NATUURLEXICON



Met een grotere variatie aan planten en dieren wordt niet alleen de bestaanszekerheid van soorten vergroot; ook de leefomgeving voor de mens verbetert erdoor. De kans op het zien van een vogel, Egel, kikker of libel in de directe omgeving vergroot er ook door. Een groot aantal plant- en diersoorten zijn op Rode Lijsten terechtgekomen, maar komen wel in de stad voor. Als stad kan men een belangrijke rol spelen in het voortbestaan van verschillende soorten.

Bij stadsnatuur zal men in de eerste plaats denken aan grote “groene” eenheden: parken, volkstuincomplexen, stedelijke bossen, grote vijvers met hun omgeving. Maar ook een kleine stadstuin, “vergeten” hoekjes in een stadsuitbreiding of een plantenbak in de stad, herbergen natuur.

Stadsnatuur wordt tegenwoordig ecologischer benaderd dan het louter aanleggen van keurig onderhouden parken. Bij de aanleg van stedelijke bossen en parken is het goed om ernaar te streven de verschillende groene eenheden met elkaar te verbinden. Daarbij kan men gebruik maken van spoorwegbermen, verlaten spoorwegen, kanalen, paden, zodat planten en dieren tijdelijk of permanent kunnen migreren, voedsel zoeken of slapen.

Natuurbouw wil zeggen dat de mens de voorwaarden moet scheppen voor de vestiging van interessante planten- en dierengemeenschappen: de natuur doet de rest. Parken en natuurlijke terreinen moeten worden aangelegd, zoveel mogelijk met inheemse, bomen, struiken en planten, zodat de inheemse natuur er baat bij heeft. Natuur in de stad zorgt voor een directer contact tussen de stedeling en de natuur van de buitengebieden. Men brengt als het ware het buitengebied binnen.

Wat voor planten geldt, snel en behendig in het zich aanpassen, geldt ook voor de dieren. De vliegende zijn daarbij in het voordeel. Maar het moeten ook de snelle en vooral de behendige vliegers zijn. Voor de insecten geldt het ook. In de stad vinden we dan ook snelle, sterke vliegers, zoals bijen, hommels, vliegen, zweefvliegen. In de stad gebruikt de natuur van alles het beste. Spreeuwen benutten bomen als slaapbomen, broeden in holtes onder dakpannen, gebruiken gazons om voedsel te zoeken.

In de stad moet ernaar worden gestreefd dat de 7 V’s voorhanden zijn voor dieren en planten: Voedsel, Veiligheid, Voortplantingsmogelijkheid, Verblijfsmogelijkheid, Verbindingen, Verwildering en Variatie. We gaan na welke maatregelen we voor de natuur kunnen nemen voor elk van deze V’s.


Zorgen voor de 7 V’s   =  zorgen voor meer stadsnatuur.


Home


- Dossier -

Stadsnatuur


- Deel 4 -

De 7 V’s voor (nog) meer stadsnatuur

Terug naar de startpagina van dit dossier



1. Voedsel 

In de stad zorgen bomen en struiken die bessen dragen en kruidachtige planten met een rijke bloei (stuifmeel, nectar) voor voedsel voor verschillende soortgroepen. Maar ook de bladeren, de schors en soms de wortels van planten worden gegeten. Dieren vormen zelf voedsel voor andere dieren. We kunnen de insectenrijkdom in de tuin vergroten door te zorgen voor planten die een voedselbron vormen voor de insecten. Insecten kunnen het gemakkelijkst aan het voedsel bij planten met enkelvoudige bloemen. We kunnen in de stad op verschillende manier zorgen dat er voor verschillende soorten wordt voldaan aan deze voedselbehoefte.


Bloemen als nectar- en stuifmeelleveranciers voor bijen, hommels, vlinders en zweefvliegen

Op verschillende locaties moeten bloemrijke plekken worden gerealiseerd en onderhouden, zowel in stedelijke gebied als daarbuiten. De afgelopen jaren is er wereldwijd een alarmerend aantal bijen gestorven, ook in Vlaanderen. Het gebruik van bestrijdingsmiddelen, de komst van mijten en virussen en ook veranderende leefomstandigheden zijn hiervan de oorzaken.

Vlinders, hommels en bijen hebben het erg moeilijk de laatste tientallen jaren, onder meer door een gebrek aan voedsel in de vorm van nectar en stuifmeel. Daarvoor zijn bloeiende bloemen nodig. Men kan hiervoor stukken grond inzaaien met nectarrijke bloemenmengsels en ook bomen en stukken grond beplanten met ecologisch relevante planten. Een gerichte keuze van planten zal de soortenrijkdom ongetwijfeld doen toenemen. Ook wegbermen zijn ideaal om als bloemenlinten door het landschap te laten gaan. De kleuren zijn ook voor mensen visueel aantrekkelijk. In de steden is er een groot draagvlak bij grondeigenaars, omwonenden, natuurverenigingen, stadsbesturen om bloemrijke plekken aan te leggen.

Vanaf eind februari tot in november toe zijn bijen en vlinders actief en hebben ze dus voedsel nodig. Op veel plaatsen zijn, in ieder geval een deel van het jaar, te weinig bloeiende planten aanwezig. Een van de methoden om hieraan te verhelpen is om bloemen in te zaaien. Bermen, gazons in stedelijk gebied of tijdelijke natuur op braakliggende gronden kunnen zaaiklaar gemaakt worden en worden ingezaaid met bloemen. Dit gebeurt ook al, maar niet altijd profiteren de bijen en vlinders daarvan. Er zijn veel mengsels op de markt met allerlei uitheemse soorten, die wel een mooi en kleurrijk beeld geven en soms ook wel planten bevatten waar honingbijen inderdaad hun voedsel halen, maar veel wilde bijen en vlinders hebben daar bitter weinig aan.

Van de talrijke wilde bijen die in Vlaanderen voorkomen zijn er veel die gespecialiseerd zijn op één of enkele plantensoorten. Dat zijn vaak inheemse planten. Vlinders hebben, naast bloeiende planten waaruit ze hun brandstof halen, ook waardplanten (voedselplanten voor de rupsen) nodig waarop ze zich dus kunnen voortplanten. Dit zijn doorgaans inheemse soorten.

Meer en meer wordt duidelijk dat niet alleen Honingbijen belangrijk zijn voor de bestuiving van landbouwgewassen. Ook solitaire bijen kunnen in de toekomst worden ingeschakeld als bestuivers. Het is daarbij van groot belang om zoveel mogelijk leefgebieden bijvriendelijk in te richten. Bijenhotels zijn al een stap in de goede richting voor wilde bijen (zie bij Voortplantingsgelegenheid), maar slechts één op zeven bijensoorten nestelt in een bijenhotel, dus ook andere nestgelegenheden, zoals open plekjes in de bodem, zullen nodig blijven. Bovendien hebben wilde bijen die op hotel gaan ook voedsel nodig. In de omgeving van het bijenhotel moeten dus ook voldoende bloemen aanwezig zijn.

Het inzaaien van Koolzaad en het aanplanten van Sleedoorn en Klimop kunnen bijvoorbeeld zorgen voor een verhoging van de kwaliteit van het leefgebied doordat de bijen ook voor en na de bloeiperiode van de te bestuiven gewassen stuifmeel kunnen verzamelen voor hun nakomelingen. Het voedselaanbod voor bijen kan worden vergroot door bloemenweiden in te zaaien of bloembollen te planten. Solitair levende wilde bijen nestelen graag in slechte voegen of uitbrokkelende voegen in muren, in holletjes in muren, stengels van planten, achter boomschors of in zand.

Daarom is het eveneens belangrijk dat tuinen en ander groen in stad goed ingericht wordt voor de bijen. Denk daarbij bijvoorbeeld aan nectar- en stuifmeelrijke planten zoals Gewone rolklaver, dovenetels of Heelblaadjes. Vruchtdragende struiken waarvan de bloemen veel nectar bevatten, zoals Aalbes, zijn niet alleen voor bijen een plezier, maar zijn ook voor de mens aantrekkelijk. Zorg verder zeker voor wat bloemenlandschappen, want zonder bloemen zie je geen bijen. Wie geen tuin vol stekende insecten wilt, hoeft niets te vrezen: wilde bijen zijn verre van agressief en steken niet. Succesfactoren voor wilde bijen zijn onder meer de combinatie van voldoende bloemen en open, zandige plekken, het minder en vooral later maaien van graslanden (bloemen) en voldoende nestgelegenheid.

Naast aangepaste plantensoorten in je tuin kan je ook met een goed tuinonderhoud een verschil maken. Pesticiden spelen een grote rol in de bijencrisis en moeten daarom resoluut geweerd worden. Voor zover er zich al een probleem stelt, zijn er ook oplossingen zonder dat men daarvoor pesticiden hoeft te gebruiken. Bijenweiden kunnen worden aangelegd op braakliggende stukken in de stad of op bedrijventerreinen. Deze tijdelijke natuur kan zo geschikt leefgebied worden voor bijen en vlinders. De bloemenrijkdom zal tevens ook voor mensen aantrekkelijk zijn. De aanleg en het onderhoud kan gebeuren door of met een maximale inbreng van mensen uit de buurt met interesse voor natuur. Gazons kunnen worden omgevormd naar bloemrijke graslanden. Bloemrijke graslanden kunnen worden ingezaaid en in wisselende patronen worden gemaaid, waarbij dominante soorten worden onderdrukt en minder concurrerende soorten worden bevoordeeld. Bij het inzaaien maakt men best gebruik van plantensoorten die bekend staan als voedselplant (nectar en stuifmeel), waardplant, vogelvriendelijke plant of belangrijke plant voor andere soorten. Er kunnen waar mogelijk bomen en struiken worden aangeplant. Bermen in de stad kunnen extensief worden beheerd als hooiland.

De stad is met zijn grote variatie aan bloemen en planten een belangrijke plek voor bijen. Belangrijker zelfs dan de landbouwgebieden. Door bermen minder vaak te maaien, bijvriendelijke bloemen te zaaien of plekken te maken waar ze kunnen leven, kan de overlevingskans van bijen worden vergroot.  

Vlinders leven van nectar. Dat is hun belangrijkste levensbehoefte. Ze hebben een lange roltong die ze als een rietje in een bloem kunnen stoppen om de nectar te drinken. Het is hun brandstof om te kunnen vliegen en zich te kunnen voortplanten. Vlinders zijn koudbloedige dieren. Nectarplanten die niet in de zon staan, zullen ze daarom niet snel bezoeken. Uit de wind en in de zon. De ideale temperatuur voor vlinders is 30 °Celsius. Vlinders maken gebruik van vleugels om op te warmen. Deze vleugels werken als een soort zonnepaneel waardoor de warmte zich op hun lichaam concentreert. Vlinders komen vaak af op rottend fruit op een voederplankje. Vlinders bezoeken ook graag bloeiende kruidenhoekjes. Wilgenkatjes bloeien vroeg in het voorjaar en zijn dan een belangrijke voedselbron voor vlinders, hommels en bijen. Zweefvliegen komen vooral af op schermbloemigen. De aanleg van groene daken, groene gevels en geveltuinen zorgt voor een extra voedselbron voor tal van insecten.

Hagen bestaan vaak uit Meidoorn- of Liguster-soorten. Deze worden doorgaans kort gehouden door ze verschillende keren per jaar te snoeien. Hierdoor ontwikkelen deze struiken geen of slechts weinig bloemen. Ze produceren bijgevolg ook weinig vruchten. Bloeiende struiken trekken veel insecten aan, die zich voeden met de nectar of het stuifmeel. De daarna geproduceerde vruchten vormen voedsel voor vogels in de herfst en de winter. Ook de insecten worden door vogels gegeten. Ook deze afscheidingen op zichzelf kunnen dus sterk bijdragen aan de voedselvoorziening, als men deze struiken slechts 1 of 2 keer om de 2 jaar snoeit, buiten het bloeiseizoen, bijvoorbeeld in de winter. De hinderlijke takken kunnen wel worden weggesnoeid. Men snoeit ook best de ondergroei niet meer, want die leveren een mooier beeld. De heg zal er voller uitzien. In de onderbegroeiing groeien ook vaak planten als Pastinaak, Gele Helmbloem en Rode Spoorbloem. Ook klimplanten als Haagwinde en Bosrank kunnen voorkomen. Deze wortelen onder de heg en geven het geheel een natuurlijker uitzicht. Egels zullen deze onderkant gebruiken als nestgelegenheid en beschutting. Hekken langs hagen zijn in veel gevallen overbodig en kunnen worden verwijderd. Hekken belemmeren bovendien de doorgang voor zoogdieren. In tuinen zorgt men best voor een zo breed mogelijk gespreide bloei gedurende het jaar, zoals bloembollen in het voor voorjaar, Klimop, Koninginnekruid en Hemelsleutel in het najaar.


