NATUURLEXICON


Zwarte Kraai

Corvus corone


De Zwarte Kraai Corvus corone is een grote zwarte vogel met een lengte tot 47 cm. Hij heeft een effen glanzend zwart verenpak. De snavel is zwaar en afgerond. De staart is vierkantig. De roep klinkt als “kraa-kraa-kraa”.  

Zijn voedsel bestaat uit wormen, insecten en hun larven, vogeleieren en aas.

In maart-april legt het vrouwtje 5 eieren die zij alleen bebroedt. Het nest is een komvormig bouwsel van takken die met aarde aan mekaar worden gekleefd. Binnenin wordt het nest bekleed met wol en haar.

Mannetje en vrouwtje voeden de jongen.

De Zwarte Kraai komt bij ons vooral voor in kleinschalige, gevarieerde landbouwgebieden, parken en duinen. Deze gebieden kunnen voorzien in voldoende voedsel en nestgelegenheid. Het nest bestaat uit een verzameling dunne twijgen en dikke takken, tot een platform in elkaar gevlochten. In bosgebieden kunnen roofvogels voor een stevige predatiedruk zorgen.

Deze vogel wordt bestreden door jagers, onder het voorwendsel dat deze vogels de aantallen kleinere vogels decimeren. Bij de Zwarte Kraaien komen er in Vlaanderen en Nederland broedvogels, standvogels, doortrekkers en wintergasten voor. Er is geen enkele wetenschappelijke grond om te stellen dat predatie door Zwarte Kraaien een negatieve invloed zou hebben op de vogelstand. Ze hebben wel een invloed op de najaarsstand van bepaalde vogels (deze kunnen dan niet meer afgeschoten worden door jagers).

Het beperken van het aantal kraaiachtigen uit natuurbehoudsoverwegingen is nutteloos. De aantallen Zwarte Kraaien nemen zelfs toe als gevolg van een toename van het voedselaanbod, vooral door de maïs- en graancultuur.  

Bij een hoog populatieniveau heeft bestrijding van Zwarte Kraaien nauwelijks effect (Rapport KBIN, 2002). Deze vogels kennen zelfregulerende mechanismen die de populaties op peil houden. Territoria van Zwarte Kraaien vrijmaken vormt aanleiding tot het bezetten van deze territoria door jongere dieren.

Naast de territoriale vogels bestaat er immers steeds een soort “reserve” aan geslachtsrijpe vogels, die een min of meer zwervend bestaan leiden in groepen. Wanneer men de Zwarte Kraaien gaat bejagen, zal men eerst de territoriale vogels treffen. De vrijgekomen territoria worden dan ingenomen door kraaien van de zwerversgroepen. Deze zijn sociaal zwakker, minder agressief en dulden meer elkaars gezelschap. Dit zorgt voor hogere broeddichtheden na het wegvallen van de dominante vogels, omdat deze jongere dieren zich tevreden stellen met een kleiner territorium. In plaats van minder kraaien, verkrijgt men dus nog meer kraaien op dezelfde oppervlakte.

Deze ingreep door de mens is bovendien precies het omgekeerde van één van de belangrijkste natuurwetten: de natuurlijke selectie. Wat de mens hier als jager doet is in feite het begunstigen van de zwakkere dieren. In biologisch opzicht is dit een slechte zaak. Door het afschieten van de Zwarte Kraaien creëert de jager een zogenaamd “vacuümeffect” waarbij soortgenoten als het ware worden aangezogen door de vrijgekomen plaatsen. Een gelijkaardig effect treedt trouwens ook op bij andere territoriumhoudende dieren (zoals de Vos).

Zwarte Kraaien bouwen nesten die achteraf door andere soorten worden ingenomen. Hun aanwezigheid is een beperkende factor voor het aantal Eksters Pica pica in een bepaald gebied. Eén van de natuurlijke vijanden is de Havik Accipiter gentilis.  

Zwarte Kraaien zijn vanouds vogels van het open veld. De laatste tijd rukken ze meer en op naar de stedelijke (jachtvrije ?) Omgevingen. Daar gaan ze concurreren met Kauwen, die altijd al stadsbewoners zijn geweest en nesten bouwen in schoorstenen en in nissen van hoge gebouwen.  

Zwarte Kraaien eten soms zaaigoed, maar ze eten evenzeer emelten, die ook schadelijk zijn voor de landbouw. Zwarte Kraaien kunnen dus even goed als natuurlijke bestrijders van emelten worden aanzien en dus als bondgenoten van de boeren.  

Uit een onderzoek dat werd gevoerd in 2007 bleek dat Zwarte Kraaien erg agressief reageerden op iedereen die hetzelfde masker droeg als de onderzoeker die hen had gevangen. Een vervolgstudie toonde daarenboven aan dat zij dit ook aan hun soortgenoten kunnen “doorvertellen”. Steeds meer Zwarte Kraaien reageerden geprikkeld toen ze het masker zagen. Twee weken na het experiment reageerde 26 % boos, bijna 3 jaar later was dat al 66 %. Opvallend genoeg reageerden zelfs de jonge Zwarte Kraaien – die nog niet geboren waren tijdens het eerste onderzoek – verontwaardigd.   

Home