewerken en onderhouden; het is voor hen evenzeer een ontspannende en leuke bezigheid die tegelijk een sterke sociale dynamiek teweegbrengt.


Boomgaarden

Een vorm van voedselproductie die minder intensief beheer vergt, is het aanplanten van fruitbomen. Soms kiest de stad in een project specifiek voor de aanplant of het behoud van een (hoogstam)boomgaard. Ook campussen, rustoorden of ziekenhuizen kunnen voorzien in een boomgaard. De bewoners of bezoekers kunnen hiervan de vruchten plukken.  

Vaak wordt voor fruitbomen gekozen in plaats van laanbomen en klassieke “park”-bomen. Een boomgaard kan een sterk bindmiddel zijn voor de bewoners van een stadswijk. In een traditionele boomgaard met (hoge) fruitbomen wordt fruit gekweekt, zodat de bewoners hier extra profijt van hebben. Het is telkens een heel evenement als het moment van oogst is aangebroken. Er wordt gezamenlijk geplukt, appels worden verwerkt tot confituur en sap. Op die manier kunnen verschillende boomgaarden volledig of gedeeltelijk door de bewoners zelf worden onderhouden. Dat kunnen dan nieuw aangelegde boomgaarden zijn of boomgaarden van voormalige tuinderijen die behouden zijn gebleven. De bewoners kunnen het fruit in de openbare ruimte gewoon gebruiken.

Voor fruitboomgaarden zijn te warme wintertemperaturen niet goed. Als warm winterweer te lang aanhoudt, dan kan de benodigde winterrust voor allerlei fruitgewassen verstoord worden. In dat geval dreigt er namelijk een onregelmatige bloei in het voorjaar en dit heeft grote gevolgen voor de productie. Planten hebben een bepaalde koudebehoefte om sterke bloemknoppen te ontwikkelen. Veel appelrassen hebben bijvoorbeeld 700 uur winterrust nodig. Temperaturen tussen de 4 en 7 graden zijn optimaal. Bij temperaturen tussen de 7 en 9 graden wordt het aantal koude-uren langzamer opgebouwd.

Bramen langs drukke wegen moeten wel eerst gewassen worden voordat ze worden gegeten. Ook bramen die laag bij de grond hangen kunt u beter niet plukken. Hier kan een hond, kat of Vos namelijk over geplast hebben. Omwille van historische bodemverontreiniging wordt de aanplanting van fruitbomen en groenten in sommige steden verboden. Dit leidt vaak tot veel ongenoegen en teleurstelling bij toekomstige bewoners.

Boomgaarden zorgen in het voorjaar voor een schitterende bloemenpracht met in de tweede helft van april de witte kersen- en perenbloesems, en niet veel later de wit-roze appelbloesems. Ze zorgen voor een rijke oogst aan eetbaar fruit. En in het najaar trekt het rottende valfruit verschillende diersoorten zoals vlinders, Merels en Kramsvogels aan.


12. De PUT-biotoop: straatkolken en kelderputten

De PUT-biotoop, die qua plantensoorten dicht aanleunt bij de muurvegetaties van vochtige kademuren omvat de straatkolken, die in de stad alomtegenwoordig zijn en de kelderputten, vooral deze waar lange tijd niet naar werd omgezien door de bewoners. In deze biotoop worden niet alleen planten aangetroffen, maar ook soms dieren.


Straatkolken

Een straatkolk, ook straatput of stadsput genoemd, is een gemetselde koker, waar het water wordt opgevangen. Middenin deze koker zit een aansluiting naar het riool. Als de koker volloopt, stroomt het water door naar het riool. Bladafval en zand blijven achter op de bodem van de koker, vandaar dat de putten periodiek worden schoongezogen door een ruimdienst.

De vochtige omstandigheden in de straatkolken zijn ideaal voor verschillende varenachtigen en andere planten die men vaak ook op muren aantreft. In straatkolken kan men verschillende varensoorten aantreffen:  Moerasvaren, Smalle ijzervaren, Stijve naaldvaren, Zachte naaldvaren, Steenbreekvaren, Tongvaren, Muurvaren, Mannetjesvaren, Eikvaren, Brede stekelvaren, Smalle stekelvaren, Wijfjesvaren, Schubvaren, Blaasvaren en Zwartsteel.
Naast varens worden ook nog andere planten in de putten aangetroffen zoals Gele Helmbloem, Klein Glaskruid en Stijf hardgras.

Het feit dat veel planten die in de straatkolken worden aangetroffen tevens soorten zijn die vaak op (kade)muren te vinden zijn is niet vreemd aan de vochtige omstandigheden die ook deze putten kenmerken. In de oudere gemetselde straatkolken kunnen veel planten groeien; in de nieuwe plastic straatkolken niet. De planten hebben namelijk de voegen nodig om hun wortels aan te hechten. Bij het vervangen van straatkolken wordt dus best gekozen voor een gemetselde variant.

Op drukke paddentrekroutes kunnen de straatkolken regelmatig worden gecontroleerd op de aanwezigheid van de Gewone Pad. Er kan ook een “trap” van geribbeld materiaal in de putten worden gezet, waarmee de dieren zelfstandig de put kunnen uitklimmen.

Riolen kunnen zonder speciale veiligheidsmaatregelen niet bezocht worden, maar ze zijn wel een geliefd leefgebied voor Bruine Ratten. Vroeger liep in het midden van een woonstraat het hoofdriool. De kleinere buizen van de woningen kwamen horizontaal in het midden van de grotere buis uit. Er ontstond dus een plek bij de aansluiting van de kleine naar de grote buis waar ratten konden zitten. Bij de meer recente rioleringsbuizen is de aansluiting op de grote buis niet meer horizontaal. De kleine buizen komen van bovenaf de grote buis binnen. De zitplekjes voor de ratten zijn dus verdwenen. Het rioolstelsel is ook helemaal gesloten. Er bestaat dus geen opening meer tussen het riool en de buitenwereld. Soms komen er wel dieren in de riolering terecht zoals de Roodwangschildpad of visjes (doorgespoeld in toilet).

Via straatkolken spoelen ook soms amfibieën het riool in. Deze raken er dan niet meer uit. Straatkolken zijn essentieel voor de afvoer van regenwater, maar blijken in sommige gevallen voor padden, kikkers en salamanders onbedoeld als val te fungeren. In bijna alle gevallen leidt dat tot sterfte van de dieren.

De amfibieën komen vooral terecht in straatkolen aan de rand van de bebouwde kom of in de buurt van stadswateren (waar ze zich voortplanten) en parken en tuinen (waar ze tijdens hun landfase verblijven). Tijdens de trek tussen deze plaatsen volgen ze vaak hoge stoepranden en trottoirbanden. Zo maken ze grote kans om via de openingen in de kolkdeksels in de straatkolen terecht te komen.  Het probleem treedt op van het vroege voorjaar tot in de herfst. De dieren kunnen langs de hoge gladde wanden de kolken niet uitkomen en sterven uiteindelijk in de kolk of worden net instromend regenwater meegevoerd naar het centrale rioolstelsel, waarna ze bij gemangde rioolsystemen dan uiteindelijk in de waterzuiveringsinrichtingen terecht komen. Naast amfibieën komen er, weliswaar in lagere aantallen ook zoogdieren als muizen en spitsmuizen in de kolken terecht en incidenteeel worden er ook Egels en jonge vogels in aangetroffen.  

Preventief kan men een aantal rioolkolken verwijderen of de trottoirbanden verlagen of verleggen. Men kan ook tijdelijk afsluitroosters plaatsen zodat insluiting van dieren wordt voorkomen. Door het plaatsen van ruwe strips of matten van kunststof of metaal vanaf de bodem tot aan de opening van de kolk kunnen amfibieën zelf uit een straatkolk klimmen. Amfibieën blijken heel goed in staat te zijn om gebruik te maken van uitklimvoorzieningen. De modellen zullen op basis van de opgedane ervaringen verder ontwikkeld worden. Natuurverenigingen die veelal goed op de hoogte zijn van de verblijfplaatsen en trekroutes van amfibieën kunnen met de gemeenten werken aan passende oplossingen voor geconstateerde probleemlocaties.


Kelderputten

Ook kelderputten leiden vaak tot verrassende vondsten van planten in het stedelijk gebied; het betreffen vooral varens. De vochtige putten vormen een ideale groeiplaats. In kelderputten vond men al Zwartsteel, Muurvaren en Tongvaren.


13. De MUUR-biotoop: muren en basaltglooiingen

Oude steden hebben vaak indrukwekkende verdedigingswerken bestaande uit oude stadsmuren en oude kademuren. Het zijn veelal muren van gemetselde stenen. Kademuren grenzen aan wegen of paden en staan in contact met water. Basaltglooiingen zijn taluds die bekleed zijn met basaltblokken ter bescherming tegen golfslag.


Muren

Muren zijn uitstekende groeiplaatsen voor rotsplanten. Ze zijn gewend aan een stenige ondergrond, waar het moeilijk wortelen is en waar een microklimaat heerst met een sterk schommelende temperatuur en vochtigheid. Een aparte plaats binnen de stadsplanten nemen dan ook de zogenaamde “muurplanten” in die we op meer plaatsen in de steden aantreffen.

Muurplanten zijn planten die in onze streken op muren, zoals kadewallen, kerkmuren en stadswallen groeien. Deze planten zijn veelal oorspronkelijk afkomstig uit bergachtige streken in het Zuiden van Europa, waar ze op rotsen en puinhellingen hun natuurlijk habitat vinden. Voorbeelden hiervan zijn Gele helmbloem, Klein Glaskruid, Muurfijnstraal, Muurhavikskruid, Muurleeuwebek en Muurvaren.

Veel muurplanten zijn bedreigd en muurbegroeiingen hebben een belangrijke natuurbehoudsfunctie en tevens een belangrijke cultuurhistorische waarde. Ze gedijen het best in stedelijke gebieden op het kunstmatige substraat van ruwe baksteen of natuursteen gemetseld met een kalkhoudende specie. De voegen hebben een ruw oppervlak. Er moet voldoende vocht aanwezig zijn en schaduw. De meeste muren zijn te droog en te egaal om er voor te zorgen dat zaden van planten een kans krijgen om zich te vestigen. Oudere muren zijn meestal niet meer zo egaal en zijn bovendien vaak opgetrokken uit materialen (zoals natuursteen en oude mortel) die makkelijker verweren dan hedendaagse bakstenen en cement. Op die manier vormen ze een geschikte habitat voor muurplanten. Muren die zuidelijk gericht zijn en dus veel zonlicht krijgen, hebben een andere vegetatie dan muren die doorgaans in de schaduw staan of vanwege hun ligging ten opzichte van water altijd vochtig zijn en er zijn grote verschillen in vegetaties tussen relatief vochtige muren en droge muren.