Waardplanten voor vlinders

Soms komen de rupsen van een bepaalde vlindersoort op meerdere plantensoorten voor; in andere gevallen lusten ze slechts één soort plant. De voedselplanten van de rupsen noemt men ook waardplanten. Sterk geurende planten zoals Wilde Kamperfoelie trekken zowel dagvlinders als nachtvlinders aan. Bij inrichting en beheer van het openbaar groen kan perfect met vlinders rekening worden gehouden. Het inrichten van workshops in de steden waarbij men samen met deskundigen op zoek gaat naar eitjes van een bepaalde vlinder, blijkt door de persoonlijke aanpak een goede methode te zijn daadwerkelijke bescherming van soorten voor elkaar te krijgen, ook in het stedelijke gebied.


Vlindertuinen

De leefgebieden voor vlinders worden steeds schaarser en de bestaande gebieden raken meer en meer versnipperd. Niet alle vlinders zijn trouwens even goede vliegers. Daarom is het belangrijk om in de stad leefgebieden te creëren voor vlinders. Een vlindertuin kan een schakel vormen tussen leefgebieden en zelf een nieuw leefgebied worden. Bij de aanleg van een vlindertuin moet men zorgen dat men de vlinders licht, warmte, nectarhoudende planten, waardplanten, afwisseling in het landschap en beschutting kan aanbieden. Vlinders zijn koudbloedige dieren en zoeken graag zonnige plekken op. Het is daarom belangrijk om een vlindertuin op een zonnige plaats te maken. De beplanting bestaat uit nectarhoudende planten (voedsel voor vlinders) en waardplanten (voedsel voor rupsen). Planten die veel nectar produceren zijn dezelfde planten als de waardplanten. De waardplanten zijn afhankelijk van de vlindersoorten die men wil lokken. Sommige rupsen zijn erg kieskeurig en kunnen slechts op een klein aantal plantensoorten overleven (specialisten). Vaak behoren deze waardplanten tot dezelfde familie of geslacht. Andere soorten zijn juist niet gespecialiseerd op bepaalde planten en kunnen op veel meer plantensoorten overleven (generalisten). Vlinders gebruiken de planten om zich te oriënteren. Hoogteverschillen in het landschap zijn dan ook belangrijk (variatie). Heuveltjes en planten van verschillende afmetingen kunnen hier al voor zorgen. Hoogteverschillen zorgen tevens voor beschutte plekjes tussen de begroeiing waar vlinders kunnen rusten; het aanplanten van bijvoorbeeld Vlinderstruik of Gewone Vlier zorgt zowel voor voedsel, variatie als beschutting.

Op een beschutte plek in het zuiden van een tuin of park kan een basis worden gelegd voor een humusarme en/of kalkrijke bodem met zand, klei, leem, puin, stenen, mergel en schelpen en een bloemenzaadmengsel worden ingezaaid. Vanaf het vroege voorjaar tot het late najaar kan zich een bloemrijke vegetatie ontwikkelen. De vlinders kunnen hier een ideale plek uitzoeken en er veel verschillende nectarrijke bloemen aantreffen. Achtereenvolgens kunnen we vanaf maart de Dagpauwoog, de Kleine Vos en de Citroenvlinder, vanaf april het Landkaartje en de Koolwitjes en vanaf juni de Atalanta verwelkomen. Goede vlinderplanten zijn ondermeer Hemelsleutel, Sleedoorn, Herfstaster, Salie, Kattenstaart, Wolfsmelk, Lavendel, Kogeldistel en Duifkruid.

In een kleine tuin zit men meestal niet te wachten op rupsen die de planten kaalvreten. In grotere groenstructuren als stadsparken en plantsoenen is er meer plaats om waardplanten voor rupsen aan te planten. Een bijkomende schuilplaats voor overwinterende vlinders kan worden aangeboden in de vorm van een vlinderkast (zie bij Verblijfsmogelijkheid). Voor een optimaal functionerende vlindertuin is er ook water in de omgeving nodig. Een vijver aanleggen lost dit op en trekt bovendien kikkers en salamanders aan.


Pictorial meadows

Een “pictorial meadow” of vlinderberm is een wegberm, een spoordijk of een oever met een vlindervriendelijk beheer omdat er veel geschikte vlinderplanten (nectar- of waardplanten) voorkomen. Extensief gebruikte gazons of bermen die nu nog alleen bestaan uit gras kunnen als een “pictorial meadow” worden ingericht.


Composthopen

Afgevallen bladeren kan men best laten liggen in het openbaar groen. Hiermee is er voldoende voedsel voor de Regenwormen en dus ook voor de vogels. Het aanleggen van een composthoop is een makkelijke manier om van groenafval af te komen. In een composthoop leven verschillende soorten ongewervelden, zoals Regenwormen en pissebedden waar vogels en zoogdieren zoals muizen dan weer van profiteren. De composthoop kan ook door de Egel worden gebruikt als overwinteringshoop.

Soms wordt de warmte van een composthoop gebruikt door Ringslangen om hun eieren te laten uitbroeden. Ringslangen voeden zich onder meer met amfibieën, zodat poelen ook bijdragen aan de voedselvoorziening en dus het voortbestaan van de Ringslang.


Voederplanken voor vogels

Voor vogels, maar ook voor andere soorten, is het belangrijk dat voedsel gedurende het hele jaar beschikbaar is. Om de voortdurende beschikbaarheid van voedsel te garanderen is het noodzakelijk om een grote variëteit aan planten aan te bieden: groenblijvende en bladverliezende planten, planten met verschillende bloeiperiodes en planten die in verschillende periodes vruchten dragen. In de winter kan men dan bijvoeren door middel van vetbollen, pinda’s en zaden.

In de winter geraken vogels moeilijk aan voedsel, terwijl ze dan juist veel energie nodig hebben om hun lichaamstemperatuur op peil te houden. Insecten worden vrijwel niet meer gevonden en de bessen raken op. Regen en sneeuw maken het de vogels extra moeilijk om bij hun voedsel te komen. Door het inrichten van een voederplank in de tuin, krijgen de vogels een steuntje in de rug.

De vogels houden van variatie. We kunnen de tuinvogels vogelzaadmixen, kaaskorsten (geen plastic), oud brood, gepelde zonnebloempitten, fruitschillen, vetbollen, pindacakes, klokhuizen, gekookte rijst, aardappelen (zonder zout), pelpinda’s, en voedersilo’s aanbieden. Regelmatig en op dezelfde plek voeren. Wanneer men op tijd begint met voederen, weten de vogels waar ze terecht kunnen wanneer het kouder wordt. Stop niet met voederen wanneer het bitterkoud is, maar bouw het geleidelijk af bij het naderen van de lente, om er ongeveer begin maart helemaal mee op te houden. Een voederplank is ook toepasselijk op een balkon, hoe klein ook. Er bestaan ook wandvoederhuizen. Ook geveltuinen en het inplanten van stukjes grond rondom de bomen (boomspiegels) kunnen zorgen voor extra voedsel voor vogels.

Brood gooien voor de eendjes in het stadspark is slecht. Brood dat lang blijft liggen, gaat gisten in het water, wat zeer schadelijk is voor de waterkwaliteit en zelfs fataal kan zijn voor de vissen en de watervogels. Op dezelfde wijze is rottend brood in belangrijke mate mee verantwoordelijk door uitbraken van botulisme en de ontwikkeling van cyanobacterieën, waardoor er , vooral op hete zomerdagen, dode vissen, verstikt door een gebrek aan zuurstof, aan de oppervlakte drijven op parkvijvers. Vogelvriendelijke planten zoals bessendragende struiken zorgen ook voor voedsel voor onze vogels.


Drinkschaal voor vogels

Gedurende zeer warme zomers met of zonder hittegolf zullen de vogels een schaal met vers koel water, die men best in de schaduw plaatst, appreciëren. Een drinkplatformpje bij een tuinvijver is ook een mogelijkheid. We zorgen in de winter voor vers water dat we uiteraard bij vriestemperaturen regelmatig verversen.


Vogelhaag

De beste vogelhaag is dicht van structuur en dus ontoegankelijk voor katten. De heesters die gebruikt worden zijn vruchtdragend en liefst doornig. Een vogelhaag kan het beste geplaatst worden op een zonnige plek. Meidoorn, Sleedoorn, Gewone Vlier, Vuurdoorn, Kamperfoelie-soorten, Vogelkers, Zoete Kers, Kardinaalsmuts, Roos-soorten zijn enkele heesters die kunnen gebruikt worden. Ook talrijke insecten komen er op af, die dan weer als voedsel dienen voor de vogels.


Voedsel voor stadse zoogdieren

Sommige stadsdieren eten ongeveer hetzelfde voedsel als ze in hun wilde staat gewend waren, maar afvaleters zoals Vossen ziet de spijskaart er heel anders uit dan in hun natuurlijke woongebieden. Ze zijn echter veelzijdig en bereid elk kliekje uit te proberen, ook al ziet het er niet uit en stinkt het. Dit sterk opportunistische trekje is de sleutel tot hun succes. Met moderne verpakkingsmiddelen hebben ze wel eens problemen, maar ze leren spoedig hoe je plastic moet openscheuren of –pikken, om bij de eetbare inhoud te komen. Er zijn maar weinig stadscentra en buitenwijken meer waar er geen voedertafels voor vogels zijn ingericht. Dit extra voedsel kan ook voor zoogdieren een aanzienlijke invloed hebben op de overleving in strenge winters.  

Vleermuizen maken vaak gebruik van vaste routes om van hun rustplaatsen naar foerageergebieden te vliegen. Foerageergebieden zijn de plekken waar de dieren hun voedsel zoeken. Voor vleermuizen zijn dit de insectenrijke gebieden. In stedelijke gebieden zijn de beste foerageergebieden de groenstroken en parken. De kraamverblijven liggen meestal dicht bij goede voedselbronnen, omdat in de periode dat er jongen zijn er veel voedsel moet aangevoerd worden. Een insectenrijke omgeving kan bereikt worden door middel van een waterpartij (vijver,moeras) en planten die een grote aantrekkingskracht uitoefenen op insecten (zie hierboven).

 


2. Veiligheid 


Dieren hebben ook behoefte aan veiligheid. Dekking en schuilmogelijkheden worden geboden door afgestorven planten, afgevallen bladeren en snoeimateriaal niet allemaal te verwijderen, maar deze zoveel mogelijk te verwerken in de tuin. Kleine diertjes verschuilen zich vaak in dode stengels. Soms worden eitjes gelegd die overwinteren in verdorde planten. Schuilplaatsen zijn voor dieren essentieel om zich te kunnen huisvesten in de stad. Ze dienen zowel voor bescherming tegen roofdieren, wind en regen als voor nest- en rustplaatsen. Geschikte schuilplaatsen zijn bomen en struiken, boomstronken, hopen bladeren, stapels stenen en takken. Natuurvriendelijke oevers zorgen voor schuilplaatsen voor dieren uit het waterig milieu. Voor verschillende diersoorten kunnen we kunstmatige schuilplaatsen aanbieden zoals bijvoorbeeld vleermuiskasten.

 

Natuurvriendelijke oevers

Langs watergangen en vijvers worden best natuurvriendelijke oevers aangelegd. Deze oevers hebben geen houten of betonnen grens tussen het land en het water, maar een glooiende overgang tussen water en land, een soort moeraszone. In deze zone groeien planten als Lisdode, Grote Kattenstaart en Gele Lis. Waterplanten en oeverplanten maken de wateren geschikt voor libellen. Libellenlarven voeden zich met kleine diertjes zoals slingerwormen, kleine visjes en muggenlarven. Libellen, maar ook kleine waterdieren, kleine zoogdieren, vogels en vissen maken gebruik van deze oevers voor beschutting, nestgelegenheid en het zoeken naar voedsel. In een water met voldoende beschutting leven meer waterdieren die muggenlarven eten.


Hopen stenen, takken of bladeren

Hopen stenen, takken of bladeren in parken en tuinen worden door padden of andere amfibieën gebruikt als schuilplaats.


Mantel/zoom-vegetatie

Een zachte overgang tussen bosgedeelten in parken en grasland- of gazongedeeltes door middel van verschillende lagere struiken en kruidachtige planten zorgt voor een gevarieerde mantel/zoomvegetatie. Ook rondom gebouwen kan men verschillende bomen en struiken aanplanten. Deze bieden schuilplaatsen voor vogels en andere diersoorten.


Hagen

Bij brede erfscheidingen of scheidingen van verschillende functies op een terrein kan men brede hagen aanplanten. Deze bieden ook schuilgelegenheid.


Takkenrillen

Takkenrillen (of takkenwallen) worden aangelegd met snoeihout. Deze takkenrillen zijn vooral geschikt in stadsparken met flinke bosgedeelten en grote stadstuinen, maar ook in wegbermen en private tuinen kan deze takkenril worden gebouwd. Hakselmachines kunnen in (park-)bossen de bodem immers beschadigen en produceren enorm veel lawaai. Een takkenril is eenvoudig te maken en te onderhouden: men plaatst een aantal hoge palen en plaatst daar tussen losse takken, waarbij het niet uitmaakt van welke boomsoort deze takken komen. Onderaan worden dikke takken geplaatst, bovenaan de dunnere takken. Zieke takken worden wel best uit de takkenril gehouden, om het overslaan van de ziekte op gezonde bomen te voorkomen. Een takkenril biedt schuilgelegenheid (soms ook voedsel, voortplantings- of verblijfsgelegenheid) voor amfibieën, vogels (Winterkoning, Roodborst) en kleine zoogdieren. Kevers, zwammen en andere houtafbrekers kunnen er terecht om hun werk te doen. Naast de ecologische voordelen biedt een takkenwal ook de mogelijkheid om op een eenvoudige manier van het snoeiafval af te raken. Een takkenril vraagt slechts een paar uur werk per jaar. Er kan ook een natuurlijke afsluiting met takkenrillen worden gemaakt, met de gewenste breedte en hoogte. Hoe breder de takkenril, hoe meer dieren er een nest in kunnen maken. Bij een daaropvolgend snoeiseizoen kan de takkenril van bovenaf weer worden aangevuld met verse takken.


Glasmarkeringen

Bij gebouwen met veel ruiten waarbij op sommige plaatsen een doorgang gesuggereerd wordt kan men glasmarkeringen aanbrengen om te vermijden dat (roof)vogels zich te pletter vliegen, vooral op die plaatsen waar het glas een open ruimte afschermt.


Signalisatie van hoogspanningskabels

Hoogspanningskabels zijn bij mist, schemerduister of ’s nachts nagenoeg onzichtbaar voor vogels. Duizenden vogels sneuvelen hierdoor, zoals bijvoorbeeld Kokmeeuwen die ’s ochtens vanaf hun slaapplaatsen in onder meer industriezones terugvliegen naar grote waterpartijen elders in de stad.  Deze kabels kunnen worden voorzien van bakens, zoals wit of rood gekleurde bollen of zogenaamde vogelkrullen.


Schanskorven

Schanskorven gevuld met keien of grote keien onder bruggen zijn ook een voorbeeld hoe zoogdieren een schuilmogelijkheid kan worden gegeven op hun route.


Vleermuiskasten

Vleermuizen kunnen gebruik maken van vleermuiskasten om overdag als schuilplaats te gebruiken en te verblijven. In bosjes verspreid over de stad kunnen bijvoorbeeld houtbetonnen vleermuiskasten worden opgehangen. (Zie ook Verblijfsmogelijkheid)


 

3. Voortplanting 

 

Om zeker te zijn van hun voortbestaan, moeten dieren de mogelijkheid hebben of krijgen om zich voort te planten. Een aangepast ecologisch beheer verruimt de kansen voor de verschillende soorten om tot een succesvolle voortplanting te komen. Veel holenbroedende vogels hebben het moeilijk in de stad. Er staan weinig oude ingerotte bomen in de stad en ook geschikte holletjes in de gebouwen verdwijnen door natuurwerende nieuwbouw in snel tempo. Renovatie, sloop en nieuwbouw doen de aantallen van Gierzwaluw en Huismus verminderen. Vogels moeten wijken door te smalle spouwen en dichtgestopte kieren en het vervangen van klassieke dakpannen door asfaltleien. Verschillende maatregelen kunnen zorgen voor meer voortplanting en dus meer stadsnatuur.


Een aangepast ecologisch beheer

Recent ingeburgerde of inburgerende niet-inheemse planten dragen bij aan de nectarvoorziening voor insecten, maar normaliter niet aan de voortplanting, omdat er weinig inheemse insecten zijn die zich aangepast hebben aan uitheemse planten. Daarom kan bij voorkeur worden gekozen voor inheemse planten als men maatregelen wil nemen om de voortplantingsmogelijkheden van insecten te vergroten.

Sommige vlinders vliegen hooguit een paar weken in het jaar. Ze zijn echter wel ook de rest van het jaar aanwezig, maar dan als ei, pop of rups. Daarmee zijn ze extra gevoelig voor werkzaamheden zoals verwijderen van bladafval, snoeien, maaien, enz. Te frequent maaien of op een onaangepast moment, kan ervoor zorgen dat plaatselijk een vliegplaats van bijvoorbeeld het Zwartsprietdikkopje verdwijnt. Een ecologisch beheer toepassen is dus noodzakelijk.   

Veel graafbijen en –wespen graven een nestje in de grond, in zonnige stukjes in de tuin. Men kan ze helpen door een schraal stukje grond in de zon open te houden. Graafwespen zijn een bondgenoot tegen bladluizen, cicaden en bladkeverlarven. Ze graven rechte gangen in het merg van de plantenstengels en zetten daar hun kroost af.


Bijenhotel

Dat het met de bijen de laatste jaren niet goed gaat, is ondertussen al genoegzaam bekend. Om de bijencrisis terug te dringen, worden er steeds vaker bijenhotels in de tuin geplaatst. Een bijenhotel is een kunstmatige nestvoorziening voor solitaire bijen. Elk vrouwtje bij deze bijen bouwt een eigen nest, bevoorraadt zelf de broedcellen en legt één ei per broedcel. Verschillende bijen nestelen bovengronds, andere dan weer ondergronds. Solitaire bijen zijn niet gevaarlijk. Ze steken geen mensen. Door het plaatsen van een bijenhotel creëren we nestplaatsen voor de bovengronds nestelende soorten. Een bijenhotel is namelijk gebaseerd op de natuurlijke nestplaatsen van deze bijen. Voorbeelden hiervan zijn holle stengels van Riet of distels, oude boomstammen of palen en gaten en holtes in muren.

Een bijenhotel is eenvoudig zelf te maken van materialen als niet-bloedend hardhout, riet, bamboe, leem, klei en holle stengels van afgestorven planten. In houtblokken kunnen gaten geboord worden met een diameter van 2 tot 12 mm en een diepte van 3 tot 20 cm waarbij één zijde van het gat afgesloten moet zijn. De diertjes, Metselbijen, gebruiken de gangen in het hout en de holle stengels voor het maken van de nestkamers voor de larven. Metselbijen bijvoorbeeld zullen eitjes leggen in de gangen. De Gehoornde Metselbij zal één van de eerste gasten zijn. Ook een kast, een grote stapel stenen en boomstronken waarin kleine gaatjes (gangen) zijn geboord zijn ook heel geschikt. Ze vormen een veilig en warm onderkomen. Er bestaan kleine bijenhotels, maar ook enorme bijenhotels van drie bij vier meter behoren tot de mogelijkheden. Er moet voldoende zorg worden besteed aan de kwaliteit van het materiaal en de locatie. De gaatjes moeten zo worden uitgeboord dat ze gladde wanden hebben. Het hotel moet in de volle zon staan en er moeten voldoende bloemen in de omgeving (stuifmeel en nectar) aanwezig zijn. Ook bij elkaar gebonden bosjes riet met een lengte van 10 tot 15 cm of bundels van hol of mergbevattend snoeihout van Vlier, Braam, Vlinderstruik of Bamboe zijn geschikt als kunstnest. Al snel worden er parasitaire sluipwespen gezien die op zoek gaan naar bijeneitjes om daar hun eitjes op af te zetten.

Bijenhotels zijn een zegen voor de bijen, maar ze verbeteren ook de sociale cohesie, zijn educatief en vergroten het ecologisch bewustzijn van de mensen. Er worden ook kant-en-klare bijenhuizen op de markt gebracht die met voorziene uithollingen, zaden voor bloemen en in sommige gevallen zelfs levende bijen worden geleverd. Deze bijenhuizen kunnen worden opengeklapt zodat er 2 bakken ontstaan, die met aarde dienen te worden gevuld, waarin de bloemen worden gezaaid. Het geheel moet op een zonnige plaats worden gezet en af en toe water worden gegeven en de natuur doet de rest.  


Urban beekeeping – Kasten voor de Honingbij

Summier samengevat houdt de imkerij in dat men door het plaatsen van bijenkasten de bijen een kolonie laat stichten. Regelmatig wordt de door de bijen geproduceerde honing weggehaald. Bijen hebben het moeilijk, want er is vaak niet voldoende nectar en stuifmeel beschikbaar. Ook plaatsen waar de kolonie kan overwinteren zoals holle of dode bomen (niet te nat of te koud) zijn schaars. Wanneer de koningin uit haar winterslaap komt, heeft ze behoefte aan voedsel en energie om een nieuwe kolonie te kunnen stichten. Vroegbloeiende bomen (wilgen) en planten helpen de Honingbij hierbij een handje. Daarom is het belangrijk dat er in de stad ook in het vroege voorjaar voldoende voedsel voor Honingbijen te vinden is.

In Europa en de VS hebben de verontrustende berichten over de bijensterfte er toe geleid dat meer jonge mensen zich met bijenhouden zijn gaan bezighouden. “Urban beekeeping”, het bijen houden in tuintjes en op dakterrassen in de stad, is een hippe trend geworden. De hobby vergt veel tijd en aandacht zodat veel jonge imkers weer afhaken, omdat ze niet zomaar een paar weken op vakantie kunnen. In de stad worden ook vaak natuur- en milieucentra opgericht met een stadsboerderij, verschillende bijenkasten, een educatieve tuin, een les- en expositieruimte en een tuin waar bijen hun nectar kunnen halen.


Amfibieënpoelen

Amfibieën hebben poelen nodig om zich voort te planten. De eieren van verschillende amfibieën zijn afhankelijk van ondiep, snel opwarmend water. Dit bevordert de ontwikkeling van de eieren. Een poel, zelfs van enkele vierkante meters groot, wordt snel gebruikt door kikkers of padden. We kunnen ze vanzelf de poel laten inpalmen. Het is beter als zich in de poelen geen vissen bevinden. Vissen woelen de bodem om , eten waterplanten en amfibieënlarven op en doen het aantal kleine waterdiertjes sterk dalen, waardoor het gehele ecologische evenwicht keert in het voordeel van de algen.

De Bruine Kikker overwintert in een vijver of poel, in de modderlaag op de bodem. Hij ademt via de huid. Wanneer de vijver met ijs en sneeuw is bedekt, kan er geen daglicht meer doordringen en produceren waterplanten onvoldoende zuurstof. De vorming van moerasgassen tijdens de afbraak van dode bladeren gaat wel door. Als er te veel gas en te weinig zuurstof in het water zit, dan lopen de overwinterende kikkers gevaar en kunnen ze stikken. Door reeds in de herfst de sliblaag op de bodem (grotendeels) te verwijderen, kan dit worden vermeden.


Broedhopen voor de Ringslang

In de stadsranden kunnen broedhopen voor Ringslangen worden aangelegd. In deze hopen kan de slang haar eieren leggen. Door de warmte die ontstaat in de hoop worden de eieren uitgebroed.

De broedhopen kunnen bestaan uit takafval, riet en ruige mest.


Dakpannen voor de Gierzwaluw

Er bestaan speciale Gierzwaluw-dakpannen die men op een dak met voldoende hellingsgraad (45 °) en gericht in noordelijke of oostelijke richting kan plaatsen. In de omgeving is er wel een vrije aanvliegroute vereist.  


Neststenen voor de Gierzwaluw

Bij gebouwen van minstens 2 verdiepingen hoog met een bakstenen gevel die gericht is op het noorden of het oosten kan men neststenen voor Gierzwaluwen laten inbouwen. In de dichte omgeving van de gevel mogen geen bomen of andere obstakels voor de vrije aanvliegroute staan.


Nestkasten voor de Gierzwaluw

De Gierzwaluw nestelt graag in kieren in daklijsten of onder dakpannen. Hierdoor is de vogel afhankelijk van de welwillendheid van de stedenbouwers. Scheve dakpannen worden recht gelegd en gaten en spleten worden gedicht. De moderne bouwtechniek is zwaluwonvriendelijk. Daarom worden er speciale nestkasten, inbouw-neststenen en nestdakpannen geplaatst door bewoners of vrijwilligers om deze vogels een handje te helpen. Gierzwaluwen eten geen isolatie en maken geen gaten. Ze houden hun nest heel proper. Wanneer de bestaande broedplaatsen door Spreeuwen of Huismussen zijn ingenomen, zal het mannetje Gierzwaluw deze desnoods met geweld uit de nestplaats drijven. Het ophangen van nestkasten kan er daadwerkelijk voor zorgen dat het aantal broedende Gierzwaluwen toeneemt.

Een nestkast voor de Gierzwaluw kan zelf worden gemaakt, maar nog beter is het om een kant-en-klare variant te kopen bij een vereniging die zich inzet voor de natuur. Op die manier steunt men ook nog die vereniging. De nestkast is een houten of betonnen box met een laag geplaatst gat. De kast kan op gevels of onder dakranden worden geplaatst. Jonge Gierzwaluw doen er soms enkele seizoenen over vooraleer ze een partner hebben gevonden. Het kan dus enkele jaren duren voordat de Gierzwaluwen gebruik gaan maken van de kasten, maar als er eenmaal een paartje gebruik maakt van een kast, zullen deze vogels in principe elk jaar de kast gaan bezetten. Om de vogels aan te trekken, kunnen geluiden van Gierzwaluwen worden afgespeeld nabij de kasten met geluidsboxen. In de nestkasten gaan zich vooral jonge vogels installeren. De oudere vogels verkiezen vroegere broedplaatsen. Ook speciale inbouw-neststenen en dakpannen kunnen Gierzwaluwen aantrekken.