Oude, verweerde muren bieden nu eenmaal meer aanhechtingsplekken en scheurtjes en afgebroken hoekjes zorgen ervoor dat er meer vocht en grond vastgehouden wordt, waardoor er meer water en nutriënten beschikbaar zijn. Het al dan niet aanwezig zijn van muurplanten is afhankelijk van beheer en onderhoud. Teveel beheer is in het algemeen funest. Verder zijn de gebruikte soort specie en de hoeveelheid vocht die het gesteente of de voeg kan vasthouden van belang. In het verleden boden stadsmuren volop ruimte aan plantengroei. Door de sloop van oude bouwwerken, stadsvernieuwing, renovatie en restauratie zijn veel groeiplaatsen van muurplanten verloren gegaan. Muurplanten groeien bij voorkeur op oude, verweerde, liefst kalkrijke muren. Het ouderwetse metselwerk bood meer mogelijkheden voor plantengroei dan het gladde cement en beton van nu. Vroeger hadden de bouwwerken een ruwere oppervlakte en zat er enigszins verkruimelende kalkmortel in de tamelijk diepe voegen. Hierop groeiden veel voor rotsen karakteristieke soorten mossen, varens en bloemplanten. Deze zijn nu nog te vinden op historische bouwwerken, stads- en kademuren, gemetselde bruggenhoofden, drinkputten, erfscheidingen en dergelijke.

Waar de muren nog wel voldoen, bijvoorbeeld langs de grachten, worden muurplanten vaak actief geweerd uit een oogpunt van netheid. Het aanwezig zijn van plantengroei op de muren wordt vaak, ten onrechte, uitgelegd als een teken dat het slecht gaat met de muur. De planten zouden het voegwerk beschadigen. Plantenwortels kruipen wel een stukje het voegwerk in, maar de beschadiging vindt pas plaats als de planten verwijderd worden. Het is dus beter de begroeiing met rust te laten. Door onaangepast “beheer” zijn de muurplanten één van de meest bedreigde groepen planten geworden. Door herstel, restauratie- en schoonmaakwerkzaamheden zijn veel soorten zeldzaam geworden. Bij herstelwerk wordt tegenwoordig vooral gebruik gemaakt van het voor muurplanten ongunstige harde portlandcement, in plaats van kalkcement.

Een belangrijke maatregel bij muren met muurplanten is het regelmatig verwijderen van de opgeschoten bomen en bij verval van de muur pleksgewijs herstel van de muur met kalkmortel volgens de zogenaamde “wolkenmethode”. Als een muur opnieuw wordt gevoegd met kalkrijke mortel of zelfs opnieuw wordt opgebouwd, wordt in een ruime “wolk” om de planten heen gewerkt. De stenen waar de planten op groeien blijven ongemoeid zodat de planten niet beschadigen. Ook hele stukken muur met beplanting en al kunnen worden weggehaald en later weer in de gerestaureerde muur teruggezet.

Van groot belang voor de geschiktheid voor muurplanten is de vochthuishouding van muren. Muren worden bewust steeds droger gehouden, droogteminnende soorten winnen hierdoor steeds meer terrein ten koste van de vochtminnaars. Walmuren worden tegenwoordig zo gebouwd dat de achterliggende grond geen vocht doorgeeft aan de muur. Dit gebeurt door beton achter de muur te storten. Hierdoor dalen de kansen voor muurplanten om zich met succes te vestigen. Stenen houden warmte vast en scheppen daardoor een extra microklimaat. Bepaalde planten profiteren daarvan en groeien dan juist aan de voet van deze muren, zoals Klein Glaskruid. Andere muurplanten zijn Muurleeuwenbek en Muurpeper.

Zeer zeldzame soorten varens groeien op echt oude muren, maar er duiken ook regelmatig soorten als Muurvaren en Tongvaren op relatief nieuwe muren op (Denters, 2004). Hoewel nieuw metselwerk in eerste instantie nog te zuur is en er enige verwering middels regenwater nodig is om mogelijkheden tot begroeiing te creëren, kan er na enkele jaren een soortenrijke muurvegetatie ontstaan. Als er bij het metselen van een dergelijke muur gebruik wordt gemaakt van kalkhoudende mortel geeft dit extra mogelijkheden voor kalkminnende soorten. De kolonisatie van een nieuwe muur vergt meestal heel veel tijd. Op een kale muur moeten eerst barsten en scheuren te voorschijn komen onder invloed van atmosferische processen, zoals temperatuurschommelingen. In die scheuren kunnen dan stof en zand aangevoerd worden door wind en water. Na een tijdje zullen op deze voedingsbodem de eerste plantaardige organismen zich vestigen in de vorm van wieren en korstmossen. Deze organismen zorgen voor een biologische aantasting van het gesteente, ze zorgen onder andere voor een verruwing van stenen en voegen. Als deze eerste organismen afsterven, zorgt dat voor extra organisch materiaal, dat in staat is om nog meer stof op te vangen en op die manier wordt een bodemlaagje gevormd. Dit bodemlaagje wordt langzaam gekoloniseerd door mossen die in staat zijn om extra vocht en bodemdeeltjes vast te houden. Geleidelijk hoopt zich meer en meer humus op wat dan een kiembodem vormt voor de muurplanten. Dit hele proces van nieuwe muur tot begroeiing met echte muurplanten neemt gemakkelijk verschilende jaren in beslag. Muurvaren is doorgaans de eerste van de varens die op muren verschijnt. Na ongeveer 15 jaar kan hij zich vestigen. Voor de overige varens geldt al gauw een periode van 50 jaar. De cement dient voldoende ‘gerijpt’ te zijn om als vestigingsplaats te dienen.

Belangrijk bij het bouwen van nieuwe muren met de bedoeling deze met muurplanten te laten begroeien is dat ze worden opgetrokken uit oude, verweerde (bak)stenen en dat die muren niet netjes en strak gemetseld worden, maar onregelmatig, met veel randjes, kiertjes, scheuren en gaten, zodat er een gevarieerd aanbod van vestigingsplaatsen voor planten is. Ook kan er variatie worden aangebracht wat betreft de steilheid: helemaal verticaal of meer piramidevormig. Ook moet er gezorgd worden dat er tegen de muur een grondpakket aanligt, om de muur te behoeden van complete uitdroging. De “muren” kunnen zelfs in bolvorm worden aangelegd.

Ook op vochtige kerk- of kapelmuren groeien vaak vochtminnende muurplanten. Net als bij echte rotsen zorgt de steilte van de muur voor verschillende microleefgebieden.

Muurplanten leven in een precair evenwicht met het milieu, en zijn niet zo flexibel dat ze een plotselinge verandering in bijvoorbeeld beschaduwingsintensiteit (zoals ontstaat door het wegnemen van een boom) kunnen opvangen. Er mogen zich niet te veel algemene soorten vestigen op de muur (door voortdurende humusophoging), zoniet worden de echte muurplanten weggeconcurreerd.

De muurplanten in stedelijke gebieden verdwijnen als gevolg van luchtverontreiniging, sloopwerken of een overdreven netheidsdrang, waarbij men naast vuilnis ook planten verwijderd. Muurplanten zijn de kleren van de stad. Ze leveren een grote bijdrage aan de biodiversiteit en het genenbehoud van onze wilde flora. Ze verdienen dus alle bescherming.

Niet alleen planten zullen trouwens profiteren van de muren, ook korstmossen, mossen en dieren. Omdat stenen warmte vasthouden kunnen insecten de muurtjes gebruiken om zich op te warmen. Solitaire bijen gebruiken de voegen om tussen te nestelen.

Ook op oude muren in private tuinen kunnen de zich spontaan vestigende varentjes met rust worden gelaten. Kalkrijke mortel zorgt voor voedingsstoffen voor de muurplanten.

Het contact van water en steen maakt dat kademuren voor een deel vochtig zijn. Dat levert bijzondere vegetatie op. Op bakstenen gracht- en kademuren kome veel bijzondere varens voor. Grachten die afgezoomd zijn door steile, vlakke betonnen randen bieden weinig tot geen kansen voor begroeiing. Het aanbrengen van een bakstenen grachtmuur zou hier verandering in kunnen brengen. In steden waar de grachten in verbinding staan met brak water zullen plantensoorten van eerder brakke milieus op de grachtmuren groeien.

Ieper heeft de best bewaarde vestingen van Vlaanderen. Van de Middeleeuwen tot de Eerste Wereldoorlog beschermden deze vestingen de stad tegen invallen. Nu is het een uniek parkgebied. Er werden poelen hersteld en moeras- en overplanten kregen er meer ruimte. In 30 speciale kasten en de kazematten (ondergrondse bunkers van de vesting) overwinteren vleermuizen.

De muurvegetaties op deze vestingen worden zo goed mogelijk beschermd. Ook op de ruïnes van de Sint-Baafsabdij en op de kademuren van het Visserijkanaal in Gent groeien verschillende muurplanten.

Ruïnes bestaan uit de resten van een in verval of vernield gebouw. Er bestaan ook nieuwe, nagebouwde ruïnes, die men ook wel folly’s noemt.

Oude muren die in stadsbossen of grote stadsparken staan voegen zelfs zonder dat er muurvegetaties op voorkomen een extra biotoop toe en dienen daar als verblijfplaats voor fauna zoals insecten, vogels en vleermuizen. Ook hier ontkiemen spontaan boomzaden in een muurspleet en groeit er een Esdoorn, Plataan of Iep uit.


Basaltglooiingen

Op basaltglooiingen kunnen er ook verschillende muurplanten voorkomen. In de spleten tussen de basaltblokken vinden we planten als de Gebogen Driehoeksvaren, Wit Vetkruid, Tripmadam, Driebladvetkruid en Bezemkruiskruid aantreffen. Ook hier vormen sloop en renovatie een bedreiging voor deze planten.


14. De SCHERM-biotoop: geluidswallen en groenschermen

Naast drukke wegen worden er in steden vaak geluidswallen aangelegd als geluidsbuffer tussen verkeerslawaai en naburige woonwijken. Deze geluidswallen zijn niet zelden interessante groene plekken of parken die niet alleen voor de bewoners aangenaam zijn, maar ook voor de natuur. Groenschermen in de vorm van groene hagen, bomenrijen of brede groenstroken bieden vaak aan verschillende dieren voedsel, nestgelegenheid en schuilplaatsen.


Geluidswallen

Ringwegen, autowegen en snelwegen worden vaak afgezoomd met geluidswallen. Deze zijn vaak aangeplant met bomen en struiken, die naast de geluidswerende werking zorgen voor voedsel en broedplekken voor tal van dieren. Dat er in die geluidswallen meestal niet veel mensen komen, is een pluspunt, want dan is er ook weinig verstoring. Maar ook bewoners weten deze geluidswallen best te appreciëren. Geluidswallen langs grote wegen zijn een verbinding tussen veel leefgebieden dieper de stad in. Via deze geluidswallen kunnen dieren zich dus goed verplaatsen. De ruimte achter de geluidsschermen varieert van een krappe groenstrook tot een heus park. Men vindt in geluidswallen en groenschermen vaak ook de zogenaamde struwelen. Het zijn dan lijnvormige houtige vegetaties die gekarakteriseerd worden door struiken die vrijuit kunnen groeien (tot soms 5 m hoog). Struwelen vormen een leefgebied voor vogels en verschillende andere diersoorten.

Wanneer men het plan heeft opgevat om een geluidswal te bouwen, kan men in de nabije omgeving een plas graven. Bij deze plas kan men natuurontwikkeling toelaten zodat deze op zich ook een nieuwe natuuraanwinst vormt. De geluidswal kan worden aangelegd met de grond die afkomstig is van de gegraven plas.

Er kunnen bij de aanleg van die plas plaatsen worden voorzien die in de winter net onder water verdwijnen, waardoor er eilandjes ontstaan met een bijzondere moerasvegetatie. Grasland kan als hooiland worden beheerd. Er kunnen rijen bomen worden aangeplant die bestaan uit Wilg, Els en Populier. Op de geluidswal kunnen er ook meteen kleine wilgen- en elzenbosjes worden aangeplant. Bovenaan de geluidswal kan een muur van schanskorven worden gebouwd (metalen frames gevuld met natuurlijke stenen en puin).

Een geluidswal oefent een aantrekkingskracht uit op Egels en padden. Klimop levert nectar voor insecten zoals vlinders. Het water trekt veel watervogels aan. Ganzen en zwanen kunnen grazen in de aanpalende graslanden. Fazanten vinden er voldoende voedsel. Roofvogels als Torenvalk en Buizerd kunnen boven open grasland jagen op muizen of konijnen. Zaden waaien tussen de stenen in de schanskorven en ontkiemen, waardoor de schanskorven langzaam vergrassen.

Geluidswallen zijn een prima broedplaats voor veel vogelsoorten. De bomen bieden ruimte aan Ekster, zwarte Kraai, duiven en andere boombroeders. Struwelen zorgen voor broedgelegenheid voor zangvogels. Sprinkhanen als de Ratelaar vinden er een stek.

Wanneer men de keuze heeft qua grondsoort die men gebruik voor de aanleg van een geluidswal, dan kiest men best voor kalkhoudende, zandige of stenige, voedselarme grond. Men gebruiket dus best geen humus of tuinaarde hiervoor.


Groenschermen

Innovatieve groenschermen bij parkings kunnen ervoor zorgen dat er geen zicht is op de auto’s die op een parking geparkeerd staan. Bomen en struiken zorgen ook voor schaduw en dus voor koelere auto’s. De beplantingen zijn meteen een pluspunt voor de natuur.


15. De BRUG-biotoop: bruggen en viaducten

Bruggen zijn verbindingen voor het verkeer, tussen twee punten die gescheiden zijn door een rivier, kanaal, weg, spoorweg of een ander overbrugbaar obstakel. Bruggen kunnen ook ontworpen zijn om een spoorweg, rijbaan, kanaal (kanaalbrug) of waterleiding (aquaduct) te dragen. Soms worden bruggen over een waterweg voorzien van een beweegbaar brugdek, wanneer de vaartuigen te hoog zijn om onder de bruggen door te gaan. Viaducten zijn langgerekte bruggen die over een andere weg, spoorlijn of stadsdeel lopen. Bruggen en viaducten kunnen als nevenfunctie een faunapassage omvatten.


Bruggen

Vooral varens groeien graag in de vochtige omstandigheden die er onder bruggen heerst.

Bruggen bieden vooral onderdak aan vogels. De horizontale richels of inhammen onder een brug zijn beschutte en veilige schuil- en broedplaatsen. Stadsduiven vinden onder bruggen geschikte broedplaatsen. De meeste open, horizontale oppervlaktes langs grachten in steden zijn vaak bedekt met ijzeren pinnen om het aantal broedplaatsen binnen de perken te houden. Onder de bruggen blijven evenwel voldoende hoekjes en gaatjes over voor deze vogels.   

Vleermuizen die rondvliegen boven de watergangen in de stad vinden onder de verlichte bruggen insecten, en sommige soorten kiezen juist de bruggen die niet verlicht zijn om geruisloos onderdoor te vliegen. Ze gebruiken bruggen ook als navigatiepunten.  

Loopplanken onder bruggen geven kleine zoogdieren de gelegenheid om veilig van ene naar de andere kant van de oever te komen, zonder over de brug met al het verkeer te hoeven lopen (faunapassages). Deze loopplanken zullen vooral worden gebruikt door ratten en huiskatten, maar in de wijken wat verder van het centrum ook door padden en egels.


Viaducten

Een viaduct is een soort langgerekte brug die over een andere weg, spoorlijn of stadsdeel loopt. Een klaverblad is een speciaal type van viaduct. Het is een knooppunt dat meestal een ongelijkvloerse kruising vormt tussen twee autosnelwegen. Dit type knooppunt heeft zijn naam te danken aan zijn vorm. Vanuit de lucht lijkt het net op een klavertje-vier.

Ecoducten zijn met gras begroeide viaducten die dienen als oversteekplaats voor ondermeer zoogdieren

Onder spoorviaducten vinden we planten zoals bijvoorbeeld Herfstalsem.

Soms wordt door vogels juist gebruik gemaakt van de versnippering door het drukke wegennet. “Eilanden” gelegen tussen drukke verkeerswegen (verkeersknooppunten) worden soms door ganzen, meeuwen of eenden uitgekozen als broedplek. Doordat er geen honden, katten, vossen of mensen komen. Wanneer de vegetatie hier kort wordt gehouden, zodat de vogels het overzicht behouden over het terrein en er hekjes worden aangebracht om de kuikens te beletten dat ze op de rijbaan komen, kan dit een win-situatie zijn. Ook in de oksels van snelwegen waar een afslag in een ruime bocht opgaat in een andere weg zijn er maar weinig andere menselijke verstoringen dan het geluid van het voorbijrazende verkeer en kunnen we tal van vogels zien. Bovendien liggen er niet zelden grote waterpartijen of brede sloten in deze omgeving.


16. De KERKHOF-biotoop: kerkhoven en begraafplaatsen

Kerkhoven situeren zich doorgaans nabij een kerk. Vooral vroeger werden de overledenen begraven in de tuin, de “hof” van de kerk. Begraafplaatsen zijn op andere locaties gelokaliseerd, vaak meer naar de buitenrand van de stad toe. Meer en meer krijgen de nieuw aangelegde begraafplaatsen een openbaar karakter en lijken ze meer op een stadspark of als een wandelpark gebruikt. Op die rustige, groene, ingetogen plaatsen vindt men tal van planten, zowel aangeplant als spontaan gegroeid.


Kerkhoven

Kerkhoven zijn vaak landschapsbepalend in de stad. Het groen is dikwijls waardevol vanuit cultuurhistorisch, landschappelijk en ecologisch oogpunt. In de grafbeplantingen vindt men ook vaak veel symboolwaarde.

Deze plaatsen zijn vaak oases van groen en stilte in de stad. Niet alleen rust voor de bezoekers maar ook voor de flora en fauna. Door de geringe vermesting zijn deze plaatsen vaak een toevluchtsoord voor planten en dieren van schrale leefgebieden.

Op kerkhoven groeien wilde planten, opgeschoten uit in de opgebrachte grond aanwezig zaad, maar ook verwilderde aangeplante soorten. De Straatwolfsmelk is een typische stadsplant die men vooral op kerkhoven aantreft. Op kerkhoven groeien soms soorten die elders door verzuring zijn verdwenen.

Op een kerkhof staan soms oude Esdoornbomen en in de gazonnen gigantische Beuken. Ook de Treurwilg, een variëteit van de Schietwilg, wordt omwille van zijn symboliek, vaak aangeplant op kerkhoven. Op deze Treurwilg kan men soms de Zwavelzwam aantreffen.

Op kerkhoven maakt men ook veel kans om andere zwammen zoals de Robijnboleet, de Scharlaken Wasplaat, de Trechtertaaiplaat en de Korrelige Taaiplaat aan te treffen.

Naast de obligate bloemen zoals de verschillende Chrysant-cultivars die vooral rond Allerheiligen op de graven worden geplaatst vindt men op kerkhoven vaak wilde planten als Kleine Leeuwenklauw, Tuinwolfsmelk, Weidegeelster, Gipskruid, Zandblauwtje, Dikkemanskruid, Bont Kroonkruid, Lathyruswikke en Kleine Maagdenpalm.

Er staan vaak grote oude bomen, die graag worden bezocht door Boomklevers, verschillende spechten en soms zelfs voor Boomvalken.

Op oude, vaak nog met kalkrijke cement gemetselde muurtjes van kerkhoven vinden we vaak de Muurmier, van nature een soort van zeer warme rotsachtige gebieden. Deze mier bouwt haar nest in en tussen stenen.

Ook amfibieën zoals de Vroedmeesterpad zoeken op een kerkhof soms een rustig plaatsje uit om te overwinteren. Buiten de broedperiode kan men een Ransuil opmerken. Groenling doen zich op kerkhoven soms te goed aan de bottels van de Rimpelroos of de bessen van de Sneeuwbes. Zoogdieren als Huisspitsmuis, Relmuis en Konijn zijn ook vaak op kerkhoven te zien.

Het kerkhof van Mol-centrum werd met respect voor het verleden omgevormd tot een wandelgebied waar ook kinderen kunnen spelen. Er is een wilde tuin en er staan speeltuigen met touwen. Een 150-tal graven zijn geïntegreerd in het park. Er werd een herdenkingsmuur gebouwd voor de overledenen waarvan de grafzerken werden verwijderd. Oude kerkhoven hebben zeker een groene meerwaarde in de steden.


Begraafplaatsen

Doordat de begraafplaatsen later werden aangelegd dan de kerkhoven vindt men hier ook meer recente aanplantingen. De meeste aanplantingen gebeuren in het kader van het stedelijk groenbeheer; soms worden planten meegebracht en aangeplant ter hoogte van de graven door de nabestaanden zelf. Vaak worden er op begraafplaatsen groenblijvende planten, siergrassen en laatbloeiende planten gebruikt. Op begraafplaatsen groeit vaak de Brede Wespenorchis.  

Er bestaan ook oude begraafplaatsen die in onbruik zijn geraakt. Deze voormalige begraafplaatsen kunnen worden omgevormd tot stadstuinen of wandelparken. Vaak staan er verschillende zeer oude bomen. Begraafplaatsen kunnen een interessante plantengroei hebben, afhankelijk van ligging, ouderdom, gebruik en beheer.

Begraafplaatsen zijn in het vroege voorjaar het meest interessant; in elk geval voordat de paden weer “netjes”worden gemaakt voor de paasbezoekers. Enkele bijzondere plantjes zijn Klein Bronkruid, Kaal breukkruid, Heelbeen, Mosbloempje en Kandelaartje.

Het Gesloten Breeksteeltje is een zwam die soms in grote getale voorkomt op de schrale gazons van Engelse soldatenkerkhoven uit WO I.