Natuurlijk is het nóg beter om de bestaande broedplaatsen intact te houden. Oude, statige panden met oude daken kunnen tot 40 nesten van de Gierzwaluw bevatten. Bij renovatie is het dan ook belangrijk om na de broedperiode de nesten voorzichtig weg te halen, in dozen te bewaren en het daaropvolgende jaar terug te plaatsen. Naast Gierzwaluwen kunnen ook andere dieren zoals mussen, vleermuizen of overwinterende vlinders gebruik maken van de nestkasten.


Kunstnesten voor de Huiszwaluw

Eén van de redenen voor de drastische afname van de populaties van de Huiszwaluw is het verdwijnen van geschikte nestgelegenheden. Kunstnesten ophangen kan hen een flink deel helpen. Dit kan als het dak (hellend of plat) een overstekende daklijst heeft van minimaal 30 cm. In de omgeving moet er wel water aanwezig zijn. Ook onder bruggen met een vrije hoogte boven het wateroppervlak van minimaal 400 cm kan men deze kunstnesten aanbrengen.


Kunstnesten voor de Boerenzwaluw

Voor Boerenzwaluwen kunnen er kunstnesten worden opgehangen in koestallen van bijvoorbeeld stadsboerderijen of onder bruggen wanneer de brug minimaal 60 cm boven het wateroppervlak komt.


Vogelvide voor de Huismus

Huismussen zijn groepsdieren die losse kolonies vormen. Groepen vanaf 25 paar zijn levensvatbaar. Kleinere groepen kunnen worden aangevuld met jonge, zwervende dieren, maar lopen door de kleine aantallen het gevaar op termijn te verdwijnen. Het verdwijnen van nestgelegenheden onder dakpannen is niet de enige, maar wel een van de vele oorzaken van de achteruitgang van de Huismus. Een vogelvide - een soort mussenflat voor verschillende koppels Huismussen onder de eerste rij dakpannen - kan worden geplaatst bij gebouwen die voorzien zijn van een hellend dak met dakpannen. Deze zou moeten worden toegepast in nieuwe en bestaande huizen, waar vogelwerende voorzieningen zijn aangebracht. Ook een afzonderlijke combikast of groepsnestkast met meerdere ruimten kan worden geplaatst.


Dakpannen voor de Huismus

Als er geen vogelvide kan worden geplaatst en het gebouw beschikt wel over een hellend dak, dan kan men speciale dakpannen voor Huismus plaatsen. In de directe omgeving is er wel voldoende struikgewas of een begroeide gevel vereist.


Nestkasten voor de Huismus

De houten mussenappartementen worden weinig aanvaard door deze vogels. Nieuwe protypes nestkastmodellen worden daarom getest op hun geschiktheid. Naast broedruimte houden mussen ook van een rustplatform waar ze kunnen zonnen, liefst op een veilige, hoge plaats in de nabijheid van het nest. Daarom werden er prototypes ontwikkeld waarbij een rustplatform werd ingebouwd zodat de nestkast uit 2 delen bestaat, namelijk een broedgedeelte en een rustplatform-gedeelte. In de hulpgevangenis in hartje Leuven broedt een mussenkolonie. Nestkasten voor Huismussen worden best op een hoogte van 6 tot 8 meter opgehangen.


Neststenen voor de Huismus

De arduinen stellinggaten uit gesloopte gebouwen kunnen worden gerecupereerd en gebruikt als inbouwneststenen voor Huismussen.


Nestkasten voor Slechtvalk

Wanneer een gebouw minstens 30 m hoog is en voorzien is van voldoende zitplaatsen voor vogels (vensterbanken, leidingen of schoorstenen) en de omgeving is een vogelrijk en bij voorkeur open gebied (bijvoorbeeld open water) dan kan men een nestkast voor de Slechtvalk plaatsen; deze kast is een zware houten kast van 70 X 70 X 50 cm met een isolerende bodem.


Nestwanden voor Oeverzwaluwen

Er kunnen nestwanden voor Oeverzwaluwen worden ingericht.


Nestpalen voor Ooievaars

Op niet meer gebruikte schoorstenen kunnen ronde platforms worden gebouwd waar Ooievaars hun nest kunnen bouwen. Er kunnen ook palen worden geplaatst met een ooievaarswiel.


Sternenvlotjes voor Visdief

In het binnenland kan er voor Visdieven meer nestgelegenheid worden geboden door het plaatsen van nestvlotjes. De ervaring leert dat de vogels er dankbaar gebruik van maken. In het midden van een vijver. Beschermd tegen grondpredatoren. Op opgespoten zandvlaktes kan er een belangrijke predatie ten aanzien van broedgevallen van Visdief optreden door zoogdieren zoals de Vos. Sternenvlotjes hebben een eductaieve waarde voor bezoekers van de gebieden. Sternenvlotjes zijn effeiciënt, goedkoop en gemakkelijk te plaatsen. Sternenvlotjes bieden een broedplaats die de Visdiefjes er van nature niet aantreffen en ze zijn veilig tegen predatie.

Een nestvlotje kan bestaan uit een bodemplaat van 1 vierkante meter van aluminium bekleed met een antisliplaag. Rondom de bodemplat wordt een houten raamwerk gemonteerd met daarboven een metalen raster. Dit raster zorgt ervoor dat de Visdiefjes op het vlotje blijven tot ze vliegvaardig zijn. Na de plaatsing wordt een schelpenlaag aangebracht. Diagonaal tegenover elkaar worden in de hoeken van de bodemplaat 2 korte rechthoekige PVC-buizen gemonteerd als schuilplaats voor de jongen. Onderaan het vlotje zorgen 3 afgesloten PVC-buizen voor een maximaal drijfvermogen. Het nestvlotje wordt door middel van een polyestertouw verankerd aan een zware steen, om te verhinderen dat het afdrijft. Na het broedseizoen wordt het nestvlotje best fverwijdeerd, om te vermijden dat Aalscholvers de vlotjes gebruiken als rustplaats en door hun uitwerpselen het vlotje beschadigen. Het polyestertouw kan ook door ijsvorming worden beschadigd. Info-borden kunnen de bezoekers voorzien van de nodige informatie over deze vlotjes.


Sterneneilanden voor Visdief

Een sterneneiland met een dikke laag kiezel en worteldoeken biedt waar beschikbaar een groter potentieel dan sternenvlotjes en oogt natuurlijker.


Nestkasten voor vogels

De ingang van de nestkast hangt best niet op een tochtige plaats en ook niet in de volle zon. De opening is het best naar het noorden of noordoosten gericht. Met een kleine struik in een pot, een voederplaats en nestkastjes lok je vogels, ook al woon je op 10 hoog. De hoeveelheid vogels op je balkon, hangt vooral af van de rust die er heerst. De meest succesvolle nestkasten in de bebouwde omgeving zijn deze voor de Koolmees en de Pimpelmees.

In grotere tuinen zoals rijk begroeide binnentuinen met volwassen bomen, lukt het soms ook om soorten als Boomklever, Gekraagde Roodstaart of Bonte Vliegenvanger tot broeden te krijgen. Onder bruggen die voldoende hoog boven het water komen (150 cm), kan men ook nestkasten plaatsen voor de Grote Gele Kwikstaart. Er bestaan aangepaste kasten voor deze vogels.


Halfopen neststenen voor vogels

In gebouwen met in de nabije omgeving open grond, zoals een gazon of een parkeerplaats kan men halfopen neststenen plaatsen.


Geveltuinen voor vogels

Wanneer men geen neststenen kan plaatsen of als dit niet wenselijk is, kan men een gevel die voor een deel uit blinde muren bestaat, omvormen tot een geveltuin. Vooral klimplanten zoals Klimop zorgen voor nestgelegenheid.


Nestkasten voor Eikelmuis

In grote stadsparken met fruitboomgaarden, stadsbosranden met Braamstruwelen, grotere tuinen, hoogstamboomgaarden, vruchtenrijke struwelen, brede houtkanten en kasteelparken kan men speciale Eikelmuisnestkasten plaatsen. De praktijk wees reeds uit dat deze nestkast vaak wordt “gekraakt” door Eekhoorn, Bosmuis, Koolmees of insecten (hommels, wespen).


Nestgelegenheid voor vleermuizen

In gebouwen met spouwmuren zonder spouwmuurvulling waarbij de ruimte van de spouw minimaal 2 cm breed is kan er nestgelegenheid voor vleermuizen worden gecreëerd. De aanwezigheid van bomen in de onmiddellijke omgeving vergroot de kans op ingebruikname door vleermuizen.  

 


4. Verblijfsmogelijkheid

 

Insecten hebben het steeds lastiger in onze tuinen, door de “strak en steriel”-trend. Insecten zijn nuttig voor de bestuiving van bloemen, voor het onder controle houden van bladluizen en andere ongewenste diertjes. Door de vele bestrijdingsmiddelen en monocultuur in de landbouw verdwijnen er steeds meer soorten insecten. Lieveheersbeestjes en Gaasvliegen voeden zich bijvoorbeeld met bladluizen. Vooral in parken en tuinen kan men zorgen voor verblijfsmogelijkheid voor deze insecten. Maar ook voor andere dieren zoals bijvoorbeeld vissen of kleine zoogdieren zoals Egels en vleermuizen kan men zorgen voor een verblijf.

 

Insectenverblijf

Insecten zullen dankbaar gebruikmaken van een insectenverblijf om te overnachten of te overwinteren. Afgevallen bladeren worden door tal van insecten benut om te overwinteren. Het laten liggen van een hoop bladeren in de tuinen en plantsoenen zorgt dus voor een prima verblijfmogelijkheid.

De meeste vlinders overleven de winter als eitje, rups of pop. Ze zoeken beschutting in het gras, tussen de beplanting of onder afgevallen bladeren. De eitjes, rupsen en poppen moeten ook de winter overleven. Er moeten dus in het najaar voldoende planten overblijven. Grote onderhoudsbeurten in voor- en najaar zijn niet nodig. De ontwikkeling gaat immers verder in het voorjaar. Men kan beter lichtjes bijsturen, zoals hier en daar wat planten uittrekken die zich te sterk uitbreiden of soorten bijplanten voor meer variatie.  

Sommige vlinders overwinteren als volwassen exemplaar, zoals Kleine Vos, Dagpauwoog, Gehakkelde Aurelia, Citroenvlinder en Roesje. Andere vlinders trekken naar het warmere zuiden, zoals de Atalanta. Maar door de klimaatverandering overwinteren er bij ons ook meer en meer Atalanta’s. De vlinders gaan in rust en slaan eerst veel voedsel op. Daarom zijn najaarsbloeiers van groot belang voor deze vlinders. Een beschutte overkapping of een schuurtje is een prima overwinteringsplaats voor volwassen vlinders.

Ook veel andere soorten insecten zoals wespen en lieveheersbeestjes zoeken huizen, schuren, stallen en kelders op om te overwinteren. Lieveheersbeestjes overwinteren vaak tussen loszittend schors en dood hout. Aan het einde van de zomer kan een kastje in de tuin worden opgehangen waarin ze kunnen overwinteren.


Vlinderkasten

Om vlinders die overwinteren als vlinder (zie hierboven) te helpen om heelhuids de winter door te komen, kan men speciaal voor deze dieren vlinderkasten ophangen. Deze houten kasten lijken sterk op vogelhuisjes en bieden beschutting tegen het winterse weer. In plaats van 1 ronde opening, heeft een vlinderkast verschillende spleten waardoor vlinders naar binnen kunnen.


Oorwormhuis

Oorwormen voeden zich met bladluizen, mijten, larven en eieren van insecten. Ze houden plagen van bladluizen onder controle. Ze zijn ’s nachts actief en slapen overdag. Een omgekeerde bloempot met een pluk hooi erin kan aan een tak of in een struik worden opgehangen als een Oorworm-huis.


Viskuilen

Onder water kunnen viskuilen worden gegraven. Dit is een diepe plek waar vissen kunnen overwinteren zonder de kans te lopen om te bevriezen.


Egelhuizen

Het stedelijke groen is, mits onderling verbonden, essentieel voor Egels. Een Egelvriendelijke tuin, met bijvoorbeeld speciaal uitgezet voedsel, takkenhopen, stapels dood hout en voldoende struikgewas gaat samen met hogere aantallen Egels. Ook composthopen worden door Egels gebruikt om te verblijven.

We kunnen een Egelhuis voor hen maken door een kistje met droog gras, omgekeerd onder een struik te plaatsen, liefst in de schaduw want Egels kunnen niet zo goed tegen de warmte. Er bestaan Egelhuizen in allerlei verschillende vormen en maten. Ze kunnen worden aangekocht of zelf worden gemaakt. Ze zijn voorzien van een smalle ingang, een slaapvertrek, eventueel een eetvertrek, bladeren of stro als bodembedekking en een ventilatieschacht.