Op de Centrale Begraafplaats in Brugge vinden we veel oude bomen en historische grafmonumenten ingebed in een beplanting van cultuurplanten en inheemse planten.


17. De WATER-biotoop: wateren en oevers

Tot de waterbiotoop behoren verschillende (al of niet tijdelijke) wateren en habitats in of op het water. Water komt in de stad in verschillende vormen voor: vijvers en plassen, poelen, watergangen, greppels, WADI’s, beken, grachten en singels. Oevers van waterlopen kunnen waardevolle natuur bevatten op voorwaarde dat deze zo natuurlijk mogelijk worden ingericht zodat er zich waterplanten kunnen ontwikkelen, die dan weer zorgen voor een toename aan organismen in het water, een paaiplaats voor de vissen en een schuilplaats voor onder meer vogels en voor het visbroed. Kiest men voor een amfibieënpoel, dan zal het precies zaak zijn om te vermijden dat er vissen in terechtkomen.


Wateren

Graaf ergens een kanaal of leg vijvers aan in een stad, en dadelijk vertonen zich verschillende soorten, en dat zijn niet alleen vissen. De wateren in de stad bevatten diverse soorten inheemse waterplanten, maar hier kun je ook de echte nieuwkomers aantreffen, die soms wel een invasief karakter kunnen hebben. Planten zijn onmisbaar, zowel in het water als op de oever. Waterplanten zorgen voor zuurstof in het water en bieden schuilplaatsen en afzetplaatsen voor eieren van allerlei dieren. Ze dragen bij aan een goede waterkwaliteit en aan het biologisch evenwicht in de vijver. Moeras- en oeverplanten bieden schuilgelegenheden en zijn een bron van voedsel voor allerlei vogels en zoogdieren.

In de wateren leven verschillende soorten vissen, waterplanten, insecten, amfibieën en kleine zoogdieren. De waterkwaliteit is gebaat bij al dit leven. Algenbloei wordt voorkomen als er voldoende dieren aanwezig zijn die zich met de algen voeden. In helder water jaagt de Snoek op vissen die de bodem omwoelen.

In tal van stadswateren, van kleine sloten middenin woonwijken tot grotere vijvers in parken, komen verschillende amfibieën voor zoals Gewone Pad, Bruine Kikker en Kleine Watersalamander. Deze trekken massaal vanuit hun winterschuilplaatsen in tuinen en bosranden naar het water. Helaas vallen daarbij talloze verkeersslachtoffers. Overzetacties door buurtbewoners kunnen de amfibieën hiervoor behoeden.

Water in parken en tuinen kan enorme kansen bieden voor kleinschalige natuurontwikkeling. Ook de waterlopen die door de stad stromen zijn belangrijk als leefgebied en als natuurlijke verbindingsroute langswaar dieren en planten de stad binnenkomen. De waterkwaliteit is daarbij wel een belangrijke factor.

Water is onmisbaar in een diervriendelijke omgeving. Vers, schoon water wordt gebruikt om van te drinken en om in te badderen. Daarnaast is water voor bepaalde insecten en amfibiëën noodzakelijk omdat zij een deel van hun levenscyclus in het water voltooien. Vermesting van stadswateren is zichtbaar doordat water vertroebelt en door de aanwezigheid van planten die van voedselrijk water houden. Om water helder te houden is er een balans nodig tussen planten- en dierenleven in het water. Als er veel dood plantenmateriaal in het water ligt, zoals afgevallen bladeren komen er voedingsstoffen vrij waar algen van leven. Algen groeien onder invloed van zonlicht heel snel en vormen een deken over het water. Zuurstofproducerende waterplanten nemen deze voedingsstoffen op. Drijvende planten zorgen ervoor dat er niet genoeg zonlicht in het waer komt en hierdoor kunnen de algen niet overleven. Vissen kunnen onder de bladeren schuilen, insecten en kikkers kunnen erop zitten. Dit zorgt voor een grotere biodiversiteit in het water.

Vijvers en plassen zijn door land omgeven stilstaande wateren die door vergraving zijn ontstaan. Een plas of vijver is doorgaans groter en dieper dan een poel en kan in contact staan met ander open water. Vissen zijn niet zo geschikt voor een natuurlijke vijver, omdat ze eitjes en larven van amfibiën en insecten eten. Hun nutriëntrijke uitwerpselen komen in het water waardoor algenbloei kan ontstaan. Ze wroeten in de bodem waardoor het water troebel wordt en eten waterplanten, waardoor er minder voedsel is voor de doelsoorten. Een natuurlijke vijver of plas is voorzien van natuurlijke oevers en is voorzien van een diepe zone van ongeveer een meter diep, zodat bepaalde amfibieën in de vijver kunnen overwinteren. Een ideale natuurlijke vijver of plas heeft moeraszones aan de rand en een diepe zone in het middel.

Met name libellen staan onder druk door de toenemende vervuiling van stilstaande plassen en vijvers; een gewijzigd oevergebruik van vele plassen door de aanwezigheid van (sier-)watervogels of door de sportvisserij en de afkalving van de oevers door de golfslag van motorbootjes. Als beschermingsmaatregel kan men zorgen voor een structuurrijke en goed ontwikkelde oeverzone door enkele stroken in de zomer te maaien en andere in de winter.

Grote plassen nabij steden zijn vaak ontstaan door de aanleg van snelwegen. In de Piccardthofplas in Groningen worden soorten als Kuifeend, Chinese Wolhandkrab en Rivierkreeften aangetroffen. Natte ecoparken kunnen natuur ten noorden met natuur ten zuiden van de stad verbinden. Dit vormen dan ecologische verbindingszones die tegelijk fungeren als waterberggebieden om in periodes van grote neerslag het afstromende water op te vangen en vertraagd af te voeren. Stadsrandzones kunnen aldus als groene ecoparken worden ingericht.

Een poel is een kleine, ondiepe watermassa met weinig of geen stroming in het water. Hij wordt al dan niet door een waterloop gevoegd, maar is er door zijn ligging van gescheiden. Hij is doorgaans ondiep. Waterplanten kunnen zich over de hele oppervlakte vestigen. De meeste poelen worden door de mens gegraven of zijn onder menselijke invloed ontstaan. In het bijzonder voor amfibieën zijn poelen van groot belang. Ze bieden onderdak aan Kamsalamander, Vinpootsalamander en Alpenwatersalamander.Ideale poelen hebben een oppervlakte van 25 vierkante meter, een diepte van 50 cm in de zomer en zijn matig begroeid. Een poel is in de regel niet groter dan maximum 150 vierkante meter.

Poelen met een rijk en boeiend natuurleven worden over het algemeen steeds zeldzamer. De oorzaken zijn velerlei: het gebrek aan onderhoud waardoor ze dichtgroeien, de overbeweiding, de verdroging, de verzuring, de vermesting, het dichtstorten, de uitbreiding van bebouwing en het uitzetten van exoten. Het water in de poel bestaat uit grondwater en regenwater. Hierdoor is het water vaak voedselarmer dan de watergangen in de stad. Poelen bieden vaak plaats aan kwetsbare water- en oeverplanten. Poelen die verspreid door de stad liggen, maken het mogelijk om vijvers in tuinen te bevolken met kikkervisjes en paddenkopjes. Net als de larven van libellen eten deze jonge diertjes de muggenlarven die in het water leven.

Een amfibieënpoel wordt bij voorkeur op een zonnige plaats aangelegd. Amfibieën zijn koudbloedig en hebben de zon nodig om op temperatuur te komen. Verder moet er bij de keuze voor de locatie van de poel rekening mee worden gehouden dat er niet te veel bomen dicht bij de vijver staan, want rottende bladeren in de poel zorgen voor een zuurstofarme en voedselrijke omgeving, waardoor algen de bovenhand kunnen krijgen. In de winter is het van belang dat de vijver niet volledig dichtvriest, omdat anders de zuurstofuitwisseling met het water belemmerd wordt. Er kunnen verschillende amfibiën op de bodem van de vijver overwinteren en om te voorkomen dat ze stikken moet er een opening blijven in het ijs bij vorst. In de winter biedt de vijver drinkmogelijkheden voor vogels en zoogdieren wanneer deze niet geheel dichtgevroren is. Poelen mogen geen verbinding maken met sloten of grotere wateren want dan kunnen er vissen in terecht komen. Vissen eten de eitjes en larven van amfibieën.

Watergangen zijn lijnvormige elementen die permanent water bevatten en dienen voor waterafvoer en –berging. Greppels zijn smalle,ondiepe geulen, die ook dienstig zijn om overtollig water af te voeren.

Een WADI (Waterafvoer door infiltratie) is een groene infiltratievoorziening voor regenwater. Bij een moderne wadi worden in het stedelijk gebied straten en daken van huizen afgekoppeld van de riolering. Het regenwater dat op de verharde oppervlakken valt, wordt via een speciale riolering of door molgoten over het maaiveld afgevoerd naar een wadi. Het is meestal een laaggelegen grasveld met een speciaal infiltratiepakket in de ondergrond. Het water komt hierin terecht en kan volledig in de grond zinken. Hier kan het langzaam in de bodem infiltreren of vertraagd worden afgevoerd naar oppervlaktewater.

Een WADI is voor vogels aantrekkelijkals extensief gebruikte groenstrook in stedelijk gebied, waar langer dan op andere plaatsen water is te vinden. Het is een interessant voedselgebied voor bodemfoerageerders als merel, zanglijster. Kleine bomen rond een wadi zijn aantrekkelijk als nestplaats voor Putters, die in de ruigtekruiden van de wadi hun voedsel vinden. Een wadi wordt doorgaans alleen gebouwd in nieuwbouwwijken of in bedrijventerreinen. Ook bij de herinrichting van bestaande woonwijken of stadsparken kunnen wadi’s worden aangelegd. Deze voorziening is nuttig, oogt  aantrekkelijk en is tevens een spelelement voor kinderen.

Veelal ziet men in grachten en singels een weinig diverse begroeiing met Riet, Grote Lisdodde en Kroos-soorten en Watermunt op de oevers. Dit zijn soorten die voorkomen in of aan voedselrijk water. Deze hoge voedselrijkdom zorgt ervoor dat veeleisender plantensoorten afwezig blijven. Als de grachten in verbinding staan met andere wateren, dan zal dit zijn invloed hebben op de aan- en afvoer van voedingsstoffen. Grachten kunnen ten volle het grachtaspect behouden door ze in te richten met het oog op de vestiging van muurvegetaties (zie MUUR-biotoop).

In stadsgrachten kunnen watertuinen van voldoende lengte en breedte, met flinke groepen planten, worden aangelegd. Weerbare planten waarin vogels hun nest mogen maken. Dankzij het doorgaans diervriendelijke gedrag van stadsbewoners zijn vogels zoals Wilde Een, Meerkoet en Fuut die zich op of bij het water ophouden niet erg schuw. Watertuinen bieden ook paaiplaatsen voor de vissen in de grachten.