Verblijfplaatsen voor vleermuizen

Vleermuizen zijn langlevende dieren met een trage voortplantingssnelheid (de meeste soorten krijgen slechts 1 jong per jaar), die daarenboven hoge en gevarieerde eisen stellen aan hun leefgebied. Ze hebben niet alleen een voortplantingsbiotoop nodig, vaak holle bomen of gebouwen, maar zijn ook afhankelijk van geschikte foerageergebieden en vooral van geschikte overwinteringslocaties. Bij vleermuizen verschillen deze locaties nogal. Ze maken gebruik van een complex netwerk van zomer- en winterverblijfplaatsen, paarplaatsen, voedselgebieden en verbindingsroutes tussen al deze plaatsen. Men zorgt dus best dat al deze elementen in de stad aanwezig zijn en als ze aanwezig zijn, dan moeten ze uiteraard in stand worden gehouden.  

De verblijfplaatsen zijn de plekken war de vleermuizen overdag verblijven. Er zijn verschillende typen die elk maar een deel van het jaar in gebruik zijn. De kraamverblijven zijn de plekken waar (meestal groepen) vrouwtjes de jongen ter wereld brengen en grootbrengen. In deze periode zitten de mannetjes solitair in zomerverblijven. In het najaar wordt gebaltst. In de winter worden de winterverblijven gebruikt. In bosjes verspreid over de stad kunnen houtbetonnen vleermuiskasten worden opgehangen.


Overwinteringsplaatsen voor vleermuizen

In de winter verblijven vleermuizen het liefst in grotten, kelders, holle bomen en huizen. In de zomer in gebouwen en holtes in bomen. Vleermuizen kunnen zich moeilijk nestelen of verschuilen in moderne gebouwen. Vleermuizen roesten (slapen) graag onder daken. Sommige vleermuizen maken gebruik van spouwmuren. Ze leven van de insecten die op de straatverlichting afkomen. Door bepaalde zones te beschermen, holle bomen te laten staan in bosjes en stadsparen en door publieke of private gebouwen speciaal in te richten, kan hun aanwezigheid worden aangemoedigd. Door renovaties, isolatie of sloop verdwijnen veel plekken waar gebouwbewonende vleermuizen zoals de Dwergvleermuis kunnen verblijven, niet zozeer om zich voort te planten, maar om te overwinteren. Gebouwbewonende vleermuizen hebben kieren in gebouwen nodig om hun verblijfsplekken te bereiken. De bestaande kiertjes worden dus best met rust gelaten.  

In een stad is het niet ongebruikelijk dat er zo’n 15 % van de gebouwen door vleermuizen worden gebruikt. Men stelt regelmatig in sommige gebouwen vast dat er wel honderden exemplaren overwinteren. Vooral groene en waterrijke wijken in de steden zijn het aantrekkelijkst voor vleermuizen. Een smalle spleet tussen deur en deurpost biedt genoeg ruimte om zich in te kunnen verschuilen. Vleermuizen beschadigen geen daken: ze houden zich doorgaans op tussen de pannen en het onderdak, maar bouwen geen nesten in de isolatie. Het gebeurt in zeldzame gevallen dat er wat geluidshinder zou optreden of uitwerpselen zich ophopen. Poelen, vrije hagen, holle bomen of boomgaarden in de omgeving zijn ook gunstig voor vleermuizen.

Vleermuizen zijn erg gevoelig voor verstoring. Indien een zolder bijvoorbeeld regelmatig bezocht wordt en verlicht, zullen de vleermuizen deze zolder niet meer geschikt vinden en hem verlaten voor een rustigere plaats. Vooral in de kraamperiode zijn kolonies gevoelig voor verstoring. In sommige gevallen laten de vrouwtjes bij verstoring tijdens de kraamperiode hun jongen achter om rustigere verblijfplaatsen op te zoeken. Indien de jongen nog niet kunnen vliegen, leidt dit tot de sterfte van al deze jongen. Het vleermuisvriendelijk inrichten van kerkzolders is gunstig, maar men moet er voor zorgen dat de werken zelf de dieren niet verstoren.

Oude bunkers kunnen geschikt worden gemaakt voor vleermuizen door ze af te sluiten, er een betonnen vloertje in de storten en alle openingen te dichten, behalve de invliegopeningen. Zo blijft de luchtvochtigheid in de ruimte hoog en is de temperatuur in de winter constant en boven nul. Door tegen het plafond tegels te metselen, worden kieren gecreëerd waar de vleermuizen tussen kunnen kruipen. Kelders kunnen speciaal voor vleermuizen worden geïsoleerd zodat het er koel blijft. De raampjes worden open gelaten zodat de dieren kunnen in- en uitvliegen. Oude ijskelders in bijvoorbeeld kasteeldomeinen kunnen worden omgevormd tot verblijfplaatsen voor vleermuizen, met de juiste klimaatomstandigheden.


Vleermuiskasten

De moderne bouwstijlen laten weinig ruimte voor vleermuizen. In de steden is ook het aanbod van geschikte bomen voor boombewonende vleermuizen eerder beperkt. De vleermuizen zullen dankbaar gebruik maken van geplaatste vleermuiskasten als alternatief voor geschikte (holle) bomen. Relatief jonge bomen kunnen op die manier namelijk toch van “holtes” worden voorzien.

Vleermuiskasten zijn platte, houten kasten die aan bomen of muren bevestigd kunnen worden en een opening hebben aan de onderkant. Het kan enige tijd duren voordat de vleermuizen er daadwerkelijk gebruik van maken. Bij een veroudering van de bomen zal de functie van de kasten wellicht opnieuw overgenomen worden door de natuurlijke holtes.  

 


5. Verbindingen

Compacte steden zijn nu eenmaal, al is het maar omwille van het energieverbruik, veel efficiënter dan uitgestrekte steden. Het ideale stadsmodel is een compacte stad met groene of groen-blauwe vingers die tot diep in de stad dringen en met elkaar verbonden zijn. In de ene stad zal deze structuur al gemakkelijker uit te bouwen zijn dan in een andere, omwille van onder meer de historische context en de aanwezigheid van waterelementen. Maar in elke stad bestaan er mogelijkheden die ten volle moeten worden benut om zoveel mogelijk natuurlijke verbindingen, zowel tussen de buitengebieden en de binnenstad als tussen de verschillende groene elementen in de stad, te creëren. De natuurlijke structuren van de buitengebieden hoeven niet abrupt te stoppen aan de grenzen van de stad. Waterlopen, restanten van oude bossen, valleigraslanden aan de stadsrand, landgoederen of kasteeldomeinen mogen zich gerust vermengen tussen het stedelijke weefsel door middel van groene, blauwe of groen-blauwe netwerken. Het uitgebreide wegennetwerk zorgt voor de mens voor gemakkelijke manieren om zich te verplaatsen; voor de verschillende diersoorten die zich over land het land verplaatsen zijn het evenwel moeilijk te nemen hindernissen. In het water vormen sluizen en stuwen ervoor dat vissen niet op een natuurlijke manier kunnen migreren van de ene plaats naar de andere. Verschillende maatregelen kunnen de verschillende soorten helpen deze moeilijkheden alsnog te overbruggen.

 

Groene, blauwe en groen-blauwe verbindingen

Door de inherente bebouwing en verharding kunnen steden makkelijk ondoordringbare barrières voor allerlei soorten vormen waardoor populaties van elkaar gescheiden worden of zelfs verdwijnen omdat ze te veel geïsoleerd geraken. De verschillende leefgebieden moeten daarom niet alleen voldoende groot zijn, maar ook zoveel mogelijk met elkaar worden verbonden. Het natuurlijk groen speelt dan een belangrijke rol ten behoeve van de dispersie van planten en dieren in en rond de stad.

Door de stadsontwikkelingen zijn verschillende groene gebieden die eens aaneengesloten waren doorsneden en verkleind. Het leefgebied van veel plant- en diersoorten is hierdoor versnipperd of geïsoleerd geraakt. Hun leefgebied verkleint hierdoor en valt uiteen in kleinere gescheiden deelgebiedjes. Binnen deze gebieden kunnen er minder individuen van een soort voorkomen. Als de populatie te klein wordt en afgesneden blijft van geschikte gebieden wordt deze zeer vatbaar voor verdwijnen door een plotselinge verandering en ook voor inteelt, hetgeen de populatie kwetsbaarder maakt voor bijvoorbeeld ziekten. Natuurlijke verbindingen (groene lobben, groene vingers of groene haarvaten) kunnen de problemen van versnippering of isolatie voorkomen. De aanwezige planten- en dierpopulaties kunnen dankzij die verbindingen ook beter omgaan met milieustress.

Terreinen met natuurlijk groen vormen het leef- en voortplantingsgebied van tal van soorten, zoals insecten en spinnen. Die soorten zijn van cruciaal belang voor de bestuiving van planten en de natuurlijke bestrijding van ziekten en plagen, niet alleen in nutstuinen, stadsboerderijen en boomgaarden, maar ook in private tuinen en publieke groene plekken zoals stadsparken, perken en plantsoenen. Een gebied functioneert ecologisch goed indien er een grote biodiversiteit aanwezig is waaronder zich vertegenwoordigers bevinden van bijzondere soorten en waarvan er voldoende exemplaren voorkomen om een levensvatbare populatie te vormen en een zekere milieudynamiek te genereren en op te vangen. Een stad kan die voorwaarden toetsen bij de aanwezige soorten en zich hierop afstemmen. Bijzondere soorten zijn soorten die zeer kritisch zijn ten aanzien van hun leefomgeving of om andere redenen niet algemeen voorkomen, soorten waarvan de duurzame instandhouding wordt bedreigd en/of soorten die een sleutelpositie innemen in een ecosysteem door bijvoorbeeld een onmisbare plaats in de voedselketen.

In bepaalde gevallen kan het voorkomen dat soorten niet in een gebied voorkomen, terwijl het gebied daarvoor wel geschikt is. We denken aan Slechtvalken. Door het plaatsen van nestkasten op hoge gebouwen of torens kan men deze vogels nestgelegenheid verschaffen. Er kunnen ook op een bepaalde plaats nog restpopulaties van een bijzondere soort voorkomen, terwijl de terreincondities al lang niet meer voldoen of op terreinen die bedreigd worden door bijvoorbeeld bouwwerken (tijdelijke natuur). Dan kan men nagaan of men deze populaties kan herlokaliseren op een andere voor de soort geschikte locatie in de stad. Het al dan niet voorkomen van een soort is dus niet altijd representatief voor het ecologisch functioneren van het gebied. Het belang van verbindingszones of –corridors en stapstenen kan niet genoeg worden onderstreept; de verschillende groene entiteiten in de stad mogen niet als eilanden worden beschouwd. Natuurverbindingen kunnen bestaan uit een snoer van stapstenen (stepping stones) met voldoende voedsel, schuil- of nestplaatsen die met elkaar verbonden zijn door elementen zoals bijvoorbeeld sloten, bermen en houtkanten.

Ook wanneer we de natuur in de buitengebieden in ogenschouw nemen, vervult de stadsnatuur een belangrijke rol. De typische stedelijke abiotische kenmerken vormen voor veel niet-stedelijke soorten een ongeschikte leefomgeving en/of een barrière voor migratie. De loutere aanwezigheid van de stad zelf leidt hierdoor tot versnippering en een verkleining van het leefgebied van de soorten van de buitengebieden. Deze impact kan gevoelig worden verzacht door groengebieden in te richten en te beheren zowel in als rond de stad zodat de stedelijke kenmerken worden afgezwakt en de stad als een doorgangsgebied kan fungeren of gewoon kan worden geïntegreerd in het leefgebied van de soorten van de buitengebieden. Precies ook daarom kan een ecologische landbouw in de stad én in de landbouwgebieden rond de stad zowel de stadsnatuur als de recreatie omheen de stad ten goede komen. Voor een aantal soorten kan de stad uiteindelijk zelfs als een toevluchtsoord worden benut. Denken we maar aan de vele refugiumstadsplanten.  

Brongebieden zijn gebieden van waaruit de aanvoer en de migratie van planten en dieren kan plaatsvinden. De buitengebieden, het geheel van natuur- en landbouwgebieden die de stad omringen, kunnen als brongebied fungeren. De stad kan zelf ook als brongebied worden beschouwd van waaruit de stedelijke en cultuurvolgende soorten zich kunnen verspreiden naar de bebouwde kernen in het omringende landschap. We denken hier bijvoorbeeld aan Gierzwaluw, Huismus of Muurvaren.

Geïsoleerde leefgebiedjes staan onder permanente druk van de omliggende stad. Het is belangrijk om zoveel mogelijk de groene ruimtes in de stad te verbinden en een aaneenschakeling te krijgen van parken en waterlopen. Parken moeten zoveel mogelijk met elkaar worden verbonden via bermen, groenzones en waterlopen met hun oeverzones. Dit zijn vaak belangrijke corridors waarlangs dieren en ook planten zich kunnen verspreiden doorheen de stad.

We stellen vast dat bijen en hommels het bijzonder goed doen in de stad. Veel soorten zijn tot diep in de binnensteden te vinden. Bijen die verschillende planten als voedselbron (nectar en stuifmeel) gebruiken zijn zeer flexibel en goed aangepast aan het stadsleven. De bijen die gespecialiseerd zijn op slechts enkele plantensoorten komen in kleinere aantallen voor omdat de soortspecifieke gastheerplanten ontbreken. Plaatsen als tuinen, parken en begraafplaatsen in de stad fungeren als toevluchtsoorden voor bodemnestende soorten. Holtenesters gebruiken muren en holtes in gebouwen voor hun nestbouw. De parasitair levende koekoeksbijen zullen niet voorkomen in de stad als de gastheerbijen niet in de stad voorkomen. Voor onze bijen moeten er zo veel mogelijk bij-vriendelijke ruimtes worden gecreëerd. Dit omvat de aanleg van bloemenweiden waar specifieke gastheerplanten aangeboden worden, bijenhotels voor de holte-nestende soorten en stukken braakliggende grond voor de bodemnestende soorten. Maar nog het belangrijkst is dat deze zones onderling met elkaar verbonden zijn.

Een groen netwerk beoogt het creëren van een continuïteit van groene ruimten over het hele grondgebied en een ecologisch beheer ervan. Groene netwerken doorheen de stad zijn belangrijk. Planten en dieren moeten zich door de hele stad kunnen verplaatsen. Een blauw netwerk bestaat uit een opwaardering van de oppervlaktewateren en een verbetering van de waterkwaliteit. Het is belangrijk voor de natuur in de stad dat er vanuit de buitengebieden “groene vingers” vanuit het vele groen in de omgeving de stad inreiken (“Green Finger Concept”). Deze vingers kunnen vaak gewoon de waterwegen volgen die langs en doorheen de stad lopen. Deze groen-blauwe netwerken zijn ideaal want hiermee worden zowel de voordelen van het stedelijk groen verenigd met deze van de water-biotoop. Een groen-blauwe infrastructuur die het buitengebied met de stad verbindt is voor alle aspecten van de groen-blauwe stedenbouw voordelig: voor de ecologische netwerken en dus voor de biodiversiteit, voor de waterbuffering, voor het stadsklimaat én dus ook voor de bewoners.

In deze groen-blauwe netwerken kunnen ook functies zoals nutstuinen, private tuinen, stadsboerderijen, en recreatieterreinen opgenomen worden. Rondwandelingen kunnen worden gemaakt door het aaneenrijgen van groene pleinen, parkjes, plantsoenen en groene oevers langs wateren tot groene routes. Men kan dit ook langs spoortaluds en parkingstroken. Dergelijk netwerk kan ook gekoppeld worden aan een recreatief netwerk van veilige fiets- en wandelpaden in een groene omgeving. Op die manier versterkt de natuurbeleving in de stad en kan men zich als zachte weggebruiker vlot, veilig en op een aangename manier van de ene kant naar de andere kant van de stad verplaatsen via deze groene verbindingen. In de stad moet het groen een netwerk vormen dat ook verbonden is met het groen van de buitengebieden. Want de stad blijft altijd de stad en de stadsbewoners zoeken graag de stadsranden en de buitengebieden op. Het groene netwerk, het blauwe netwerk, het mobiliteitsnetwerk en het economische netwerk in de stad kunnen perfect op elkaar worden afgestemd en op elkaar inwerken. Zeker in de stad mag het ene netwerk het andere niet uitsluiten. Het stadsgroen moet rimpelloos overgaan in de natuur-, landbouw- of recreatiegebieden rond de stad. Bewoners hebben op die manier een groene loper waarlangs ze zo het buitengebied in kunnen om bijvoorbeeld te wandelen, te joggen of te fietsen.

Wandelwegen kunnen perfect loodrecht op de vegetatiegrenzen staan in plaats van er evenwijdig mee lopen. Het verbinden van al deze stadsbiotopen met elkaar, en met de buitengebieden, geeft veel soorten de kans hun leefgebied uit te breiden. Binnentuinen kunnen open gemaakt worden. De overgang van privétuinen naar het publieke groen zorgt voor veilige verbindingsroutes voor planten, dieren en mensen. Juist door overgangen en structuurverschillen voelen veel soorten zich thuis. Bij nieuwbouwwijken wordt best telkens onderzocht welke mogelijkheden er zijn om voor nieuwe natuur te zorgen: kleine parkjes, plassen die met elkaar in verbinding staan. Bij de aanleg van fiets- en wandelpaden kan men er voor zorgen dat deze afgezoomd worden met groen. Op deze manier kunnen soorten van buiten de stad de stad binnenkomen om zich daar te vestigen en zo blijft de biodiversiteit in de stad hoog. Zeker 50 procent van alle flora en fauna heeft potenties om in de steden te overleven, als daartoe maar de kans wordt geboden. Het met elkaar verbinden van groengebieden tot een groen web zorgt ervoor dat dieren maar ook planten zich gemakkelijker kunnen verspreiden en verplaatsen.

In verschillende steden wordt op een ernstige manier werk gemaakt van het creëren van dergelijke verbindingen. In Gent zijn er in totaal 8 groenassen. Dit zijn lange, smalle parken voorzien van een wandel- en een fietspad die de schakel vormen tussen de stadskern en meer landelijke groene gebieden buiten het centrum. Via deze groene assen liften de stadsbewoners de groene stadsrand in. De assen zorgen ook voor een ecologische verbinding tussen de verschillende parken. Dat vergroot het leefgebied van tal van soorten aanzienlijk.

Het geheel van houtige landschapselementen zoals bomenrijen, hagen, knotbomenrijen, houtkanten en houtwallen (het ‘houtkantennetwerk’) vormt een netwerk van groene verbindingen in het open landschap. Dezelfde functie kunnen ze ook vervullen in het stedelijk gebied. Het zijn belangrijke leefgebieden en refugia voor tal van planten- en diersoorten. Ze kunnen dienen als corridor (soorten verplaatsen zich er langs of doorheen), als stapsteen (soorten overbruggen stapsgewijs een ongeschikt leefgebied) of als verbreidingskern (soorten vinden er een gunstig leefgebied, waar de populatie kan uitbreiden en zich over de omgeving kan verspreiden).


Vlinderbanen

De afgelopen decennia is de vlinderstand al sterk achteruit gegaan door het verlies aan leefgebied als gevolg van een veranderd landbouwkundig en ander grondgebruik. Bij een opwarming van het klimaat proberen vlinders hun areaal naar het noorden te verschuiven. Dat wordt bemoeilijkt doordat geschikt leefgebied daar niet aanwezig is. Hoewel vlinders kunnen vliegen, zullen veel soorten ongeschikt landschap zoals stedelijke gebied of intensief landbouwgebied niet kunnen passeren. De kan dat ze de vaak kleine, geschikte gebieden op kilometers afstand van hun huidige leefgebied zullen bereiken, is uitermate klein. Voor veel Europese vlinders betekent dit dat ze verdwijnen uit gebieden waar ze nu regelmatig worden gezien. Nu al is het verspreidingsgebied van meer dan 60 vlindersoorten noordwaarts opgeschoven. Onder deze soorten zijn de Kleine Vos en de Gehakkelde Aurelia. De vestiging van nieuwe soorten vanuit het zuiden zal beperkt zijn gezien het intensieve landgebruik hier. Zuidelijke soorten vlinders kunnen wel de zuidelijke plantensoorten in de stad ontmoeten en hier uiteraard hun voordeel mee doen.

Vlinderbanen zijn stroken met wilde planten, bij voorkeur planten met een grote ecologische relevantie, waarlangs vlinders zich kunnen verplaatsen. Door vlinderbanen aan te leggen, bijvoorbeeld in bredere wegbermen en langs fietspaden ontstaat leefgebied voor vlinders. Tegelijk zijn deze vlinderbanen ook voedselrijke plekken voor bijen. Deze banen zorgen voor betere verbindingen tussen vlinderrijke plekken.


Vistrappen

Vissen migreren, afhankelijk van de soort, over min of meer grote afstand op zoek naar geschikte voortplanting-, rust- en voedselplaatsen. Ook andere redenen kunnen aanzetten tot migratie: bescherming tegen predatie, vlucht voor verontreiniging, wisselend winter- en zomerverblijf, wisselende eisen aan het biotoop bij wisselende levensstadia en uitwisseling van genetisch materiaal tussen populaties. De meest opvallende migratie gebeurt in functie van de voortplanting.
Als gevolg van deze vaak onoverbrugbare kunstwerken valt het leefgebied van een vissoort uiteen in een aantal verschillende van elkaar gescheiden deelgebieden. Populaties van sommige vissoorten zijn zo klein geworden en versnipperd dat de afzonderlijke populaties door tijdelijke achteruitgang van het leefgebied zelfs kunnen verdwijnen. Op de meeste waterlopen wordt de bewegingsvrijheid van vissen immers bemoeilijkt door barrières in de waterlopen zoals stuwen, sluizen, molens, terugslagkleppen en dammen.

Vistrappen zijn door de mens aangelegde vispassages bestaande uit verschillende V-vormige constructies die over een aanzienlijke lengte trapsgewijze worden gelegd om vissen doorgang te kunnen verlenen bij kunstmatige barricades. Die bewegingsvrijheid heeft een vis nodig om bijvoorbeeld te kunnen trekken tussen zee en zoetwater of op de rivier zelf. Veel vissoorten leven als volwassen dier immers op andere plaatsen dan als jong exemplaar. Een vistrap helpt de vis een handje om deze waterbouwkundige constructies te overbruggen door het hoogteverschil dat hierdoor ontstaat op te splitsen in kleinere stappen.


Paddenoverzetacties

Padden en kikkers worden vooral in de vroege lente doodgereden als ze van hun winterverblijfplaats naar een poel of vijver trekken om er te paren. Bij paddenoverzetacties worden Gewone Padden (of andere amfibieën) via een geleidingssysteem op een aantal verzamelpunten opgevangen en dan door mensen gezamenlijk naar de overkant van een drukke weg gebracht zodat ze vandaar hun weg naar de poel of vijver kunnen verder zetten.


Herpetoducten

Herpetoducten zijn tunnels die worden ontworpen om reptielen onder drukke wegen een veilige “oversteekmogelijkheid” te bezorgen. Men zorgt voor een zogunstig mogelijk microklimaat in de tunnel en een optimale geleiding naar en door de tunnel. Men gebruikt best een zo open mogelijk tunneldak. Dergelijke tunnels worden gebruikt door Levendbarende Hagedis, Adder, Hazelworm en Gladde Slang. In de open tunneldelen wordt er door de reptielen gezond, gefoerageerd en geschuild in stobbenwallen.


Faunapassages

Er bestaan manieren om de verschillende leefgebieden in de stad met elkaar te verbinden. De toenemende verstedelijking brengt een dicht netwerk aan wegen met zich mee. In de stad moeten dieren (snel)wegen, waterwegen, bruggen en grote stenen woestijnen als pleinen oversteken, en toch redelijk beschut en ongezien van de ene naar de andere plek kunnen lopen. Op die wegen sneuvelen jaarlijks een groot aantal dieren.

Faunapassages (ook ecopassages genoemd) zijn mogelijkheden voor dieren om op een veilige manier de infrastructuur (wegen, snelwegen) te kunnen passeren die hun leefgebieden doorsnijdt. Het versnipperen van leefgebieden is namelijk een van de grootste bedreigingen van de biodiversiteit. Faunapassages kunnen bestaan uit tunnels onder de weg. Smalle loopplankjes die langs de kade onder een brug worden geplaatst zorgen ervoor dat dieren niet over de brug met al het verkeer hoeven te lopen. Ecoduikers zijn voorzien van een richel die de dieren kunnen gebruiken om langs het water de andere kant van een weg te bereiken. Dergelijke passages zijn goed voor verschillende dieren zoals amfibieën, marterachtigen , Vossen, Egels en muizen. Deze faunapassages onder of over wegen ontsnipperen gebieden waar wegen doorheen lopen.

Een faunapassage kan ook een 30 cm brede richel zijn die onder de weg doorloopt. Een kruidachtige begroeiing kan de richel sieren. Er kunnen tunneltjes onder de weg worden aangelegd, die dienstig zijn als oversteekroutes voor amfibieën en kleine zoogdieren. In het wegdek worden dan kleine luchtroostertjes voorzien. Met dergelijke kleinschalige oplossing hef je deels de barrièrewerking op die een drukke weg heeft voor grondgebonden, lopende en kruipende dieren. Dergelijke richels worden echt wel benut. Dieren hebben soms grote leefgebieden nodig om voedsel, schuilplaatsen en partners te vinden. Als een populatie geïsoleerd leeft, zijn de risico’s groot dat een storm of een ziekte in een keer alle dieren ombrengt, waardoor een groep dieren lokaal kan uitsterven.