In het troebele grachtenwater zal men geen of toch weinig veeleisende planten aantreffen. De vermesting van oppervlaktewateren is een probleem dat zich niet alleen in de buitengebieden maar ook in de stad manifesteert, maar vanuit andere bronnen. De verslechtering van de kwaliteit van kleine, stilstaande stadswateren wordt veroorzaakt door afstromend straatvuil, riooloverstorten en de overmatige voedering van watervogels en vissen.

De afwezigheid van watervegetatie is vaak mede het gevolg van het intensieve gebruik van het water door motorboten. Als de hoeveelheid giftige stoffen binnen de perken blijft, kunnen veel watervogels van het voedselrijke stadsmilieu profiteren: de Futen die reeds in veel stadsgrachten aanwezig zijn, zijn hiervan een goed voorbeeld. Overwinterende trekvogels zoeken soms oude singels in de binnenstad op om te overwinteren op een menu van broodkorsten.

Rivieren en beken die voorheen waren ingekokerd en ingebuisd kan men opnieuw openleggen in de binnenstad. Dat betekent een grote winst voor de natuur. Door het aanleggen van ecologische oevers krijgen ook de natuurlijke oevervegetaties meer kansen. Dat zal de soortenrijkdom –zowel de flora als de fauna- nog meer ten goede komen.  Ook het stadsklimaat en de beleving van water en natuur in de stad worden hierdoor sterk verbeterd.

In Diest werd in 1960 de Demer die toen nog doorheen het centrum van de stad liep omgeleid rond de stad. Bij regenweer zette ze immers de stad onder water en bij warm weer stonk het naar de riolering. De oude rivierbedding werd opgevuld met zand en er kwamen straten en parkings op. In 2014 werden de werken gestart om de oude bedding van de Demer opnieuw open te maken zodat het Demerwater zowel door de stad als errond zal lopen. Op die manier krijgt de Demer meer ruimte en zal de kans op overstromingen verkleinen. In de Demer wordt enkel nog grond- en regenwater toegelaten zodat de rivier veel properder wordt. Met een schuivensysteem en wachtbekkens wordt het waterpeil geregeld. Naast deze opwaardering van de leefomgeving worden ook de kansen voor de natuur vergroot. De vroegere Demer vormde een verbinding tussen enkele historische stadsparken zodat er nu opnieuw een ecologische corridor zal ontstaan. Er worden planten en bomen aangeplant en de oevers worden natuurvriendelijk ingericht. Waar men omwille van ruimtegebrek geen natuurlijke oevers kan creëren worden houten palen en planken gebruikt van Robinia. Deze houtsoort is sterker dan eikenhout en rot niet in het water. Het is een Europese houtsoort en dus duurzamer om te telen en te oogsten dan tropisch hardhout.

Waar men de ruimte heeft, kan men bij een beek zelfs delen van weilanden afgraven. Dat zorgt voor moerassige gebieden. Daar overheen kunnen fiets- en voetpaden met houten vlonders worden aangelegd. Dat trekt kikkers, salamanders en padden aan.

Nogal wat steden ontstonden aan rivieren. Zijriviertjes en handelsdokken werden open riolen die in de negentiende eeuw om hygiënische redenen werden gedicht. Nu worden die watergangen meer en meer gesaneerd en terug open gelegd (bijvoorbeeld in Mechelen).

Open greppels waarlangs het hemelwater bovengronds wordt afgevoerd kunnen een natuurlijke uitstraling krijgenen hierdoor een bijdrage leveren aan de stedelijke natuurontwikkeling. Ze vergroten de betrokkenheid van de bewoners bij de stedelijke waterhuishouding en zijn een verrijking van het straatbeeld. Vaak is het waterpeil in stedelijke gebieden heel statisch. Een waterpeil dat waar mogelijk mee beweegt met de seizoenen levert meer diversiteit op.

Aanvankelijke stadsparken kunnen worden omgevormd tot meer natuurlijke parken door het maaiveld te verlagen, nieuw water te graven en natuurlijke oevers aan te leggen. Bij het beheer kunnen Schotse Hooglanders worden ingezet.

Nieuwe natuur kan ontstaan door bijvoorbeeld een terrein na een bodemsanering in te richten als een natuurterrein met veel water. Op eilandjes kunnen steilwandjes voor IJsvogels worden gemaakt.

Via de rivieren trekken ook vogels het land in: Aalscholvers en zelfs zeevogels zoals meeuwen. De Kokmeeuw is al sinds het begin van de twintigste eeuw bezig zich aan steden aan te passen. Vooral ’s winters laten ze hun moerassige broedplaatsen in de steek en zitten ze de koude tijd in het stadscentrum uit, levend van allerlei afval of stukjes brood die ze toevallig toegeworpen krijgen.

In sommige Europese steden vormen kanalen , grachten en parkvijvers een veilig onderkomen voor allerlei watervogels. Soorten als Wilde Eend, Meerkoet, Waterhoen of Fuut hadden ooit hun leefgebied in stille, moerassige buitengebieden, maar zijn nu gewend aan de drukke stad. Ze brengen er in alle rust de winter door.

De Verdronken Weide in Ieper is een open landschap van ongeveer 40 ha groot met een wachtbekken langs de zuidelijke Ieperse stadsrand. Graslanden worden als natuurterrein beheerd. Op het wachtbekken werden reeds 120 soorten watervogels gespot waarvan een 50-tal zich vestigden als broedvogel.

Veel mensen denken dat door het bufferende vermogen van water de temperatuurstijging als gevolg van de klimaatverandering in het water minder snel gaat en daardoor de verschuivingen minder groot zijn. Onder water worden echter ook grote verschuivingen geconstateerd. Het grote aantal milde winters vanaf het midden van de jaren 1990 zorgden ervoor dat ook verschillende zuiderse waterdieren langzaam noordwaarts zijn opgerukt.  

Waterbloeien kunnen een negatieve invloed op aquatische ecosystemen uitoefenen. Ze vertroebelen het water en zijn dus nadelig voor ondergedoken waterplanten. Ze kunnen gifstoffen produceren (cyanotoxines) die bij inname (met water of gevangen vis, schelpdieren of jachtwild) of rechtstreeks contact reeds in lage dosis schadelijk kunnen zijn. Cyanobacteriële bloeien bevatten doorgaans de ook voor de mens giftige stof microcystine. Wanneer microcystineconcentraties van meer dan 20 µg per liter worden ontdekt wordt een zwemverbod opgelegd in zwemvijvers en recreatievijvers, alhoewel reeds een verband werd aangetoond tussen het drinken van drinkwater met concentraties van meer dan 5 µg per liter en een verhoogd optreden van leverkanker onder de bevolking.

Preventief vermijdt men dus best de eutrofiëring (aanrijking met voedingsstoffen/organische vervuiling) van stilstaande wateren en zorgt men voor een ruime aanwezigheid van ondergedoken waterplanten. Als maatregelen gaat men tegen de waterbloei het stilstaande water zo nodig droog leggen, het waterpeil aanpassen, het slib verwijderen, de visstand beheren, bepaalde stoffen zoals natuurlijke algiciden toevoegen, natuurlijke “begrazers” zoals Driehoeksmosselen of heterotrofe bacteriën inbrengen of natuurlijke bestrijders zoals chytridiomyceten (kleine schimmels die parasitair leven) in het water brengen. Bij het inbrengen van chemische producten tegen deze cyanobacteriën moet men zich er wel voor hoeden dat het middel niet meer schade aanricht dan de kwaal. Een stof als formaldehyde bijvoorbeeld doodt misschien de cyanobacteriën, maar tast ook het ander waterleven aan en is bovendien carcinogeen.

Tuinvijvers zijn een goede zaak voor planten en dieren die van natte natuur houden, zoals libellen en amfibieën. Veel soorten voelen zich in het stedelijk gebied uitstekend thuis.  


Oevers

Oevers zijn in stadscentra vaak gemetselde randen. Wat verder uit het centrum zijn er vanuit cultuurhistorisch oogpunt houten beschoeiingen. Uiteindelijk gaat dit pas richting de buitengebieden over in natuurlijke oevers. Dit zou ook anders kunnen.

Wanneer er echt een harde, golfbestendige oever is vereist, dan kan men een breukstenen oeverbeschoeiing of een biotoop voor muurplanten inrichten. Wanneer er ruimte voorhanden is kan men werken met een nevengeul. In alle gevallen dat er geen harde golfbestendige oever is vereist kan men een natuurlijke oever aanleggen.

Indien er langs beide zijden van het water een kademuur of een andere harde, verticale beschoeiing aanwezig is en er is ook weinig begroeiing aanwezig in het water, dan kan men gebruik maken van zogenaamde “floatlands”. Dit zijn kunstmatige drijvende eilandjes met planten die in het water wortelen.

Hoge rechte kades of betonnen randen zijn voor sommige dieren een obstakel. Als dieren in het water vallen en er niet uit kunnen klimmen, verdrinken ze. Een oever is voor dieren ideaal als deze zacht afloopt naar het water. Bij natuurvriendelijke oevers is er een geleidelijke overgang van water naar de grazige landvegetatie. Een dergelijke overgang levert meer biodiversiteit op dan een afzonderlijke watergang of alleen een grazige vegetatie. De natuurvriendelijke oever kan ook de overgang zijn van een watergang naar een bosgedeelte. Een flauw talud biedt hier ook goede mogelijkheden voor een gevarieerde oevervegetatie waar diverse soorten baat bij hebben. Boomtakken die boven het water of in het water hangen vormen zitplaatsen voor vogels zoals de IJsvogel of schuilplaatsen voor vissen

Op de plaatsen in de stad waar onvoldoende ruimte is voor deze schuine oevers kan men werken met oevers van wilgentakken die voor de bestaande harde beschoeiing zijn neergelegd. Tussen de wilgentakken kunnen de dieren zich verschuilen en zullen er zich spontaan ook oeverplanten gaan vestigen. Of men kan langsheen de oever waterbakken plaatsen die via kleine gaten in verbinding staan met het water, zodat er uitwisseling mogelijk is van kleine dieren tussen het singelwater en het water in de bakken.  

Men kan de beschoeiing ook aanleggen enkel onder de waterlijn. Natuurlijke oevers laten toe dat er zich verschillende moeras- en oeverplanten vestigen. Oeverbeplanting is belangrijk voor schuilmogelijkheden. Ze staan meestal enkel met de wortels in het water. Ze zijn belangrijk als schuilplaats voor tal van soorten en voor de ei-afzet van vissen en libellen en ze leveren nectar aan insecten zoals zweefvliegen. Een natuurvriendelijke inrichting van oevers trekt watervogels aan. Brede rietkragen kunnen er voor zorgen dat mensen het water niet ingaan wanneer het gaat om een broedplek. Oeverbegroeiing beschermt de oever tegen erosie en heeft een belangrijke natuurwaarde. De begroeiing kan tevens als barrière dienen om mensen of kinderen van het water weg te houden.

In het hart van Gent grazen schapen op de oevers van de Coupure. De dieren onderhouden de oevers op een natuurlijke manier. Een intensiever maaibeheer zou leiden tot een verminderde biodiversiteit.


18. De STRAAT-biotoop: straten en pleinen

Straatbiotopen zijn op het eerste gezicht weinig geschikt voor de fauna en flora. Toch stellen we vast dat er ook veel soorten gedijen op straten en pleinen. De waarde van het reeds aanwezige groen moet in rekening worden gebracht bij hun herinrichting. Bestaande monumentale bomen zouden alleszins behouden moeten worden.


Straten

Woonwijken van vóór 1970 met hun vele brandgangen en kleine straatjes kunnen zeer verrassend zijn. Brandgangen van oude wijken zijn vaak vochtig en schaduwrijk. Ze zijn een ideaal leefgebied voor planten zoals varenachtigen en andere planten die oorspronkelijk thuishoren in vochtige loofbossen. De Schijnpapaver, de Bleke Basterdwederik en het Groot Heksenkruid worden vaak in die brandgangen gevonden. Tussen naoorlogse wederopbouwwoningen en stadsvernieuwingswoningen groeien verschillende nieuwe plantensoorten gewoon langs de straat. In de binnenstad zijn er veel geplaveide straten en pleinen waar planten ogenschijnlijk weinig kansen krijgen, maar toch slagen veel planten erin om zich te handhaven. Planten, zoals bijvoorbeeld diverse soorten Klokjes, ontsnappen uit tuinen. Tussen de klinkers doen verschillende grassen, mossen en kruiden het prima. Langs de straten doen ook ruigtesoorten en warmteminnende planten het zeer goed.

Hoewel grassen en grasachtigen minder aandacht krijgen vanwege hun op het eerste oog weinig aantrekkelijk uiterlijk, zijn ze op veel plaatsen te zien. Vooral de eenjarige grassen die in de tweede helft van het seizoen bloeien, gedijen goed tussen de warme stenen. Het zijn planten die het goed doen bij veel licht en warmte, zoals Straatliefdegras en Harig Vingergras.

Het stadsvuil, dat als stofdeeltjes in de lucht aanwezig is, laat hier en daar in de straten zijn sporen na. Met regenwater sijpelt het langs de muren naar beneden. Hierdoor komen er stikstofminnende plantensoorten voor aan de voet van die muren. Straatgras is een bij uitstek stikstofminnende plant. We vinden planten als Walstroleeuwenbek tussen de stoeptegels en Zegekruid tussen de straatstenen.Bloemen in bakken, schalen en hangpotten brengen kleur en voedsel voor vlinders en bijen op plaatsen waar een grondgebonden beplanting onmogelijk is of minder aangewezen, gelet op het vandalisme-risico. Aan lantaarnpalen kunnen hangende plantenbakken met bloeiende planten op een veilige hoogte het straatbeeld opvrolijken.

Ook in de straten kan men een natuurvriendelijk groenbeheer toepassen. Voor de meer stenige omgeving geniet borstelen duidelijk de voorkeur boven branden en stomen. Bij deze laatste twee methoden wordt vrijwel alles vernietigd met als gevolg dat alleen de hardnekkigste planten overleven. Met borstelen worden de zaden verspreid en krijgen deze weer nieuwe kansen om te ontkiemen. Ook zal door een toename van het stomen, als beheersmaatregel, de soortenrijkdom in de stad verminderen. Een stoep kan op een groene manier van de weg worden gescheiden door een (lage) heg te plaatsen.

In de nabije omgeving van bouwterreinen zal men in de stad vaak planten aantreffen die typisch zijn  voor kalkrijke, zandige plekken. Zolang de terreinen braak liggen zal zich hier een flora van de braakland-biotoop ontwikkelen, waarbij verschillende soorten zich tot langs de straten zullen uitzaaien. Op die tijdelijke terreinen kunnen ook struiken en boomsoorten ontwikkelen, die zich via zaadvorming verder doorheen de stad langs de straten kunnen verspreiden.

In steden staan de meeste monumentale bomen in stadsparken, grote stadstuinen en private tuinen. Een meerderheid van de stadsmensen is blij met het uitzicht op grote bomen. In de meeste steden, zelfs in de meest drukke steden, vindt men mooie, brede bomenlanen. Maar deze bomen sneuvelen vaak doordat ze te veel schaduw of bladval geven of doordat gebouwen uitbreiden of parkeerplaatsen nodig zijn. De herinrichting van straten of nieuwbouwprojecten hebben al veel waardevolle bomen doen sneuvelen.

Toevallige bomen zijn bomen die vanuit de voegen tussen huizen en stoepen, vanuit een aangevoerd zaadje, uitgroeien tot een heuse boom. Als ze zich een plaats in het straatbeeld hebben verworven, worden ze door de bewoners vaak gekoesterd. Deze bomen konden jarenlang groeien zonder dat iemand daar last van had. Bewoners kronen hem wat op, of hangen er nesthangen of zaadbollen in. Ook deze bomen worden bedreigd door verzuurde bewoners die menen last te hebben van honingdauw of schade aan funderingen. Maar de funderingen zijn eerder schadelijk voor de wortels van de bomen, dan omgekeerd. Funderingen zijn barrières, net zoals kademuren. Sommige bewoners van straten met toevallige bomen voeren soms harde acties voor het behoud van “hun” bomen.

Bomen zorgen voor zuurstof, stoffiltering en vochtverdamping bij droogte. Bomen zorgen dus al voor leefbaarheid alleen al in milieuhygiënische zin. Daarbij komt dan nog de grote belevingswaarde. Toch gaan er nog dagelijks in onze steden honderden bomen voor de bijl. Het gros van de bomen in de stad gaat maximaal 30 jaar mee. Dan moeten ze het veld ruimen omdat ze om een of andere reden in de weg staan. Een grachtengordel met bomen ziet er heel anders uit dan zonder. Grote bomen zien we steeds minder. Stadsbomen van enige omvang kregen 30 jaar de kans om door te groeien, maar jonge bomen krijgen vaak die kans niet meer.

Niet elke boom kan natuurlijk 100 jaar worden, maar de oudere bomen mogen wel worden gekoesterd en jonge bomen moeten de kans krijgen oud te worden. Er zijn verschillende factoren die de levensverwachting van bomen in de stad doen slinken, zoals wegverzakkingen als gevolg van zwaar verkeer, herprofilering, het graven van sleuven en kademuurvernieuwing. Doordat veel bomen hun wortels breed en oppervlakkig uitspreiden lopen ze veel schade op. Deze oppervlakkige uitspreiding van de wortels gebeurt doordat veel wegen voorzien zijn van een compact zanddek. Alleen bovenaan zit lucht, zodat de bomen het dus benauwd hebben. Straatbomen hebben vaak te kampen met wortelbeschadigingen of ruimtegebrek voor hun wortelgesteld en bodemverdichting door het verkeer. Er bestaan dragende constructies die de druk van de weg van de wortels wegnemen. Men kan bosgrond aanwenden in plaats van wegenzand. Combineren met goten voor kabels en leidingen zodat de wortels er niet doorheen groeien. Er bestaan kunststofkratten als dragende constructies of betonnen constructies.

Het planten van grote bomen is mogelijk. Bij het Gentse Universitair Ziekenhuis werd in 2015 door een tuinbouwbedrijf uit Kortrijk een Zomereik geplant met een stamomtrek van 1 m, een hoogte van 14 m en een gewicht van 1 ton. De boom werd ondergronds verankerd. Er werd voorzien in een bevloeiingssysteem om de boom gedurende het eerste jaar in groei te houden. Per beurt werd 300 liter water naar de boom gestuwd. De kostprijs bedroeg wel 7000 Euro, maar deze boom kan nog eeuwen zijn belangrijke functie in de stad vervullen.

Boomspiegels zijn kleine tuintjes rondom bomen, met bloemen en planten. In Amsterdam werd de Brede Wespenorchis reeds in een boomspiegel aangetroffen. Het beplanten van boomspiegels beschermt de voet van de boom tegen betreding en maaischade en ontmoedigt het achterlaten van hondenpoep en zwerfvuil. Er is ook minder verdamping van de aarde waarin de boom groeit.

In de omgewoelde aarde van boomspiegels duikens soms onverwachts planten op zoals de Wolfskers en de Dadelpalm. De zaden hiervan kunnen in deze boomspiegels terecht komen via vogels of de mens (pitten). In de boomspiegels vinden we vaak ook Klein Bronkruid, Straatgras, Vogelmuur, Zandhoornbloemen Gewone Zandmuur.

Planten in de boomspiegel van straatbomen zullen doorgaans aan veel meer omgevingsstress (strooizout, betreding, hondenpoep) onderhevig zijn dan planten in de boomspiegel van solitaire bomen in een stadspark. Ook windwerking is een omgevingsfactor die veel stress kan veroorzaken.  

Wilde planten of verwilderende planten die aanvankelijk werden aangeplant als een sier- of moestuinplant komen spontaan op langs de straten, met name op plekken waar er minder verstoring plaatsvindt, zoals tussen fietsrekken, dicht tegen bebouwing aan, langs stoepranden of onder bankjes. Bomenrijen of rijen bloembakken maken een gebied aantrekkelijker en leveren tevens een verhoging op van de ecologische waarde. Verkeersbegeleidend groen mag uiteraard het verkeer niet belemmeren en geen gevaar betekenen voor de weggebruikers. Waar nodig zorgt men ervoor dat de beplanting laag genoeg blijft om er overheen te kijken en zal men door middel van een kortgemaaide strook aan de randen vermijden dat de planten over de rijweg gaan hangen wanneer ze neerslaan door harde wind en regen. Een rotonde leent zich uitstekend om een solitaire boom te planten, zoals bijvoorbeeld een een Zomer- of Moeraseik. Deze boom krijgt dan de ruimte om voluit te groeien. Op rotondes kunnen ook giftige planten worden gebruikt. En ook middenbermen kunnen beplant worden met bomen.

Veel nachtvlindersoorten worden aangetrokken door de straatverlichting. Hun grootste vijanden zijn dan de vleermuizen, die hen soms tot midden in de stad komen bejagen.


Pleinen

Groen ingerichte pleinen zijn ontmoetingsplekken bij uitstek. Buurtbewoners trekken ernaar toe voor een babbel, kinderen komen er spelen, jong en oud treffen er elkaar. Pleinen zijn rustpunten en oriëntatiepunten in het dichte stratenpatroon. Men hoedt zich hier best voor een overbenutting. Pleinen moeten enige ruimte behouden. Ze moeten overzicht blijven bieden.