Ook een buis onder de weg door kan een mogelijke oplossing zijn, vooral onder op- en afritten van snelwegen. Dieren moeten de mond van de buis kunnen vinden, zodat ze niet alsnog zomaar oversteken. De eerste jaren na aanleg worden hoge betonelementen,  hekken of dichte begroeiing geplaatst om de dieren naar de de ingang van de buis te leiden. Andere soorten faunapassages zijn schanskorven, vierkante kooien van gaas gevuld met keien of puin. Hiertussen kunnen kleine dieren als amfibieën of kleine zoogdieren zich stapsgewijs verplaatsen, gedekt door de nodige schuilmogelijkheden. Ook een grote schutting kan de passage verbergen.

Faunapassages worden gebruikt door Vos, Hermelijn, Wezel, Bunzing, Egel, Gewone Pad, kikkers en muizen. Faunapassages maken het de dieren makkelijker om zich tussen de groene gebieden te bewegen. Dit maakt uitwisseling tussen soortgenoten mogelijk, vergemakkelijkt het opnieuw bevolken van groene gebieden en bieden voor de kleine zoogdieren een vluchtroute naar de buitengebieden. Het is belangrijk dat er groene corridors bestaan tussen bijvoorbeeld volktuinen, stadsparken en ruigtegebieden in de stad en landbouwgronden en andere natuurtypes buiten de stad, omdat dieren en planten zich dan gemakkelijker kunnen verspreiden. Dit zorgt ervoor dat er in de stad een relatief hoge diversiteit aan plant- en diersoorten kan voorkomen. Daarnaast vergroten de aaneengesloten gebieden het leefgebied van de soorten waardoor ze beter bestand zijn tegen de mogelijke negatieve milieu-invloeden die ze in de stad kunnen tegenkomen en grotere populaties kunnen vormen.

Veel dieren zoals de Vos, de Bunzing en de Steenmarter zijn bijzonder kwetsbaar in de voortplantingsperiode of de periode waarin de jonge dieren zich verspreiden en zelfstandig een eigen gebied opzoeken. Om verkeersslachtoffers te voorkomen kunnen de steden op diverse plekken in de stad dus buizen onder wegen, looprichels in duikers en stobbenwallen onder viaducten aanleggen, zodat dieren drukke wegen veilig kunnen passeren.

Wegen, en dan met name snelwegen vormen een barrière voor dieren om vanuit het buitengebied de stad in en uit te komen. Ecoducten kunnen deze barrière opheffen. Ecoducten zijn namelijk hulpmiddelen in de vorm van met gras begroeide viaducten (bruggen) waarvan dieren gebruik kunnen maken om weginfrastructuur of waterlopen over te steken.

Wanneer de ecoduct een heterogeen karakter vertoont zoals een halfopen corridor met een afwisseling van zeer open, schrale vegetaties met dichter begroeide delen en de aanwezigheid van natte zones zoals plassen en oevers, zal ook een groot palet aan soorten zoals spinnen en insecten (loopkevers, bosmieren, sprinkhanen, libellen en dagvlinders) van de ecoduct gebruik maken.

Gunstig voor de Vos zijn verbindingen tussen leefgebieden bijvoorbeeld recreatiegebieden met faunapassages en tunnels onder taluds van snelwegen verbinden met het achterliggende natuurgebied of landbouwgebied. Zo kan de Vos de stad veilig in en uit. De Vos is wild en leeft graag in relatieve onbekendheid. Nieuwe voedselbronnen hebben voor dieren als de Vos de overstap van een plattelandsleven naar een stadsleven vergemakkelijkt. Tegenwoordig kunnen we deze intelligente alleseter tegenkomen in het centrum van verschillende grootsteden. Overdag houdt hij zich schuil in tuinen; ’s nachts zoekt hij voedsel in parken op op braakliggende terreinen. De Vos heeft zich opmerkelijk goed aan het stadsleven aangepast.


Egelpoorten

Egels zijn de meest doodgereden zoogdieren. Ze leven vooral in tuinen en parken. De trieste piek in het aantal waargenomen slachtoffers situeert zich in de maanden juli en augustus. Op dat moment gaan jonge egels op zoek naar een eigen woonplaats, en daarbij moeten ze vaak de straat oversteken. Door tuinen met elkaar te verbinden via een doorgang van 15 cm breed en 15 cm hoogte moeten Egels de straat niet meer op om van tuin te verhuizen. Eén doorgang per tuinzijde maakt al een groot verschil, en met een opening om de paar meter is de Egel helemaal gesteld. Door Egels de kans te geven om zich te verplaatsen, kan het dier in elke tuin het aantal insecten en slakken dat zich tegoed doet aan de planten terugdringen. Wanneer men de tuinen via een kleine opening met elkaar verbindt, wordt het leefgebied van de Egels enorm vergroot. Behalve tuinen worden ook andere groene leefgebieden zoals parken best onderling zo goed mogelijk met elkaar verbonden.  


Eekhoornbruggen

Eekhoorns worden meestal doodgereden op plaatsen waar ze niet via de boomkruinen van de ene kant van de weg naar de andere kunnen. Door een dik touw van de ene kant naar de andere kant te spannen, een zogenaamde eekhoornbrug, hoeven de Eekhoorns niet meer op de begane grond de straat over te steken. Voor Eekhoorns is dit genoeg om veilig naar de overkant te komen.


Verbindingen voor vleermuizen

Aaneengesloten rijen bomen vormen bijvoorbeeld belangrijke routes voor vleermuizen die zich ’s nachts hierlangs verplaatsen op zoek naar voedsel. Sommige van deze vleermuizen slapen in gebouwen in de stad, andere in holle bomen in het buitengebied. Ook kleine, zelfs nog jonge bosjes in de stad vormen belangrijke verbindingen en stepping stones voor vleermuizen zoals Gewone en Ruige Dwergvleermuis en Laatvlieger. In dergelijke bosjes kan men ook houtbetonnen vleermuiskasten ophangen.

 

6. Verwildering 

 

De mooiste natuur in de stad is de echt wilde, spontane natuur, die onvoorspelbaar is en niet te regisseren. Een ongestuurde schoonheid wordt optimaal ervaren in een wildernis. Een Merel die in de dakgoot zit te zingen is ook wildernis. Natuur in de stad moet volledig ongebonden zijn, niet geregeld en niet verkoopbaar. Stadsparken hoeven niet overal aangeharkt te worden en kraaknet te zijn en vol te staan met palen en verbodsborden. Een ecologisch groenbeheer kan prima samengaan met een hoge beeldkwaliteit. We stellen vast dat bepaalde modetrends in de groenaanleg bitter weinig rekening met natuurbehoud en -ontwikkeling. Bloemrijke graslanden, verschraling, variatie, dood hout, aanleggen van waterpartijen en poelen en het mogelijk maken van een natuurlijke verjonging van bosgedeelten betekent niet dat het stadsbestuur een verwaarloosde “stadsjungle” beoogt. De kansen die de stadsnatuur benut zijn niet altijd een onbedoeld gevolg van een zuinig beheer. Een meer natuurlijk beheer zorgt gewoon voor meer natuur. In steden is het beheer echter meestal gericht op een fraai en net beeld, waardoor de vegetatie maar in een beperkte mate aan die ideale structuur kan bijdragen. Een zekere mate van verwildering is daarom echt noodzakelijk. Een zelfde graad van verwildering kan men ook toepassen in particuliere tuinen. Kleine ingrepen zoals het in de tuin laten liggen van enkele takkenhopen, bladhopen ter hoogte van de tuinranden of een deel van het gazon minder kort of niet maaien zorgen voor een toename van de natuurwaarden.  

 

Natuurlijke parken

Bewoners zijn vragende partij voor een grotere verscheidenheid aan planten en dieren in hun stad. Om dit te bekomen dient het groenbeheer op een meer ecologische manier te gebeuren. Het begrip “ecologisch” reikt hier verder dan “zonder pesticiden”. Men moet om te beginnen minder snoeien en minder maaien. Er zijn doorgaans al veel plantensoorten aanwezig die niet de kans krijgen om te groeien. Bij een natuurlijk beheer, zelfs dat in stadsparken, blijven bladeren liggen en mogen verschillende  bodembedekkers hun gang gaan. Vaak wordt er nog te traditioneel beheerd omwille van een sterk verankerd “netheidsbeeld”. Natuurontwikkeling en een hoge beeldkwaliteit kunnen zeer goed samengaan. Bij de groenaanleg en de stadsontwikkeling moet hiermee rekening worden gehouden. Op grasvelden die nu als gazon worden beheerd kunnen bijvoorbeeld hooilanden worden ingericht. Om de diversiteit hiervan te vergroten kunnen er aanvullend ook planten worden ingezaaid. Maar dit hoeft zelfs niet want met de jaren zal het aantal ook toenemen door een spontane vestiging van soorten. Er kunnen ook percelen of gedeelten ervan open worden gemaakt (opzettelijk verstoord) zodat zich pionierssoorten kunnen gaan vestigen. Het beheer vereist dan enkel dat de bodem 1 keer per jaar wordt losgeharkt. Ook indien men niet harkte, ontstaat er een strooisellaag, waarin veel organismen zich kunnen ontwikkelen.

Ook in stadsparken vindt men soms moerasbossen en ruige struwelen. Deze zijn ideale leefgebieden voor vogels, rondscharrelende zoogdieren, insecten en andere bodemdiertjes. Deze ruige gebieden zijn niet zo aantrekkelijk om te zien en misschien ook niet zo veilig door de erg dichte begroeiing. Dit creëert een spanningsveld tussen de wensen vanuit de ecologie en vanuit de gemiddelde gebruiker.

Een natuurlijk park is voor kinderen veel avontuurlijker, zonder dat de veiligheid in het gedrang komt.  Zo is bijvoorbeeld De Ruelensvest in Leuven een gevarieerd park met zanderige hellingen, een soortenrijk grasland en ook een strook die intensiever wordt beheerd als “ligweide” of “zit-weide”.


Natuurvriendelijke beheerswerken in openbare groenvoorzieningen

Het beheer dat momenteel in veel steden wordt gevoerd, is te hardhandig voor de natuur. Tijdens het broedseizoen veroorzaken de lawaaierige beheersactiviteiten verstoring. Bij de beheersactiviteiten sneuvelen er ook tal van planten. Groenbeheer is niet hetzelfde als natuurbeheer. Natuurbeheer is van toepassing op de natuur in de open ruimte, zoals hooilanden, heidegebieden en holle wegen. Groenbeheer houdt het beheer in van de natuur in de stedelijke of verstedelijkte omgeving. Deze natuur bestaat dan uit onkruid tussen de straatstenen, stadsparken, muurbegroeiingen op oude stadsmuren of op kerken, laanbomen, en dergelijke meer.

Bij het groenbeheer zal men meer rekening houden met de menselijke verzuchtingen, zoals het wieden van onkruid om de straten “net” te houden of het snoeien van laanbomen, terwijl het natuurbeheer meer kansen biedt voor een ongeremde ontwikkeling van de natuurwaarden. Meer en meer stemmen gaan op om het groenbeheer dichter te laten aanleunen bij het natuurbeheer en ook in de stedelijke omgeving de natuur meer kansen te geven, bijvoorbeeld hooilanden aanleggen in stadsparken, muurbegroeiingen niet verwijderen of straatbomen niet meer kandelaren.

Bomen mogen niet in de hoogspanningskabels groeien, want dat veroorzaakt vonkenoverslag en brengt de energietoevoer dus in gevaar. Men kan die bomen omhakken en het hout gewoon laten liggen. In het hout leven tal van soorten. In de plaats kan Meidoorn, Gewone Vlier en Braam geplant worden. Deze struiken komen niet hoog en zijn voedsel voor de vogels.  

Minder onderhoud resulteert uiteindelijk in een grotere soortendiversiteit. In veel levensbehoeften van dieren kan voorzien worden door de bladeren en oud hout en wat verdwaalde stenen gewoon te laten liggen. Ruigere bosgedeelten in bijvoorbeelde parken trekken echte bosvogels aan. Een begroeiing die er meer natuurlijk uitziet (“Nature like”) zorgt voor een vermindering van de onderhoudskosten, is duurzaam, heeft een hogere natuurwaarde en een hoge belevingswaarde door diversiteit en seizoenale veranderingen.

Het belang van braakliggende terreinen is vooral groot voor pionierssoorten. Deze soorten hebben het elders moeilijk, dus voor deze soorten bieden deze terreinen een goed leefgebied. Tijdelijke natuur op braakliggende terreinen betekent een beleid van niksdoen. Men moet dus kunnen aanvaarden dat deze terreinen er wat rommelig uitzien. Op de plaatsen die zich hiervoor lenen kunnen bloemrijke graslanden en hooilanden worden ingezaaid, waarna men een ecologisch beheer toepast.