Bij de aanleg van nieuwe pleinen kan men letten op de infiltratie van hemelwater. Wanneer de gebruikte verharding waterdoorlatend is dan gebeurt de infiltratie ter plaatse en is er minder riolering nodig. Er zal minder wateroverlast zijn en de grondwaterstand wordt hierdoor op peil gehouden. Als men in verhardingen de plantengroei stimuleert, dan vallen de ongewenste kruidachtige soorten minder op waardoor onkruidbestrijding minder noodzakelijk is. Planten vergroenen en verzachten stenige omgevingen en hebben zo een positieve invloed zowel op de menselijke psyche als op het heersende microklimaat. Zelfs in sterk verstedelijkt gebied kan nog een groot deel van het maaiveld onthard worden, veel meer dan nu gebeurt. Op de plaatsen waar “onkruid” groeit tussen de tegels wordt nauwelijks gebruik gemaakt van deze verharding, anders zouden deze planten er niet groeien, en kunnen de tegels dus best verwijderd worden.

Ook qua verlichting kan men op pleinen kiezen voor systemen die werken op zonne-energie of windenenergie en eventueel werken met bewegingsmelders, LED-verlichting of meerdere schakelmomenten. Het meubilair (zitbanken) op pleinen wordt best vervaardigd uit inheems hout en de bepaling rond deze zitbanken kan bestaan uit natuurlokkende begroeiingen. Men kan op sommige plaatsen ook gebruik maken van onderhoudsarme beplanting met grassoorten.

Pleinen zijn vaak kaal, hard en sfeerloos. Maar in hoekjes en randjes die niet vaak betreden worden en langs de randen van de bestrating groeien veel typische stadsplanten. Een plein hoeft niet te gemaakt en te netjes zijn. Rommelige, spontane stukjes zijn voor de natuur belangrijk. De kleine witte bloempjes van bijvoorbeeld de Vroegeling kunnen op pleinen een witte waas vormen, later gevolgd door een zilverachtig schijnsel van de hauwtjes.

Indien er hagen op pleinen staan, dan kunnen schaduwminnende planten groeien of worden aangeplant. Vaak worden er siergrassen aangeplant in bakken. Deze leveren weinig meerwaarde aan de stadsnatuur. Rozen zijn vlindervriendelijke planten, maar vragen wel een intensief beheer. Op pleinen die bestraat zijn met bakstenen groeien aan rotsachtige omgevingen aangepaste plantensoorten, die tussen de stenen groeien.

De meest effectieve maatregel met betrekking tot het beperken van oppervlaktetemperaturen is het beperken van het percentage verhard oppervlak. Een beschaduwing door de aanplant van bomen op parkeerplaatsen en langs verkeerswegen houdt de oppervlaktetemperaturen en gevoelstemperatuur lager.

Het gebruik van de ondergrond neemt voor allerlei functies, onder meer telecommunicatie, toe. Dit gaat ook op pleinen vaak ten koste van de ruimte voor wortelgroei van de bomen. Onmiddellijk naast de bomen wordt elke (dure) vierkante meter gebruikt voor rijden en parkeren. Pleinen worden meer en meer omgevormd tot afdekking van een ondergrondse parking. Monumentale bomen zijn op die pleinen dan niet meer te verwachten. In de stad vinden de ogen nochtans rust in het groen van de bomen. Men onderzoekt dus best waar men aanvullende bomen kan aanplanten. Pleinen lenen zich immers ten volle voor het aanplanten van een bijzondere boom. De ruimtelijkheid en de zichtlijnen hoeven hierdoor niet verloren te gaan. Ze kunnen er zelfs door worden versterkt.

Parkeerterreinen worden vaak aangelegd op zand, dus een voedselarme bodem. De omstandigheden voor planten zijn er hard: de temperatuur schommelt extreem tussen hitte, door de afwezigheid van schaduw en koude, door de snelle afkoeling ’s avonds. Er kunnen lange periode zijn van droogte. Planten kunnen niet makkelijk bij het grondwater. Er is ook veel beweging van auto’s, fietsers en wandelaars. Op sommige parkeerterreinen werd een halfverharding aangelegd zoals grasbeton, betonnen vlechtwerk waar allemaal open ruimtes tussen zijn. Hier zijn verschillende grassen en andere planten te vinden.

De harde omstandigheden op parkeerterreinen zorgen ervoor dat alleen planten die hiertegen bestand zijn er zullen groeien. Zo kunnen bijvoorbeeld Dwergviltkruid en Duits Viltkruid worden gevonden, Bleekgele Droogbloem, Stijf Hardgras, Kaal Breukkruid, Varkensgras en Liggende Vetmuur. Deze planten worden continu geplet door wielen en slagen er telkens weer in om terug te komen.

Grijze, kale parkeerterreinen kunnen worden begroend door bomenlanen aan te planten, nestkasten op te hangen en boomspiegels te laten begroeien. Op weinig gebruikte parkeerterreinen treft men steeds vaker de Bleekgele Droogbloem aan. Ook andere planten die op parkeerterreinen groeien zijn kleine oases in de stenige woestijn en daardoor aantrekkelijk voor verschillende soorten insecten. Bij stadsnatuur denkt men wellicht in eerste instantie aan bomen, bloemen, vogels en vlinders. Maar in de stad worden ook zeldzame sprinkhanen aangetroffen, en niet zelden worden deze op parkeerterreinen gevonden, zoals de Bruine Sprinkhaan en de Ratelaar. Kleine vliegjes worden ook aangetrokken. Deze worden dan weer gegeten door libellen. Insecten en plantenzaden trekken vogels aan. Op een kaal parkeerterrein kan aldus een heel voedselweb ontstaan door wat groen toe te laten of te voorzien.  


19. De RECREATIE-biotoop: recreatiedomeinen en sportvelden

In recreatiedomeinen is er veel ruimte voor spontane ontwikkeling van beplantingen. Ze zijn er doorgaans zeer arbeidsextensief en kunnen een grote natuurwaarde hebben. De natuurlijke en aangeplante begroeiingen zorgen voor een goede aansluiting bij de omgeving. Zelfs intensief gebruikte sportvelden kunnen ten volle deel uitmaken van de groene structuren in de stad.


Recreatiedomeinen

De voortschrijdende uitbreiding van het stedelijk gebied gaat gepaard met een toename van recreatiegebieden. Het stedelijk groen in deze gebieden wordt steeds natuurvriendelijker –extensiever- beheerd. Al met al bieden deze ontwikkelingen goede kansen aan de natuur. Ook het feit dat verschillende gemeenten het bestrijdingsmiddelengebruik sterk hebben verminderd of zelfs hebben afgezworen, speelt hierin een rol.

In recreatiedomeinen zal men ervoor zorgen dat de aanplantingen tegen een stootje kunnen en dat ze niet giftig zijn. Soorten met eetbare vruchten of tot spel uitnodigende vruchten en soorten die lang en kleurrijk bloeien zullen worden aangewend. Men zal “prikplanten” vermijden of misschien juist wel aanplanten, als natuurlijke afscherming van drukke wegen. Ecologische aanpassingen van recreatiedomeinen zal snel leiden tot een toename van het aantal dagvlinders, krekels en sprinkhanen. Het Landkaartje (vlinder) is een soort die vaak in groengebieden buiten het stadscentrum voorkomt, meer naar de stadsrand toe. Het is precies in deze omgeving dat zich veel recreatiedomeinen bevinden. Voorbeelden van sprinkhanen die men vaak in recreatiedomeinen aantreft zijn Boomsprinkhaan, Bruine sprinkhaan, Ratelaar en Zanddoorntje.

In de recreatiegebieden worden steeds meer vleermuizen waargenomen: dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, watervleermuis en mogelijk ook tweekleurige vleermuis. Er kunnen verschillende bomen worden aangeplant, weilanden worden aangelegd en ook plukbossen met verschillende fruitbomen en -struiken. Kunstmatige recreatieplassen kunnen mits enkele beheersingrepen pareltjes van biodiversiteit worden.

Ook in een stadspark zijn er vaak tal van recreatievoorzieningen zoals bijvoorbeeld voorzieningen voor hardlopen, skeeleren, tennissen, voetballen, skateboarden en zwemmen. In een stadspark kunnen er ook uitgestrekte recreatieweiden worden aangelegd, gedeeltelijk met gazonbeheer, gedeeltelijk met hooilandbeheer.

Gemeentelijke domeinen die in verval zijn geraakt kunnen worden omgevormd tot een recreatiegebied. Deze grote stukken grond kunnen exclusief worden gereserveerd voor planten, insecten en vogels. Een voormalige skiheuvel in Sport- en Recreatiepark De Blaarmeersen in Gent herbergt veel natuur. Op de kalkrijke bodem van deze bult ontwikkelde zich na inzaaien een prachtige kalkgraslandvegetatie. Er komen planten voor als Wondklaver., de waardplant van het Dwergblauwtje. De grote variatie tussen lage begroeiing, struiken en bomen doet de soortenrijkdom toenemen. Er komen talrijke soorten wilde bijen voor. Dat is dan ook weer goed voor vleermuizen en Gierzwaluwen.  

Ook op sportterreinen kan men interessante bloemenmengsels inzaaien. De stedelijke overheid kan het goede voorbeeld geven en info-borden plaatsen bij haar verwezenlijkingen. Veel steden hebben aan de rand van de stad voormalige landbouwgebieden ingekleurd als groenzones of recreatiezones. Hier krijgt de natuur, tussen een voetbalveld en fitnessparcours in, toch weer nieuwe kansen.


Sportvelden

Net als de receatiedomeinen zijn ook de sportvelden meestal buiten het stadscentrum gelegen. Deze sportvelden maken met onder meer parken, grote stadstuinen, recreatiedomeinen en volkstuinen deel uit van een aaneengesloten strook van groene elementen die de stedelijke ecologische structuur vormen.

De Eenstijlige Meidoorn is een struik die men in de steden vaak langs sportvelden aantreft. Meidoornhagen bieden beschutting en voedsel voor zowel vogels als zoogdieren. De Meidoorn wordt vanwege de doornen na enige tijd namelijk vrijwel ondoordringbaar en vormt dus een prima afscherming tussen de sportvelden en drukke verkeerswegen. De bloemen trekken tal van insecten aan en de bessen worden graag gegeten door vogels. Het is de waardboom van verschillende vlinders.

Een plantje dat men vrijwel overal in de stad, en in elk geval overvloedig op sportvelden, zal aantreffen is het Straatgras. Het is namelijk zowel een stikstofminnende plant als een typische soort van sterk betreden graslanden. En omwille van de concurrentie met andere planten zal dit plantje alleen gedijen in open begroeiingen. Het is een zeer algemeen plantje dat vaak als onkruid wordt gewied, maar het is wel één van de waardplanten van het Bont Zandoogje, een vlinder.

Naast kustvogel en weidevogel is de Scholekster ook een stadsvogel geworden. Omdat ze hun jongen voeren kunnen de vogels immers ook op platte grinddaken van flatgebouwen of fabrieksloodsen broeden. De ouders zoeken naar voedsel dat ze dan onder meer op sportvelden vinden. Met de gevonden prooien vliegen ze dan naar hun jongen op het daknest.

Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen, zoals bijvoorbeeld  neo-nicotinoïden, op sportvelden is uit den boze. Deze milieugevaarlijke stoffen zorgen ofwel rechtstreeks voor een bijensterfte ofwel onrechtstreeks doordat het aantal (verschillende) planten vermindert en dus ook het potentieel aan stuifmeel. De bijen geraken niet het hele jaar door meer aan voldoende stuifmeel. Ook wilde planten nemen het gif op uit vervuild water en geven het door aan nectar en stuifmeel dat door bestuivende insecten verzameld wordt. Het neonicotine Imidacloprid wordt nog altijd gebruikt voor de verdelging van engerlingen op sportvelden.

Bij de park-biotoop hebben we gezien dat stadsparken vooral vroeger ook voorzien werden van verschillende sportvoorzieningen. Middenin een stadspark zijn er dan ook sportvelden, renbanen en atletiekcentra te vinden.


20. De SPEEL/LEER-biotoop: speelterreinen en schoolpleinen

Zeker voor stadskinderen is het niet evident meer dat kinderen kunnen ravotten in de wilde natuur in de buurt, dat ze putten graven, met water spelen, op onderzoek gaan en in bomen klimmen. En toch is dit hetgene wat die kinderen precies willen. Speelterreinen moeten daarom natuurlijke worden ingericht. Ook schoolpleinen worden beter veel natuurlijker ingericht dan dit tegenwoordig nog altijd het geval is. Groene schoolpleinen zijn goed voor de creativiteit; kinderen voelen zich er prettiger en kunnen zich na het spelen op een groen speelplein beter concentreren in de les. Vooral in de stedelijke omgeving is het belangrijk dat kinderen in rechtstreeks contact komen met de natuur. Dit schept een band.  


Speelterreinen

De mens maakt als biologisch wezen deel uit van de natuur. Kinderen groeien in toenemende mate op in een verstedelijkte omgeving, maar ze kunnen maar opgroeien tot evenwichtige personen als ze dit in frequent contact met de natuur kunnen doen. Pedagogen pleiten daarom voor een “natuurnabije educatie”. De stadsnatuur kan daartoe de mogelijkheden bieden.

Een natuurspeeltuin draagt bij aan ontplooiing, welbevinden en gezondheid van kinderen. Bovendien ontstaat de liefde voor de natuur meestal in de kinderjaren. Nu er steeds meer signalen zijn dat kinderen niet meer in de natuur komen, de herkomst van het voedsel niet kunnen duiden en zich zorgen maken om milieuproblemen in de wereld, is het verbeteren van de relatie tussen jeugd en natuur een belangrijke opgave. Vooral kinderen in de basisschoolleeftijd blijken een speciale band te hebben met de natuurlijke omgeving. Ze vinden een natuurlijke omgeving veel aantrekkelijker dan een bebouwde omgeving.

Deze natuur moet verrassend en onvoorspelbaar zijn. De kinderen leren spelenderwijs. Ze spelen graag op stukjes niemandsland, waar van alles te vinden is. Ze houden ervan zich te verstoppen in een boom of ondiepe sloten over te steken op boomstammen. De favoriete speelplekken hoeven in geen geval netjes en opgeruimd te zijn. Kinderen moeten opnieuw proppenschieters leren maken met uitgeholde Vlier-takken of zelf spelletjes kunnen verzinnen met de harde bolvormige vruchten van de Witte Paardenkastanje.

Uit onderzoek in Nederland (Alterra, 2008) is gebleken dat kinderen een gevarieerder speelgedrag vertonen in natuurlijke en avontuurlijker speelterreinen dan in een klassieke sporthal. Spelen in het groen leidt tot een verbeterde concentratie, een betere sociale vaardigheid en fantasieprikkeling. Spelen in de natuur is goed voor een evenwichtige, gezonde ontwikkeling waarbij verschillende ontwikkelingsgebieden tegelijk aan bod komen. Ravotten in het wild draagt bij tot de ontwikkeling van het kind: zowel de motorische ontwikkeling (beweging), de sociale ontwikkeling (samen spelen) als de psychologische ontwikkeling (creativiteit, zelfvertrouwen ontdekken). Het moet wel veilig blijven. Die veiligheid is vooral het leren inschatten van en omgaan met gevaren en risico’s. Ravotten in de natuur is een gezond risico nemen.

De tijd van de betonnen vlakte met 2 voetbaldoelen of basketringen is voorbij. Een speelterrein moet ook meer zijn dan een wipkip op rubberen tegels met een hek er om heen. Kinderen staan wel degelijk open voor de natuur, maar die natuur moet dan wel voorhanden zijn.

Kinderen in groene buurten spelen meer buiten dan kinderen in buurten met weinig tot geen groen. Een leefomgeving die uitnodigt tot bewegen leidt tot meer lichamelijke activiteit. De aanwezigheid van groen is daarbij voor kinderen zeer relevant. Buiten spelen gaat gepaard met een betere gezondheid; daarbij gaat het dan niet alleen om het vermijden van overgewicht. Er zijn al heel wat steden die de boodschap hebben begrepen en die al mooie initiatieven in die zin hebben genomen.

De stad legt meer en meer natuurlijk speelgroen aan. Er worden natuurleerpaden aangelegd. In bepaalde parken werden reeds klauterbosen en avontureneilanden aangelegd. Waterspeelplaatsen, groene amfitheaters, kruidenspiralen, kindermoestuinen, kinderboomgaarden, aangeduide speelbossen, wilgenhutten, tunnels, takken om boomhutten te maken, veilige speelweiden voor de kleinsten; al deze vormen dragen bij tot een betere ontwikkeling van de kinderen en bieden tegelijk kansen voor natuur.  

Speelnatuur moet goed bereikbaar zijn en ligt dus best in de onmiddellijke omgeving. Deze plekken moeten autonoom en veilig te bereiken zijn. Het is beter om 20 kleine speeltuinen aan te leggen dan 5 grote. De bestaande groen- en waterstructuren kunnen worden gebruikt: stadsbossen, buurt- en wijkparken, groene stadsgordels, waterlopen en grachten.

In de Gentbrugse Meersen is bijvoorbeeld een speelpark. Sinds 2008 krijgen Gentse ouders de kans om het geboortebos in de Gentbrugse Meersen elk jaar een stukje groter te maken.  In Gent werd ook een speelse verbindingsstrook aangelegd tussen Bourgoyen-Ossemeersen en het Groene Valleipark. De Speelkaart van Gent telt inmiddels 120 speelterreinen die de stad Gent onderhoudt.  

In de Warande te Kortrijk werd een speelruimte ingericht. Deze ruimte nodigt werkelijk uit tot speels gedrag; er zijn speelheuvels, wilgenhutten, een bouwplek met hout, zand, stenen ; een theaterplek, zandbergen, takken en boomstammen. De beplanting is gevarieerd en er zijn wilde bloemen die verschillende insecten aantrekken. Bij de Warande Kortrijk werd een praatplan met bewoners, kinderen en een projectteam opgericht.

De Triangel te Ieper is een educatieve natuurtuin. Een grote vijver met rietoever, een drietal kleine poelen, een mooe sloot met knotbomen, een Elzenstruweel, wilgen, gemengde hagen en hooilandjes.


Schoolpleinen

Uit Nederlands onderzoek (Jantje Beton-TNS-NIPO) blijkt dat van de kinderen die opgroeien in een stedelijke omgeving 1 op 4 kinderen nooit of slechts 1 maal per week buiten speelt. Kinderen blijken nochtans de natuur, schoolpleinen en grasveldjes als favoriete speelplek te zien. De kinderen houden vooral van avontuurlijk en niet-voorgeprogrammeerde spelletjes.

Het gemiddelde schoolplein is vaak volledig betegeld met hier en daar een vast speeltoestel. Voor vogels of andere dieren is hier niets te halen, maar ook voor de kinderen is dit geen stimulerende omgeving. De buitenruimte bij kinderopvang en scholen mag geen betonnen speelplaats zijn, maar een groene, speelse speelplaats.

Uit meerdere onderzoeken komt naar voren dat natuurlijke schoolpleinen een positievere invloed hebben op de ontwikkeling van de motoriek dan traditionele schoolpleinen. Door de natuur van dichtbij mee te maken ontwikkelen kinderen een gevoel van verantwoordelijkheid en betrokkenheid: een zorgende houding ten opzichte van de natuur. Avontuurlijke omgevingen met veel natuurlijke elementen stimuleren constructiespel en fantasiespel wat weer een positieve invloed heeft op cognitieve en sociale vaardigheden. Kinderen hebben immers behoefte aan een uitdagende speelomgeving waar ze op ontdekkingstocht kunnen gaan.

In de basisscholen De Visitatie en de Oogappel (Gent) en de Appeltuin Leuven verdwenen de grijze klinkers. Kinderen spelen er nu op klauterbergen, boomstammen en tussen de wilde bloemen. De schoolpleinen hebben grasheuvels, knopenbomen en buitenklaslokaal in een groene omgeving. Natuurvriendelijke scholen hebben schoolmoestuinen, smulhagen, groene wanden (nestelende merels) en verschillende vogelvoerplekken en -nestkastjes. Als men schoolpleinen aantrekkelijk maakt met en voor de natuur dan wordt dit beloond met het bezoek van Merels, Koolmezen en  Huismussen. Een extra dimensie geven nestkasten voor Gierzwaluwen die tegen de schoolgevels worden bevestigd.

In het parkje “Ons park- Wijngaertsveld” in Hasselt maken scholen dankbaar gebruik van het levende lesmateriaal. Jonge “parkrangers” van de stedelijke basisschool geven er maandelijks op borden in het park de staat van het buurtpark weer. Boze, gematigde en vrolijke smileys vertellen hoe het met het park gesteld is.




1. De PARK-biotoop: stadsparken en grote stadstuinen

2. De LANDGOED-biotoop: landgoederen en kloostertuinen

3. De PERK-biotoop: perken en plantsoenen

4. De BRAAKLAND-biotoop: braakliggende terreinen en stadsruigten

5. De INDUSTRIE-biotoop: industieterreinen en havengebieden

6. De BERM-biotoop: Wegbermen en kanaalbermen

7. De SPOORWEG-biotoop: Spoorwegbermen en -emplacementen

8. De TOREN-biotoop: Hoogbouw en torens

9. De HUIS/TUIN-biotoop: Huizen en particuliere tuinen

10. De DAK/GEVEL-biotoop: groendaken en geveltuinen

11. De NUTSTUIN-biotoop: volkstuincomplexen en boomgaarden

12. De PUT-biotoop: straatkolken en kelderputten

13. De MUUR-biotoop: muren en basaltglooiingen

14. De SCHERM-biotoop: geluidswallen en groenschermen

15. De BRUG-biotoop: bruggen en viaducten

16. De KERKHOF-biotoop: kerkhoven en begraafplaatsen

17. De WATER-biotoop: wateren en oevers

18. De STRAAT-biotoop: straten en pleinen

19. De RECREATIE-biotoop: recreatiedomeinen en sportvelden

20. De SPEEL/LEER-biotoop: speelterreinen en schoolpleinen