Bij de aanplant van bomen kan men kiezen voor traag groeiende bomen in plaats van bijvoorbeeld populieren, die na een 40-tal jaar al worden gekapt. De uitgroei van zaailingen van Gewone Esdoorn, Iep-soorten of Stokrozen en verwilderende planten op onbetreden plekken geven de stad een toets van tolerantie. Men moet uitgaan van het standpunt dat men toevallige gevelbomen niet moet kappen, tenzij er een belangrijke reden kan worden ongeroepen om dit te doen. Hoe langer de bomen worden getolereerd, hoe meer ze door de buurt worden gewaardeerd. Men kan ook hier bewonersinitiatieven ondersteunen en bewonersparticipatie bij het beheer toelaten en zelfs aanmoedigen.

Verwildering hoeft niet zo ver te gaan dat er uiteindelijk een groot bos brandnetels overblijft. Bewonersgroepen kunnen zich hierover ontfermen en gevarieerde groenstroken doen ontstaan. Want deze verwildering moet gedragen worden door de bewoners. Bij rommelige natuurvriendelijke oevers zal men de waarde ervan moeten uitleggen aan de bewoners. Maar men stelt vast dat meer en meer stadsbewoners te vinden zijn voor ruigere natuurgebieden, die in mindere mate beheerd worden door mensen en meer door dieren, een soort “Nieuwe Wildernis”-gebieden en liefst op loop- of fietsafstand van de binnenstad.


Tolerantie voor spontaan opkomend groen

Planten tussen de bestrating worden door de bewoners weinig geapprecieerd. Velen vinden dat de planten moeten groeien op de plaatsen die daarvoor bedoeld zijn. Pleinen bijvoorbeeld zouden volgens de meeste stadsbewoners wel intensief moeten worden beheerd (vrijgehouden van “onkruiden”). Wanneer besturen de bewoners enerzijds op hun wenken bedienen en anderzijds op zoveel mogelijk verschillende andere plaatsen een nulbeheer toepast, dan kan dit alsnog een win-situatie betekenen voor de natuur in de stad. De volledige publieke groene ruimte in de stad hoeft er heus niet spic en span bij te liggen. Men moet de verschillende opkomende kruidachtige planten en soms zelfs struiken en bomen leren waarderen en tolereren.

Kruidengroei op weinig belopen verhardingen zoals randen, rommel-, achteraf- en overhoeken vereisen vrijwel geen onderhoud. Dit betekent ook niet dat er een gebrek is aan beheer. Het zijn wel spontane uitingen van natuur met bloemen in verschillende kleuren. Behalve eventueel omwille van de verkeersveiligheid zijn er geen redenen om de kruidengroei te verwijderen. Enkel het verwijderen van de afgestorven delen kan voldoende zijn. Dit is dan zowel natuur- als milieuvriendelijk en de functie van de openbare ruimte blijft intact. Dergelijke beheerkeuzes moeten door de bewoners worden begrepen en ondersteund. Kennis van de planten kan wederzijds leiden tot een positieve houding. Het aantal soorten neemt sterk toe naarmate een groengebied een natuurlijker karakter heeft. Natuurlijk groen vergt ook minder onderhoud. Soorten die spontaan in formeel groen groeien -vooral dan de kruidachtige planten en grassen- worden er vaak als onkruid beschouwd, terwijl dezelfde soorten in natuurlijk groen als aanvaarde vegetatie ervaren worden en dus niet bestreden worden. Veel verschillende grassoorten groeien tussen bloemen. Op oude muren en veel belopen stoepen is altijd wel gras terug te vinden.

Steden geven planten zoals grassen de kans om deel uit te maken van het straatbeeld en het openbaar groen door niet met chemische bestrijdingsmiddelen te werken, maar door eens in de zoveel tijd de stoepen te borstelen met metalen borstels. Hierbij verdwijnen alleen de bovengrondse delen van de planten. Sommige plekken kunnen ook worden schoongehouden met stoom.


Natuurvriendelijk beheer van particuliere tuinen

In de stadstuinen moet men durven bepaalde hoekjes van de tuin ongemoeid te laten. In een te nette tuin, waar elke vierkante meter wordt geschoffeld en elk blaadje en takje verwijderd, kunnen geen vlinders of andere insecten overwinteren. Uit onderzoek blijkt dat de plantendiversiteit in de stadsranden hoger is dan deze in het aanpalend landelijk gebied en de stadskern. Hoe groter de stadsoppervlakte, hoe meer planten, maar hoe minder verschillende soorten. In de stadsranden zijn de tuinen doorgaans ook groter dan in de stadskern.

In verloren hoeken van stadstuinen kunnen bladhopen of takkenhopen worden gelegd of Egelkasten geplaatst worden. Tuinen moeten niet ouderwets “winterklaar” gemaakt worden door alle bladeren weg te harken. Regenwormen vinden er de hele winter voldoende voedsel. Ze bieden ook extra schuilgelegenheid voor bijvoorbeeld insecten en ook kleine zoogdieren zoals de Bosmuis. Egels. Vogels zoals de Winterkoning kunnen in takkenhopen hun nest maken. Verterende takken vormen een voedingsbodem voor zwammen zoals de Aardsterren. Daarnaast kan men delen van de tuin min of meer laten verwilderen. Voor wilde bijen die in de grond nesten, zoals hommels, is dat het paradijs op aarde. Wat dood hout in je tuin is dan weer de perfecte woonst voor onder meer metselbijen.

Planten worden vaak bewust in de tuinen aangebracht, terwijl de dieren zich er eerder spontaan vestigen. Als men ervoor zorgt dat men precies die planten kiest die een grote aantrekkingskracht uitoefenen op dieren, dan is dit een zegen voor de stadsnatuur. De Grote Brandnetel bijvoorbeeld betekent voedsel voor heel veel rupsjes (Kleine Vos, Dagpauwoog, Gehakkelde Aurelia, Atalanta, Landkaartje). Men kan deze laten staan in een onopvallend halfzonning hoekje. Men kan de plant tot 1 pol beperken door hem in een grote bloempot in de grond te planten.

Natuurtuinen hoeven niet noodzakelijk compleet verwilderde tuinen te zijn. Integendeel, grassen en Brandnetelsoorten mogen niet alles overheersen. Anderzijds mogen de tuinen ook niet perfect onderhouden zijn. Ruige hoekjes zorgen voor schuilgelegenheid, nestmateriaal, zaden en vruchten. Slakken maken ook dankbaar gebruik van de ruige hoekjes. In de broedtijd voeden veel vogels zich vooral met rupsen, spinnen en kalk uit slakkenhuizen. De vogels hebben de kalk nodig voor de vorming van de eischalen. Dichte begroeiingen met klimplanten, houtstapels en nestkasten zorgen voor broedgelegenheid voor de vogels.

 

7. Variatie 

Dankzij een zogenaamde gedifferentieerd beheer van de groene ruimten kunnen de sociale, recreatieve, educatieve, landschappelijke en ecologische functies op een harmonieuze manier naast elkaar bestaan. Dit gedifferentieerd beheer houdt rekening met de natuur en haar cycli, en is minder intensief en minder op ingrijpen gericht. Het bevordert de spontane groei van wilde planten, de komst van inheemse soorten, het ontstaan van natuurlijke vijveroevers, de ontwikkeling van ruige bosjes en biedt schuilplaatsen aan tal van dieren. Zowel in stadsparken als in andere groene ruimten binnen de stad kan dit beheer toegepast worden. Er moet bijvoorbeeld in stadsparken voldoende afwisseling zijn tussen gras, struiken en bomen en liefst ook water (vijvers). In een structuurrijk park vinden verschillende soorten een geschikt plaatsje om zich te vestigen. De natuur in de stad is zowel gebaat bij afwisseling in de beplanting als bij afwisseling in het beheer zelf. Ook in particuliere tuinen is het goed om voor deze afwisseling te zorgen.

 

Afwisseling in de beplanting

In de stad kan men zeer veel verschillende groenvarianten creëren zoals grasstroken, hagen, speelgroen, openbare parken en dichte struikpartijen. In dichte struikpartijen vinden vogels bijvoorbeeld bescherming om te broeden en vinden ze tevens voedsel. Voor veel diergroepen geldt hoe complexer de vegetatiestructuur, hoe groter het aantal diersoorten zal zijn, omdat er in elke vegetatie kenmerkende soortgroepen voorkomen.

In stadsparken en landgoederen worden open plekken best afgewisseld met dichte plekken. Afwisseling zorgt voor randen. Op die overgangen kan een grote diversiteit aan planten- en dierenleven ontstaan. Het aanplanten van verschillende struiken aan de rand van de bosgedeelten geven een extra gelaagdheid die verschillende vogels aantrekt.  

Het naast elkaar voorkomen van zowel éénjarige en meerjarige kruiden, als bloemrijke hooilanden en vrij uitgroeiende bomen en struiken, geeft een goede garantie op het continu beschikbaar zijn van een nectar- of stuifmeelbron. Middenstroken van meervaksrijbanen worden vaak ingezaaid met gras dat peridiek wordt gemaaid. De enige bloemen die bloeien zijn de aangeplante bloembollen die slechts in de lente bloeien. Meer extensief beheerde stroken zorgen voor veel meer natuurlijk leven in dergelijke bermen. Gevarieerde groenzones met een afwisseling van opgaande vegetaties zoals bomen en struiken, halfhoge vegetaties en graslanden met maaibeheer creëren veel interessante mogelijkheden voor natuur.

Een variatie in de beplanting van de tuin door niet alleen mooi bloeiende bloemplanten ook besdragende struiken te planten draagt bij tot een grotere biodiversiteit. Men zorgt ook best dat vanaf de vroege lente tot in de late herfst altijd wel iets in bloei staat, zodat er een continu nectar- en voedselaanbod is, van crocussen of wilgen in het vroege voorjaar tot Klimop en Herfstasters in het najaar. In een ecologische tuin wordt gezorgd voor een afwisseling van kleine bomen met dichte struiken en laagblijvende planten zodat er voldoende variatie in de vegetatiestructuur optreedt. De gekozen planten zijn aangepast aan de groeiomstandigheden in de tuin, zodat ze minder gevoleig zijn voor ziekten. De plantenkeuze wordt afgestemd op de behoeften van vlinders, bijen en vogels. Woekerende planten zoals Japanse Duizendknoop en Reuzenbalsemien verkleinen de diversiteit en worden in de mate van het mogelijke dus geweerd. Een goede vlindertuin bloeit in verschillende seizoenen en biedt nectar van lente tot herfst. Daar profiteren ook bijen en andere insecten van.


Afwisseling in het beheer

Ook een gevarieerd beheer schept extra kansen voor natuur. Stadsparken worden er alvast ook boeiender door. Een klein structuurrijk parkje zal meer kansen voor biodiversiteit bieden dan uitgestrekte, soortenarme gazons in grote parken. Een extensief maaibeheer zorgt voor een bloemrijke kruidenvegetatie. De oppervlakte van een speelzone kan daarbij behouden blijven.

Men laat in oud-bosgedeelten van stadsparken best dood hout staan of liggen. Insecten, zwammen en het aantal dieren dat in holle bomen leeft, zoals spechten, marterachtigen en vleermuizen, neemt hierdoor toe. Stadsbewoners vragen zich soms af waarom het bos niet meer netjes opgekuist wordt.

Bij heraanleg van groenzones wordt er te veel gebruik gemaakt van een compostrijke toplaag, terwijl men bij het ecologisch beheer juist probeert om voedselarmere situaties te creëren. Een meer ecologisch groenbeheer is nodig. Op de overgang van een haag naar een grasveld kunnen interessante planten groeien. Als hen de kans wordt geboden kunnen de rijpe zaden van bijvoorbeeld Tweekleurig Springzaad, Rode Spoorbloem, Gele Helmbloem, Pastinaak, Stekelkamgras, Ronde Ooievaarsbek en Donzige Klaproos tot ontkieming komen.

Hier en daar stukken grond in de stad openhouden en 1 keer per jaar losharken geeft kansen voor pionierssoorten. Dit kunnen ook perkjes rondom bomen zijn of zelfs gewoon boomspiegels. Planten als IJzerhard en Stijf IJzerhard en verschillende grassen zullen snel hun kans benutten. Pionierssoorten produceren veel zaad en kunnen zich van hieruit verder doorheen de stad verspreiden.

Het plaatsen van muurtjes in een wijk is duur en arbeidsintensief maar deze muurtjes bevorderen wel de variatie in de wijk. De variatie van groengebieden neemt ook toe wanneer er hoogteverschillen in zijn aangebracht. De planten en dieren zijn er zeer bij gebaat.

Ook eigenaars van particuliere stadstuinen kunnen een bijdrage leveren door een aangepast beheer in hun tuin. In een vlakke tuin is elk plekje min of meer hetzelfde, waardoor het aantal soorten er beperkt is. Hoogteverschillen leiden tot kleinschalige variatie in vochtigheid, expositie van de zon en invloed van de wind. Er ontstaan verschillende micro-klimaten. Planten en dieren, vooral ongewervelde dieren zoals insecten, stellen ieder voor zich specifieke eisen aan deze milieufactoren.

 



1. Voedsel

2. Veiligheid

3. Voortplanting

4. Verblijfsmogelijkheid

5. Verbindingen

6. Verwildering

7. Variatie